terug
Lijst van vragen - totaal

Kamerstuknummer: buza030418
Vragen aan: Minister voor Ontwikkelingssamenwerking
Commissie: Buitenlandse Zaken

  1. Het Nationaal Actieplan Kinderen (NAP Kinderen) zou in januari 2004 naar de VN en de Tweede Kamer gestuurd worden. Wanneer kan de Kamer dit verwachten? Wat is de reden van de vertraging? Kan op hoofdlijnen aangegeven worden welke onderdelen dit NAP Kinderen zal bevatten? Kunt u ook aangeven welke prioriteiten gesteld worden en hoe deze in verhouding staan tot de Millennium ontwikkelingsdoelen? Bent voornemens na te denken over het integreren van alle Nationale Actieplannen die betrekking hebben op kinderen?

  2. Wordt de participatie van kinderen/jongeren in ontwikkelingslanden bevorderd bij voor deze groep relevante thema's, zoals HIV/AIDS? Zo nee, bent u voornemens dit te doen? Zo ja, door middel van welke concrete activiteiten vindt stimulering van participatie plaats? Wat is de verhouding tussen de in de nota "Aan Elkaar Verplicht" vastgestelde prioriteiten en de prioriteiten die de kinderen/jongeren in ontwikkelingslanden zelf aangeven? Komt dit (in grote lijnen) met elkaar overeen? Wat wordt er gedaan met de door de geconsulteerde kinderen/jongeren voorgestelde suggesties of prioriteiten die niet aansluiten bij de in de nota "Aan Elkaar Verplicht" geformuleerde prioriteiten? Wordt de nota "Aan Elkaar Verplicht" herschreven, indien hiertoe aanleiding is?

  3. Onderneemt de regering actief stappen om vraagstukken die de (psycho-)sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling van kinderen/jongeren belemmeren (bijvoorbeeld kinderarbeid, kinderhandel, kinderprostitutie, andere tegen kinderen gerichte schendingen van de lichamelijke integriteit en waardigheid) als 'dwarsdoorsnijdende' thema's op te laten nemen in (sectorale) onderwijs- en gezondheidszorgprogramma's, vooral in die landen waar kinderen/jongeren extra risico's lopen hiermee geconfronteerd te worden? Zo ja, welke concrete stappen neemt u daarvoor? Bent u voornemens om voorstellen van landen waarmee Nederland een samenwerkingsrelatie onderhoudt, af te wijzen of in ieder geval te laten herformuleren op grond van de overweging dat bestrijding van kinderarbeid, kinderhandel, kinderprostitutie en andere tegen kinderen gerichte schendingen van de lichamelijke integriteit en waardigheid geen deel uitmaken van relevante sectorprogramma's? Zo nee, waarom niet? Op welke wijze krijgt 'mainstreaming' op het 'genderperspectief' als regulier beleidsonderdeel invulling bij de formulering van deze programma's? Wordt onder andere in hierboven genoemde programma's expliciet aandacht besteed aan (a) kennisoverdracht aan leraren, politie, personeel van gevangenissen en andere personen die met kinderen werken over de Rechten van het Kind en andere kindgerelateerde thema's, en (b) het versterken van de rol van scholen i.c. leerkrachten en ouders en andere relevante personen bij het beschermen van bijvoorbeeld kinderen/jongeren, in het bijzonder meisjes?

  4. Krijgen Nederlandse ambassades in ontwikkelingslanden instructies om kinderen/jongeren op te vangen die gedwongen gerekruteerd zijn en onder de wapenen zijn geweest (kindsoldaten) of slachtoffer zijn van mensenhandelaars, seksuele uitbuiting/exploitatie en van andere vormen van ernstig misbruik? Zo nee, bent u voornemens hieraan te werken? Zo ja, beschikken deze ambassades hiervoor over voldoende kennis? Welke acties nemen zij? Helpen zij kinderen/jongeren ook om aangifte te doen van tegen hen gepleegde gewelddaden, indien zij dat wensen? Hebben Nederlandse ambassades een systeem met indicatoren voor vroegtijdige signalering van problematische omstandigheden waarin kinderen/jongeren verkeren en eerbiediging van hun grondrechten? Acht u het gewenst om juist in landen waar de rechten van kinderen/jongeren ernstig geschonden worden een dergelijk systeem in te voeren? Bent u voornemens om, eventueel in samenwerking met de internationale gemeenschap, onderzoek te doen naar de mogelijkheid van het opzetten van een organisatie of centrum om kinderen die in conflict zijn met de wet of wier belangen geschonden worden kosteloos te ondersteunen of te begeleiden?

