terug



Notitie
'Kinderarbeid, basisonderwijs en het Nederlandse ontwikkelingsbeleid'

oktober 2003

Vanuit het uitgangspunt dat elk kind recht heeft op fulltime onderwijs van goede kwaliteit pleit de campagne 'Stop Kinderarbeid - School, de beste werkplaats' voor coördinatie en integratie van het Nederlandse beleid op het gebied van onderwijs én bestrijding van kinderarbeid in ontwikkelingslanden. Dit is des te meer van belang nu binnen enkele jaren 15% van het totale Nederlandse ontwikkelingsbudget zal worden besteed aan onderwijs.
Daarom wordt het tijd werk te maken van een beleid dat ook de nu nog werkende kinderen uitzicht geeft op kwalitatief goed en gratis fulltime onderwijs.

In een brief van 12 september jl. schreven wij aan de leden van de Tweede Kamer:

'Wij zijn door onze jarenlange betrokkenheid bij kinderarbeid en basisonderwijs in het Zuiden, tot de conclusie gekomen dat armoede geen belemmering hoeft te zijn om elk kind fulltime onderwijs te kunnen bieden. Ook is kinderarbeid, zoals vaak wordt beweerd, meestal niet nodig om 'hun familie te laten overleven'. Ervaring in een land als India leert dat bestaande sociale normen, uitsluiting van groepen en niet of slecht functionerend basisonderwijs de belangrijkste redenen zijn waarom kinderen werken en niet naar school gaan. Onze Indiase partnerorganisatie MV Foundation heeft de afgelopen twaalf jaar 240.000 arme kinderen, waaronder veel meisjes, laten instromen in het openbaar basisonderwijs. Hun ouders konden betere lonen bedingen toen hun kinderen niet meer voor werk beschikbaar waren. De voorzitster van de MV Foundation, mevrouw Shantha Sinha, heeft daarvoor onlangs de belangrijke Aziatische Ramon Magsaysay Award ontvangen.'

En:

'De discussie over het recht op onderwijs wordt vaak gevoerd zonder daarbij te betrekken dat kinderarbeid een groot aantal kinderen belet om naar school te gaan. Scholen bouwen en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs is dan niet genoeg. Noodzakelijk is ook een actieve aanpak van kinderarbeid (inclusief thuiswerk van meisjes), om alle kinderen onder de 14 jaar naar school te krijgen en daar te houden. Daarbij hoort noodzakelijk het (herbe)vestigen van de norm dat werk nooit een belemmering mag zijn voor het volgen van dagonderwijs. Velen - ook de Nederlandse regering - gaan er echter onterecht van uit dat veel kinderarbeid een 'noodzakelijk kwaad' is. Daardoor worden vooral de ergste vormen van kinderarbeid aangepakt.
Dit leidt vaak tot ad hoc oplossingen, vervanging van de ene groep kinderen door een andere en bestendiging van het probleem. Nodig is echter: het bestrijden van álle vormen van kinderarbeid die kinderen belemmeren om naar school te gaan.'

Internationale afspraken in VN verband

De bovenstaande visie én hoopgevende praktijkervaringen zijn in feite een logisch uitvloeisel van in internationaal (VN) verband gemaakte afspraken. Het door bijna alle landen geratificeerde 'Verdrag voor de Rechten van het Kind' verplicht staten tot het realiseren van verplicht en gratis basisonderwijs. Daarnaast verbinden staten zich via dit Verdrag om voor passende straffen en andere maatregelen te zorgen om kinderen te beschermen tegen economische uitbuiting, gevaarlijk werk en werk dat hun deelname aan onderwijs belemmert.
Wat betreft de bestrijding van kinderarbeid wordt veelal verwezen naar de nieuwe ILO Conventie tegen de Ergste Vormen van Kinderarbeid die betrekking heeft op kinderen en jongeren tot 18 jaar (Conventie 182). Deze Conventie is inmiddels door 147 landen geratificeerd. De veel oudere ILO Conventie 138 over de 'minimumleeftijd voor werk' is een andere belangrijke peiler in de strijd tegen kinderarbeid, maar krijgt veel minder aandacht. Deze Conventie bepaalt dat de minimumleeftijd voor werk niet lager mag zijn dan de leeftijd waarop de leerplicht eindigt, met een benedengrens van 15 jaar. Ontwikkelingslanden mogen kiezen voor een minimumleeftijd van 14 jaar. De ondertekening van deze Conventie is de afgelopen jaren sterk gestegen en ligt nu op 131 landen.
Tenslotte: 155 landen hebben tijdens het World Education Forum in april 2000 in Dakar besloten dat alle kinderen in 2015 toegang moeten hebben tot het basisonderwijs. Dit is een van de algemeen geaccepteerde Millenniumdoelstellingen én een van de prioritaire thema's van het Nederlandse beleid op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking.

