terug

Antwoord van mevr. Van Ardenne-van der Hoeven, minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
mede namens dhr. De Geus, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en
dhr. Veerman, minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
op vragen van de leden Tjon-A-Ten en Waalkens (beiden PvdA)
over de gevolgen van het gebruik van pesticiden bij kinderen in ontwikkelingslanden

(ingezonden op 5 september 2005 met kenmerk 2040520720)

Vraag 1
Hebt u kennisgenomen van het Terres des Hommes-rapport Sweet Hazards, Child labor on sugarcane plantations in the Philippines1?
Antwoord
Ja.

Vraag 2
Op welke wijze komt in het huidige Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingbeleid concreet tot uiting dat Nederland hoge prioriteit geeft aan het uitbannen van de ergste vormen van kinderarbeid?
Antwoord
Voor het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid zijn de Millennium Doelstellingen het uitgangspunt. Nederland streeft in het kader van armoedebestrijding naar zowel de afschaffing van alle vormen van kinderarbeid als de beschikbaarheid van onderwijs voor iedereen. Via multilaterale organisaties, MFO’s en NGO's ondersteunt Nederland de bevordering van internationale afspraken en verdragen ten aanzien van kinderarbeid en onderwijs, waaronder het Verdrag voor de Rechten van het Kind, de ILO-conventies 138 en 182 en de Education for All-doelstellingen.
Oorzaken van kinderarbeid zijn onder meer armoede, migratie, gebrek aan toegang tot onderwijs, lage kwaliteit van het onderwijs, HIV/AIDS en de culturele en sociale omgeving waar de kinderen in opgroeien. Het uitbannen van alle vormen van kinderarbeid verdient daarom een geïntegreerde benadering, onder andere gericht op het terugdringen van armoede en het aanbieden van kwalitatief goed onderwijs. De praktijk laat zien dat het soms moeilijk is werkende kinderen via formeel onderwijs te bereiken. Daarom worden er ook alternatieve vormen van onderwijs, inclusief beroepsonderwijs, opgezet, die flexibeler zijn, meer relevante lesstof kunnen aanbieden en dichter bij de gemeenschap staan. Nederland ondersteunt ook dit soort vormen van onderwijs, dat zowel door overheden als door NGO's wordt uitgevoerd.

Vraag 3
Bent u bereid in Europese en andere bilaterale én multilaterale verbanden, in het bijzonder in ILO–verband, nadrukkelijk te wijzen op de gevaren van het werken met pesticiden in de landbouwsector, ook wanneer deze zich pas op lange termijn openbaren, in het bijzonder bij kinderen?
Antwoord
Ja, waar relevant en mogelijk.

Vraag 4
Bent u bereid ook in Europees verband aan te dringen op programma’s die de omstandigheden verbeteren van kinderen die werken in de landbouw in het algemeen en meer in het bijzonder op de suikerrietplantages in de Filippijnen?
Antwoord
In Europees verband wordt de positie van Nederland, zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, uitgedragen. Het opstellen van programma’s voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden past niet in de Nederlandse inzet aangezien die juist gericht is op totale afschaffing van kinderarbeid.

Vraag 5
Kunt u uitgesplitst naar de in het rapport genoemde lijst pesticiden2 aangeven welke (mogelijke) gezondheidsrisico’s deze pesticiden voor kinderen hebben?
Antwoord
Nee. Voor een toelating van een gewasbeschermingsmiddel dient de fabrikant van een middel een dossier in bij de toelatingsinstantie in het betreffende land. Een middel wordt alleen toegelaten als er geen schadelijk effecten optreden voor de mens en geen onaanvaardbare effecten ten aanzien van het milieu optreden, uiteraard met in acht name van voorgeschreven risicoreducerende maatregelen en gebruikelijke persoonlijke beschermingsmiddelen. In vele landen verloopt dit proces op vergelijkbare wijze. Bij de beoordeling wordt uiteraard een totaalbeeld van de toxicologie van de werkzame stoffen geleverd, maar dit beeld is niet gericht op de mogelijke impact van genoemde stoffen op kinderarbeid tijdens de toepassing van het middel in het gewas of bij de zogenaamde herbetreding van het gewas.