  5. Wordt er binnen het OS-beleid structurele en specifieke aandacht gegeven aan de integratie van kinderen/jongeren met een handicap of functiebeperking? Voert Nederland een beleidsdialoog over de integratie en discriminatie van kinderen/jongeren met een handicap of functiebeperking met regeringen, in het bijzonder met die van landen waarmee Nederland een bilaterale samenwerkingsrelatie onderhoudt? Zo ja, met welke regeringen? Wat zijn tot op heden de resultaten? Op welke wijze wordt het recht op (inclusief) onderwijs en de toegang tot gezondheidszorg voor kinderen/jongeren met een handicap of beperking binnen het OS-beleid gewaarborgd? Is er zicht op het aantal kinderen/jongeren met een handicap of beperking in ontwikkelingslanden? Bent u voornemens, eventueel in internationaal verband, om hiernaar onderzoek te doen uit voeren? Bent u voornemens een extra budgetlijn in te stellen ter ondersteuning van (a) laatstgenoemde groep, en (b) de groep kinderen/jongeren die uiterst kwetsbaar zijn en in extreem moeilijke en afhankelijke omstandigheden verkeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn wilt u dit gaan doen? Kunt u in dat geval aangegeven welke concrete activiteiten u gaat ontplooien voor de groepen kinderen/jongeren die uiterst kwetsbaar zijn en in extreem moeilijke en afhankelijke omstandigheden verkeren?

  6. Kinderen/jongeren worden bij het overlijden van een familielid steeds vaker het slachtoffer van zuiverings- of uitdrijvingsrituelen. Welke acties en instrumenten wilt u inzetten om deze praktijken uit te bannen en de rechten van deze kinderen/jongeren te beschermen?

  7. In hoeverre ondersteunt het Nederlandse OS-beleid het Nederlandse terugkeerbeleid, met dien verstande dat het voldoende bescherming en toekomstperspectief biedt aan kinderen/jongeren in de landen van herkomst? In hoeverre is het Nederlandse opvangbeleid van AMA's strijdig met het Verdrag voor de Rechten van het Kind (wat betreft het bieden van voldoende scholing, etcetera)?

  8. Bent u voornemens om met uw collega van Defensie te overleggen over het medefinancieren door het ministerie van Defensie van de reïntegratie van strijders, waaronder ook kindsoldaten, in het kader van het Stabiliteitsfonds?

  9. Worden er voor de opvang, terugkeer, sociale en maatschappelijke re´ntegratie i.c. rehabilitatie en begeleiding van meisjes, die zowel vˇˇr, tijdens als nß gewapende conflicten en in vluchtelingenkampen vaak het slachtoffer zijn van allerlei vormen van misbruik en uitbuiting, programma's ontwikkeld die uitgaan van het misbruik dat zij hebben ondergaan (trauma's), hun leeftijd en het risico dat zij lopen bij terugkeer in de eigen gemeenschap? Zo ja, op welke wijze wordt invulling gegeven aan deze bijzondere behoeften?

  10. Bent u voornemens om het thema Kinderen door middel van 'mainstreaming' zeer hoge prioriteit te geven in het beleid voor ontwikkelingssamenwerking? Bent u voornemens jaarlijks een Kind-effectrapportage te maken om de resultaten van het geformuleerde beleid voor kinderen/jongeren te kunnen vaststellen? Bent u voornemens kinderen/jongeren hierbij rechtsreeks te consulteren?

  11. Bent u voornemens als keuze-criterium voor landen voor (bilaterale) samenwerking expliciet op te nemen: 'implementatie en naleving van de uit het Verdrag voor de Rechten van het Kind, inclusief het rapportageproces naar het VN-ComitÚ, voortvloeiende verplichtingen'?