Het probleem

Hoewel Nederland het Verdrag voor de Rechten van het Kind en de beide ILO Conventies heeft ondertekend en de Millenniumdoelstellingen over onderwijs onderschrijft, is het Nederlandse beleid ten aanzien van onderwijs in ontwikkelingslanden én het beleid tegen kinderarbeid niet gebaseerd op de samenhang tussen deze instrumenten en het daaruit voortvloeiende recht op voltijds onderwijs.

Het probleem is dat:

  • het Nederlandse beleid m.b.t. onderwijs in ontwikkelingslanden geen expliciete visie en aanpak heeft die is gericht op het integreren van circa 200 miljoen werkende kinderen wereldwijd in voltijds formeel basisonderwijs. Voor zover er sprake is van een visie, is deze gebaseerd op de veronderstelling dat parttime onderwijs voor veel werkende kinderen het 'hoogst haalbare' is.

  • het beleid tegen kinderarbeid (te) eenzijdig is gebaseerd op de bestrijding van de ergste vormen van kinderarbeid (ILO Conventie 182). Gevolg is dat kinderarbeidbeleid veelal 'losstaand' beleid is dat nauwelijks verbindingen legt met beleid ten aanzien van basisonderwijs in ontwikkelingslanden.

Voor een belangrijk deel komen deze (beleids)problemen voort uit de opvatting dat twee belangrijke waarden botsen: het recht op onderwijs én het recht op (over)leven. Vervolgens wordt voor de laatste gekozen in de veronderstelling dat armoede het de meeste werkende kinderen onmogelijk maakt om volledig onderwijs te volgen. Een keuze tussen twee kwaden, zo lijkt het tenminste.
In werkelijkheid is het door een geïntegreerd onderwijs- en kinderarbeidbeleid in ontwikkelingslanden én in donorlanden goed mogelijk om ook arme kinderen dagonderwijs te bieden en alle vormen van kinderarbeid te bestrijden die schadelijk zijn én/of kinderen beletten om naar school te gaan.

Minister van Ardenne zet terecht in op forse steun aan het basisonderwijs in ontwikkelingslanden. In 2007 moeten de uitgaven voor basisonderwijs ongeveer 15% uitmaken van het totale Nederlandse budget voor ontwikkelingssamenwerking. Daarom wordt het tijd werk te maken van een beleid dat ook de nu nog werkende kinderen uitzicht geeft op kwalitatief goed en gratis fulltime onderwijs.

Aanbevelingen

  1. Het Nederlandse beleid ten aanzien van onderwijs en kinderarbeid moet gebaseerd worden op het gecombineerde mandaat van het 'Verdrag voor de Rechten van het Kind', de beide kinderarbeid-conventies van de ILO en Millenniumdoel 2 dat is gericht op het realiseren van basisonderwijs voor alle kinderen in 2015.
    Dat leidt tot het uitgangspunt: 'Elk kind heeft het recht op voltijds formeel onderwijs en geen kind mag werk verrichten dat zulk onderwijs belemmert en/of gevaarlijk is.