Vraag 6
Bent u tevens bereid, zonodig in Europees verband aan te dringen op onderzoek naar de effecten van (blootstelling aan) pesticiden op kinderen die in ontwikkelingslanden in de landbouw werken, zodat meer gegevens beschikbaar komen die pleiten voor een verbod van bepaalde pesticiden? Bent u voorts bereid op grond van het Terres des Hommes-onderzoek richtlijnen te doen (laten) opstellen die kinderen die gedurende hun werk direct en indirect worden blootgesteld aan pesticiden voldoende beschermen? Zo ja, op welke termijn?
Antwoord
Zie antwoord op vraag 2. Het opstellen van richtlijnen voor kinderarbeid past niet in de Nederlandse inzet voor totale afschaffing van kinderarbeid.

Vraag 7
Deelt u de mening dat pesticiden die in het Noorden verboden zijn vanwege een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van mensen, minstens eenzelfde risico inhouden voor mensen in het Zuiden? Zo ja, bent u bereid in Europees en andere internationale verbanden te werken aan het ontwikkelen van uniforme gedragsregels om de handel in deze producten te verbieden?
Antwoord
Ja. Alhoewel klimatologische en omgevingsfactoren kunnen leiden tot verschillen tussen regio’s in de mate waarin pesticiden een risico vormen voor de volksgezondheid, kan in het algemeen gesteld worden dat veel van de pesticiden die in Nederland en de EU verboden zijn vanwege een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van mensen, ook een gezondheidsrisico kunnen vormen voor mensen in andere delen van de wereld. In internationaal verband zijn bindende afspraken gemaakt voor de handel in een aantal stoffen, die in de EU verboden zijn in verband met het risico voor de volksgezondheid.
Ik verwijs in het bijzonder naar de in 2004 in werking getreden verdragen van Rotterdam (PIC-verdrag) en Stockholm (POPs-verdrag). Het Verdrag van Rotterdam stelt regels aan de handel in een groot aantal gevaarlijke pesticiden en industriële chemicaliën. Het Verdrag van Stockholm beoogt het uitfaseren van twaalf persistente organische verontreinigende stoffen, waaronder pesticiden. Nederland is actief betrokken bij deze verdragen en streeft naar uitbreiding van het aantal stoffen dat onder de reikwijdte van deze verdragen valt. Voor een uitgebreide beschrijving van deze instrumenten en van de Nederlandse inzet hierbij verwijs ik u naar de Mondiale Milieuagenda, die u een dezer dagen bij brief van de Staatssecretaris van VROM en de Staatssecretaris voor Europese Zaken ontvangen hebt.

Vraag 8
Bent u bereid Nederlandse ondernemingen die binnen het ORET–bedrijfslevenprogramma zaken doen met Filippijnse bedrijven, actief te stimuleren om ook in dit opzicht te werken aan maatschappelijk verantwoord ondernemen?
Antwoord
Sinds 2002 is bij financieringsaanvragen van bedrijven die willen exporteren of investeren in ontwikkelingslanden een toets ingevoerd op het terrein van milieu, sociale ontwikkeling en het voorkomen van omkoping (gebaseerd op de OESO-richtlijnen). Financieringsaanvragen die leiden tot negatieve effecten worden niet goedgekeurd. Het positieve is dat de aanvragende bedrijven geen problemen met deze toets hebben. Het blijkt dat bedrijven regelmatig bereid zijn om meer te doen dan strikt noodzakelijk is. In 2007 zal de impact van deze toets onderzocht worden.



1.  Boer, J. de, Sweet Hazards, Child labor on sugarcane plantations in the Philippines, Terre des Hommes Nederland, jl.
2.  Ibid. p. 30.

Landelijke India Werkgroep - 4 oktober 2005