  12. Bent u voornemens om in de landengebonden beleidsregels aandacht te schenken aan de positie waarin kinderen/jongeren in het betreffende land verkeren?

  13. Bent u voornemens om op het ministerie van Buitenlandse Zaken een functionaris te benoemen die zich specifiek met kinderrechten gaat bezighouden, waaronder de algemene co÷rdinatie, de controle op de resultaten en de specifieke aandacht voor de rechten van kinderen in ontwikkelingslanden?

  14. Bent u voornemens om in overleg met uw collega van Economische Zaken bij de voorbereiding van handels- en andere missies nadrukkelijk aandacht te schenken aan de omstandigheden waarin kinderen/jongeren verkeren en problemen die er zijn bij naleving van het Verdrag voor de Rechten van het Kind en de ILO Conventies 138 en 182?

  15. Welke concrete maatregelen staat de minister voor ogen om naleving van het Verdrag voor de Rechten van het Kind, Millennium ontwikkelingsdoelen, ILO conventies etcetera te waarborgen? Voert de Nederlandse regering beleidsdialogen met regeringen hierover, in het bijzonder met die landen waarmee een bilaterale samenwerkingsrelatie bestaat? Zo ja, met welke regeringen heeft u al overleg gevoerd? Wat zijn tot op heden de resultaten? Welke andere concrete acties en instrumenten worden er naast lobby en dialoog ingezet om implementatie en naleving van bovengenoemde te realiseren?

  16. Hoe is de inzet voor het tweede Millennium ontwikkelingsdoel 'Basisonderwijs voor alle kinderen in 2015' en de 'aandacht voor factoren die toegang tot het onderwijs belemmeren, zoals kinderarbeid' te rijmen met het 'vooralsnog prioriteit geven aan de ergste vormen van kinderarbeid conform ILO Conventie 182'? Waarom is het streven van Nederland (en de rest van de internationale gemeenschap) bij het realiseren van het tweede Millennium ontwikkelingsdoel niet tegelijk en met urgentie gericht op het bestrijden van alle vormen van kinderarbeid die de toegang tot onderwijs belemmeren? Doet het 'vooralsnog prioriteit geven aan de ergste vormen van kinderarbeid conform ILO Conventie 182' recht aan de veel verder strekkende Nederlandse verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag voor de Rechten van het Kind en ILO Conventie 138?

  17. Hoe wordt er binnen het geformuleerde onderwijsbeleid voor ontwikkelingslanden, in het bijzonder voor partnerlanden, vorm gegeven aan de uitgangspunten van het door Nederland gefinancierde ILO-IPEC programma met betrekking tot kinderarbeid en onderwijs welke onder meer behelzen dat: (a) een versterkte aanpak van kinderarbeid integraal deel moet uitmaken van onderwijsbeleid, (b) alfabetisering via niet-formeel onderwijs niet garandeert dat kinderen geen kinderarbeid meer verrichten, en dat mede daarom de mogelijkheid om te kunnen instromen in formeel onderwijs essentieel is, en (c) het formele onderwijssysteem vormen van overbruggingsonderwijs en actief huisbezoek moet ontwikkelen om - ook oudere - niet-schoolgaande kinderen alsnog op school te krijgen (zie 'Combatting child labour through education', 2003, ILO-IPEC).

  18. Hoe wordt in het licht van de genoemde uitgangspunten van ILO-IPEC voorkomen, dat de door Nederland gesteunde "non-formele onderwijsactiviteiten, die gericht zijn op groepen die niet deelnemen aan het reguliere formele onderwijs, waaronder werkende kinderen die direct aansluiten op specifieke behoeften en omstandigheden van die groepen" (zie antwoord op vraag 94 nota "Aan Elkaar Verplicht") niet expliciet bijdragen aan continuering van kinderarbeid en permanente uitsluiting van bepaalde achtergestelde en gemarginaliseerde groepen uit het reguliere onderwijs?

  19. Als factoren die toegang tot onderwijs belemmeren wordt kinderarbeid genoemd. In hoeverre spelen ook infrastructurele zaken (zoals de aanwezigheid van aparte toiletten voor jongens en meisjes) hierin een rol?