  2. De nu nogal gescheiden beleidsterreinen van enerzijds hulp aan onderwijs in ontwikkelingslanden (het terrein van het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking) en anderzijds bestrijding van kinderarbeid (het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid), moeten beter gecoördineerd en waar mogelijk gecombineerd worden. De Nederlandse regering moet dringend een coherent beleid op de thema's onderwijs en kinderarbeid ontwikkelen. Overigens is die coördinatie evenzeer noodzakelijk tussen organisaties als UNESCO, Unicef en de ILO.

  3. De programma's voor basisonderwijs in ontwikkelingslanden, waarvoor Nederland de komende vijf jaar 2,5 miljard Euro zal uittrekken, moeten een strategie bevatten of ontwikkelen om alle werkende en andere niet-schoolgaande kinderen onder de veertien jaar te integreren in een vorm van formeel voltijds onderwijs.1

  4. Voorkómen - ook van kinderarbeid - is beter dan genezen. Daarom moet Nederland overheden en maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden steunen die campagnes voeren om alle kinderen van 'schoolrijpe leeftijd' naar school te krijgen. Ondersteuning van dit soort campagnes alsmede voorschoolse opvang, kleuterscholen etc. is juist voor kinderen uit arme en kwetsbare groepen een belangrijke bijdrage aan het realiseren van het recht op voltijds onderwijs.

  5. Om het recht op fulltime onderwijs te realiseren moet Nederland waar mogelijk bijdragen aan het bevorderen, helpen invoeren en daadwerkelijk uitvoeren van de leerplicht en het realiseren van de facto recht op onderwijs voor alle kinderen. Ontwikkelingssamenwerking op het gebied van basisonderwijs moet daarom zo veel mogelijk voldoen aan de volgende strategische voorwaarden:

    1. samenwerking tussen in het bijzonder de ministeries van onderwijs en arbeid, onder meer door een betere coördinatie van de onderwijsinspectie en de arbeidinspectie.

    2. het bevorderen dat het onderwijs gratis wordt (of blijft) en dat ook de bijkomende kosten voor schoolboeken, eventuele uniformen e.d. door de overheid worden gedragen.

    3. de taakstelling en toerusting van het onderwijssysteem (van onderwijsministerie tot elke afzonderlijke school) zo regelen dat zij niet alleen verantwoordelijk zijn voor kinderen die al op school zitten, maar ook voor het naar school halen van werkende en andere niet-schoolgaande kinderen. Dat betekent nauwe samenwerking met bijvoorbeeld arbeidsinspectie, instellingen voor sociaal welzijn en sociale zekerheid, openbaar vervoer etc.

    4. tot een dergelijke taakstelling behoort ook: het opruimen of helpen van ouders bij het nemen van 'bureaucratische barrières' die kinderen uit school houden of leiden tot 'drop-outs', zoals inschrijfformulieren, aanwezigheid geboortebewijs, medisch bewijs van ziekte, gebrekkig schooltransport, verplicht schooluniform, onmogelijkheid om na zesde jaar of tijdens schooljaar in te stromen etc. Het schoolsysteem moet - veelal arme en ongeletterde ouders - helpen om deze zaken te regelen of ze zelf regelen.

    5. voorlichting en mobilisatie om alle 'belanghebbenden' bij het onderwijs (ouders, kinderen, onderwijzers, dorps- en wijkraden, (lokale) overheid, vakbonden, NGO's etc.) actief te betrekken bij de norm dat elk kind naar school moet en bij het praktisch vormgeven daarvan.

    6. het organiseren van overbruggingsonderwijs (via brugcursussen, brugklassen, bijlessen etc.) die het voor oudere kinderen mogelijk maakt om alsnog fulltime onderwijs te kunnen volgen.

    7. het organiseren van een systeem om (dreigende) 'drop-outs' en hun ouders zo snel mogelijk te bezoeken, problemen te bespreken en naar oplossingen te zoeken.