  20. Als belangrijk aandachtspunt in uw brief noemt u "preventie, re´ntegratie en rehabilitatie van kinderen die slachtoffer zijn geworden van kinderarbeid". Op wat voor manier beoogt men kinderen die in situaties van conflict hebben gezeten, zoals kindsoldaten, en die ernstige trauma's hebben opgelopen, weer in een onderwijssituatie te krijgen?

  21. Is er specifiek beleid om kinderen die trauma's hebben opgelopen in conflicten bij te staan? Hierbij denken we ook aan kinderen die (blijvend) lichamelijk letsel hebben opgelopen in het conflict (ook landmijnen). Hoe is het met toegankelijkheid van specifieke zorg en aandacht voor kinderen in vluchtelingenkampen?

  22. Op welke wijze levert Nederland een fundamentele en specifieke bijdrage ter bescherming van de gezondheids-, reproductieve en mensenrechten van kinderen/jongeren, die binnen kind-huwelijken het slachtoffer zijn van praktijken die hun lichamelijke en morele integriteit aantasten?

  23. Hebben Nederlandse militairen die in VN- of NAVO-verband worden uitgezonden voldoende kennis: (a) van internationale verdragen - in het bijzonder de Rechten van het Kind -, (b) om de eerste opvang te bieden aan kinderen/jongeren, in het bijzonder meisjes, die gedwongen gerekruteerd zijn en onder de wapenen zijn geweest (kindsoldaten), slachtoffer zijn van mensenhandelaars, seksuele uitbuiting/exploitatie en andere vormen van ernstig misbruik en verwaarlozing? Zo nee, bent u voornemens in dit kader in samenwerking met uw collega van het ministerie van Defensie actie te nemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties? Bent u voornemens voorlichting hierover integraal onderdeel van de training van deze militairen te laten worden?

  24. In Nederland wordt het concept 'Brede School' gepropageerd. Bent u, mede gezien de door u geformuleerde prioriteiten in de nota "Aan Elkaar Verplicht", voornemens om in het bijzonder in de partnerlanden in samenspraak met de praktijk na te gaan of een dergelijk concept ook toepasbaar is in HIV-endemische gebieden?

  25. Is er in verband met de bestrijding van genitale verminking bij meisjes op politiek niveau overleg met overheden, in het bijzonder met die van landen waar meisjes vanwege culturele gebruiken en tradities het risico lopen hiermee geconfronteerd te worden? Zo ja, met welke regeringen is er al overleg gevoerd? Wat zijn de resultaten tot op heden? Zo nee, bent u bereid om een actieve en leidende rol te spelen bij het bespreekbaar maken van de bestrijding van genitale verminking met deze landen?

  26. De brief geeft aan dat er wat betreft reproductieve gezondheid aan een aantal zaken specifiek wordt gewerkt. Kunt u meer informatie geven over de manier waarop dit gedaan wordt. Wordt hierbij ook gedacht aan een juridisch kader om mensen die kinderen seksueel misbruiken (sekstoerisme) veel doelgerichter op te pakken en te straffen?

  27. 27 Zijn er ook resultaten bekend van de voorlichtingscampagnes met betrekking tot reproductieve gezondheid? In hoeverre speelt Nederland een rol bij het bekendmaken van de 'good practices'?

  28. Zijn er ook speciale projecten voor kinderen die met AIDS geboren worden?

  29. Welk beleid voert Nederland om te bevorderen en te waarborgen dat kinderen/jongeren, (a) waarvan de ouders aan AIDS zijn overleden of die zelf besmet zijn met het HIV-virus of AIDS hebben, (b) die in conflict zijn met de wet en in detentie zitten, (c) die in de vluchtelingenkampen zitten, toch toegang houden of alsnog toegang krijgen tot kwalitatief goed en gratis onderwijs en goede gezondheidszorg?

  30. Van het OS-budget is 15 % geoormerkt voor onderwijs. Bent u voornemens om nadrukkelijk te oormerken welk percentage van deze 15 % bestemd is voor bijvoorbeeld kinderen/jongeren waarvan de ouders aan AIDS zijn overleden of die zelf besmet zijn met het HIV-virus of AIDS hebben, die in conflict zijn met de wet en in detentie zitten, die in de vluchtelingenkampen zitten, die een handicap of beperking ('disability') hebben, etcetera? Zo nee, waarom niet?