    8. speciale aandacht voor en gerichte aanpak van 'meisjesarbeid' (zie ook punt 7). Deze arbeid is vaak weinig zichtbaar en draagt bij aan grote achterstand op het gebied van onderwijs. Hun werk in eigen of andermans huishouden wordt vaak niet als kinderarbeid erkend.

    9. bestrijding van discriminatie en uitsluiting op basis van sekse, ras, kaste, cultuur, taal, levensovertuiging, handicaps e.d. Het gaat daarbij zowel om discriminatie buiten en binnen de school die de toegang tot onderwijs belemmert, als om een curriculum en gedrag van onderwijspersoneel dat leidt tot discriminatie van bepaalde groepen buiten de school.

    10. verbetering van de pedagogische en inhoudelijke kwaliteit van het onderwijs. Vaak wordt dit punt als eerste (en zelfs enige) remedie genoemd om werkende kinderen naar school te krijgen. Hoe uitermate belangrijk ook, maar alleen een aanbod van kwaliteit is niet genoeg om dat te realiseren. Door mobilisatie rond (en realisering van) de norm dat elk kind naar school moet - al is de kwaliteit aanvankelijk basaal - ontstaat ook duurzame vraag naar kwaliteit.

  6. De Nederlandse regering zou, met name om de deelname aan onderwijs van arme en veelal ondervoede kinderen te bevorderen, programma's voor schoolmaaltijden kunnen ondersteunen. Deze leveren ook een belangrijke bijdrage aan de leercapaciteit van arme leerlingen en zijn een bijdrage aan hun recht op voedsel.
    Het is af te raden om financiële steun te geven aan de (ouders van) ex-werkende kinderen die naar school gaan, zeker als het gaat om aparte scholen voor ex-kindarbeiders. Deze programma's zijn vaak sterk afhankelijk van donorfinanciering, financieel niet duurzaam en erg gevoelig voor corruptie en (overigens begrijpelijk) calculerend gedrag van ouders die hun kinderen mogelijk van reguliere scholen halen om te profiteren van de gesubsidieerde schoolgang. Financiële steun in de vorm van programma's voor sociale zekerheid voor arme gezinnen op voorwaarde dat hun kinderen naar school gaan, zoals het Braziliaanse Bolsa Escola programma, is een betere aanpak.

  7. De aandacht die er momenteel gelukkig is voor de grote achterstand van meisjes wat betreft de deelname aan het basisonderwijs, zou aangevuld moeten worden met even grote aandacht voor het (vele) werk dat meisjes moeten verrichten en hun deelname aan voltijds onderwijs sterk belemmert. Als meisjes al naar school gaan worden zij vaak in de vroege puberteit van school gehaald. Gerichte inspanningen om meisjes naar het dagonderwijs te krijgen, moeten waar dat mogelijk is steeds plaatsvinden binnen een strategie die datzelfde voor alle niet-schoolgaande kinderen nastreeft. Een aanpak die bepaalde meisjes (en andere specifieke groepen kinderen) 'geïsoleerd' behandelt kan veelal meer tegenwerking verwachten en loopt meer kans te blijven steken in tijdelijke projecten in plaats van bij te dragen aan structurele deelname van meisjes in een onderwijssysteem.

  8. Het steunen van parttime en/of andere vormen van informeel basisonderwijs voor werkende kinderen dient steeds als brug te dienen naar formeel voltijds onderwijs. Nederland dient als regel geen permanente parttime onderwijssystemen voor werkende kinderen te steunen of in stand te houden waarbij school en werk wordt gecombineerd. Waar dat wel gebeurt moet duidelijk zijn dat er (voor het moment) geen andere optie is en moet worden gestreefd naar aansluiting bij, of doorstroming naar, het reguliere voltijdse onderwijssysteem dat onderwijs aan alle kinderen biedt. De soms matige of slechte kwaliteit van het formele openbaar onderwijs is in geen reden om een parttime 'alternatief systeem' voor werkende kinderen op te zetten, maar vraagt eerder om een bijdrage aan het kwalitatief verbeteren van het onderwijssysteem als geheel.

  9. Voor het bestrijden van kinderarbeid en het realiseren van het recht op fulltime onderwijs is het werk van niet-gouvernmentele organisaties (NGO's) van groot belang. Het gaat er daarbij niet om dat NGO's de verantwoordelijkheid van de overheid op onderwijsgebied overnemen, maar vooral dat zij de overheid stimuleren om die (eind)verantwoordelijkheid zelf op zich te nemen. Vanuit de Nederlandse sectorale benadering van de bilaterale hulp, waarbinnen het recht op onderwijs een prioritair thema is, is het daarom sterk aan te bevelen om maatschappelijke organisaties - waaronder NGO's en vakbonden - te identificeren en te ondersteunen die bij kunnen dragen aan het beschreven geïntegreerde beleid op het gebied van kinderarbeid en onderwijs.

  10. De Nederlandse regering zou er bij de Wereldbank, de Europese Unie, Unicef, ILO-IPEC, UNESCO en andere multilaterale donoren op aan moeten dringen om hun beleid op het gebied van kinderarbeid en onderwijs in bovenbeschreven richting bij te stellen.
    IPEC, het kinderarbeidprogramma van de ILO, beweegt zich al in die richting, onder meer via een groot programma met de Indiase regering dat is gericht op het laten instromen van ex-werkende in regulier voltijds onderwijs.

  11. De door Nederland gesteunde specifieke programma's en projecten tegen kinderarbeid zouden zich:

    • minder moeten richten op het bestrijden van alleen de ergste vormen van kinderarbeid, maar vooral bredere programma's moeten steunen die alle vormen van kinderarbeid bestrijden die kinderen uit het formele onderwijs houden en/of gevaarlijk zijn;

    • in gevallen waar het bestrijden van de ergste vormen van kinderarbeid - onder meer door middel van het verstrekken van onderwijs - wel het uitgangspunt is, zich waar mogelijk moeten aansluiten bij of het initiatief nemen tot programma's die zijn gericht op instroming van de kinderen in het formele dagonderwijs.

  12. Lopende en geplande programma's voor het onderwijs in ontwikkelingslanden zouden op korte termijn getoetst en geëvalueerd moeten worden op hun bijdrage aan het bestrijden van schoolgang belemmerende vormen kinderarbeid en (dus) op hun strategieën om werkende en andere niet-schoolgaande kinderen in het formele dagonderwijs te krijgen. Dit is te meer van belang gezien de snelle groei van de hulp aan het basisonderwijs en het risico dat deze hulp juist de armsten en meest marginalen niet bereikt.
    De foute veronderstelling dat (alle of de meeste) werkende kinderen vanwege armoede niet naar het formeel dagonderwijs kunnen of alleen geholpen zijn met parttime onderwijs naast werk, berooft nog steeds miljoenen kinderen van het recht op kwalitatief goed voltijds onderwijs.

Oktober 2003

Campagne 'Stop Kinderarbeid - School, de beste werkplaats'

* Algemene Onderwijsbond (AOb)
* FNV Mondiaal
* Hivos
* Landelijke India Werkgroep

Voor meer informatie over de campagne 'Stop Kinderarbeid - School, de beste werkplaats', zie: www.schooldebestewerkplaats.nl.

Voor het Engelstalige position paper 'Stop Child Labour - School is the best place to work', zie www.indianet.nl/ppchled.html.



1 Het Europese Parlement - in haar resolutie over onderwijs in ontwikkelingslanden van mei 2003 - 'wijst er op dat algemeen voltijds onderwijs een effectief verbod op kinderarbeid veronderstelt, evenals een onderwijsstelsel dat strategieën omvat om alle werkende en andere niet-schoolgaande kinderen in voltijdse scholen te integreren; dringt er bij de Commissie op aan om er op toe te zien dat alle door haar gefinancierde onderwijsprogramma's strategieën omvatten die voorzien in sociale mobilisatie en overbruggingscursussen voor oudere kinderen'.


Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 28 oktober 2003