  31. De minister stelt dat het groeiend aantal Orphans and Vulnerable Children (OVC) ten gevolge van de AIDS-epidemie specifieke aandacht nodig heeft. Bent u voornemens mede gezien deze erkenning, specifiek beleid voor kinderen in het algemeen en voor deze groep kinderen in het bijzonder te formuleren? Bent u voornemens om specifiek beleid voor deze groep te formuleren in het kader van het door u tijdens de begrotingsbehandeling in december 2003 genoemde Aanvalsplan in de strijd tegen HIV/AIDS dat rond maart 2004 wordt gepresenteerd? Besteedt u hierbij ook expliciet aandacht aan: (a) meisjes die als gevolg van de AIDS-epidemie wees zijn geworden en groot risico lopen om op zeer jonge leeftijd uitgehuwelijkt te worden, of om slachtoffer te worden van ernstige mishandeling, incest, verkrachting en/of seksuele en economische exploitatie?, en (b) de zogenaamde 'kind-gezinnen'?

  32. Acht u versterking van capaciteit van bestaande vangnetten op lokaal niveau, de zogenaamde Community Based Development (CBD), in verband met het groeiende aantal OVC's nodig en gewenst? Acht u het, mede gezien de zo snel groeiende problematiek, gewenst en noodzakelijk om na te gaan of er daarnaast ook alternatieve vormen van opvang voor OVC's kunnen worden gevonden? Bent u voornemens om de bestaande en alternatieve vangnetten op lokaal niveau te versterken binnen de sectorale benadering? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn denkt u dit te gaan doen?

  33. Er wordt niets gezegd over gehandicapte kinderen terwijl die in veel samenlevingen geen bestaansrecht hebben. Zijn deze kinderen geen speciale doelgroep in het beleid? Welke aandacht is er voor geestelijk gehandicapte kinderen?

  34. Welk effecten heeft het in werking treden in Nederland van de wet inzake opheffing van het algemeen bordeelverbod voor de handel van kinderen/jongeren, in het bijzonder meisjes, gelet op het Verdrag voor de Rechten van het Kind en de uit ILO Conventie 138 en 182 voortvloeiende verplichtingen? Indien hierover geen gegevens bekend zijn, bent u dan voornemens hiernaar onderzoek te laten verrichten?

  35. Wanneer kan de Kamer de rapportage over de naleving van ILO Verdrag 182 tegemoet zien?

  36. In hoeverre is kinderarbeid een onderwerp van onderhandeling in bilaterale relaties?

  37. Hoe kijkt u aan tegen de samenhang tussen kinderarbeid en de andere fundamentele arbeidsnormen (bestrijding van en verbod op kinderarbeid; recht op organisatie en collectieve onderhandelingen; verbod op discriminatie en dwangarbeid) en welke praktische consequenties verbindt u hieraan met betrekking tot de naleving hiervan?

  38. Kunt u de Kamer informeren over: (a) De resultaten van het door Nederland gesteunde Child Protection Programme van UNICEF over de periode 2001-2003; (b) Het door Nederland beschikbaar gestelde bedrag voor het International Programme on the Elimination of Child Labour (IPEC) van de ILO en de resultaten van dit programma met betrekking tot kinderarbeid en onderwijs; (c) De resultaten van het door Nederland gesteunde Statistical lnformation and Monitoring Programme on Child labour (SIMPOC) en de wijze waarop de resultaten van SIMPOC worden gebruikt voor het formuleren van beleid met betrekking tot kinderarbeid, in het bijzonder voor partnerlanden; (d) De door de werkgroep Voorschoolse Vorming van de Association for Development of Education in Africa (ADEA) bereikte resultaten bij het agenderen van een sectoroverstijgende aanpak betreffende de ontwikkeling van het voorschoolse kind, in het bijzonder wat betreft de implicaties hiervan voor de onderwijssector in Afrikaanse landen?

  39. Wat is de doelstelling en werkwijze van het UNICEF-programma Child Protection waarvoor 7 miljoen euro beschikbaar is gesteld?

  40. Op welke groepen zijn de door Nederland financieel ondersteunde activiteiten gericht van MFO's, NGO's, sociale partners etcetera op het gebied van preventie, rehabilitatie, scholing en lobby: op werkgevers, kinderen, ouders?

  41. Zijn er plannen voor een derde (Yokohama) congres tegen commerciŰle seksuele exploitatie van kinderen? Zo nee, waarom niet?

  42. Bij de aanpak van (commerciŰle) seksuele uitbuiting van kinderen/jongeren zijn er verschillen wat betreft vormen van misbruik en tussen regio's. Op welke wijze wordt in het Nederlandse OS-beleid rekening gehouden met deze verschillen? Op welke wijze krijgen deze verschillen vorm in de aanpak van dit probleem? Voert de Nederlandse regering hierover en over andere gevoelige onderwerpen die een inbreuk plegen op de kinderlijke integriteit en waardigheid overleg met regeringen, in het bijzonder met die van landen waarmee er een bilateraal samenwerkingsrelatie bestaat? Zo ja, met welke regeringen is er al overleg gevoerd? Wat zijn tot op heden de resultaten?

  43. Kindersekstoerisme is een groeiend probleem. Werkt u ter bestrijding van dit probleem in het kader van publiek-private partnerships nadrukkelijk samen met het bedrijfsleven, vooral de reisindustrie? Was u voornemens een Code of Conduct (gedragscode), die een uitbreiding en concretisering is van de gedragscode van de ANVR en ontworpen is door enkele Europese ECPAT-organisaties onder auspiciŰn van de WTO en gesteund door de Europese Commissie, onder de aandacht te brengen van het bedrijfsleven, in het bijzonder de reisindustrie? Heeft u zich ooit bezig gehouden met het idee om in samenwerking met de reis- en luchtvaartindustrie reclame en voorlichtingscampagnes op te zetten om Nederlandse toeristen te wijzen op het bestaan van deze problematiek?

  44. Is een oorzaak van het fenomeen van de op seksuele uitbuiting gerichte handel van kinderen/jongeren gelegen in de traditie in verschillende ontwikkelingslanden om kinderen/jongeren - al dan niet tijdelijk - onder te brengen bij derden? Bent u voornemens om in het bijzonder in partnerlanden nadrukkelijk te pleiten om tot ondertekening, ratificering, implementatie en naleving van internationale verdragen - in het bijzonder het Verdrag voor de Rechten van het Kind en de ILO Conventies 138 en 182 - over te gaan en de eigen wet- en regelgeving in overeenstemming te brengen met deze internationale verdragen en conventies? Bent u, eventueel in internationaal verband, mede vanwege de bestrijding van dit fenomeen, voornemens om ontwikkelingslanden te helpen die geen bevolkingsadministratie hebben bij het aanleggen hiervan, eventueel door het beschikbaar stellen van expertise, menskracht en middelen? Bent u voornemens om in het bijzonder bij partnerlanden te pleiten voor effectieve systemen in verband met de registratie van geboorte, huwelijk en overlijden?

  45. Hebben landen ooit een rechtshulpverzoek ingediend in verband met de opsporing of vervolging van een persoon met de Nederlandse nationaliteit dan wel met een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland die verdacht wordt van of zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele delicten met kinderen/jongeren (meisjes en jongens) in betrokken landen? Hebben Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers in het buitenland ooit melding gemaakt van verdenkingen van seksuele delicten met kinderen/jongeren jegens een Nederlands ingezetene? Zo ja, hoe vaak? Zo nee, waarom denkt u dat dit niet gebeurt? Is het mogelijk dat deze landen i.c. hun diplomatieke vertegenwoordigers in Nederland niet op de hoogte zijn van het feit dat via de Nederlandse wetgeving personen met de Nederlandse nationaliteit dan wel die met een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland die in het buitenland seksuele delicten met minderjarigen plegen, hiervoor in Nederland kunnen worden vervolgd en bestraft? Zo ja, bent u voornemens om dit op korte termijn in een schrijven nadrukkelijk onder de aandacht te brengen ook via diplomatieke vertegenwoordigers van Nederland in het buitenland?



Landelijke India Werkgroep - 25 maart 2004