|
door: Kantelende verhoudingen in donorwereld door opkomende economieën China en India knagen aan westers hulprecept
Vanaf begin volgend jaar gaat Nederland China helpen met het opzetten van een kadaster. Dat is nodig, want grondrechten zijn in China slecht geregeld. Dat leidt regelmatig tot conflicten tussen de overheid, projectontwikkelaars en lokale boeren. Wanneer de overheid ergens een nieuwe woonwijk plant, kunnen de boeren niet aantonen dat de beoogde bouwgrond van hen is. Rijksuniversiteit Groningen gaat China adviseren, in samenwerking met Kadaster Internationaal in Apeldoorn. | ![]() |
||||
|
De problemen met grondrechten zijn typische problemen van ontwikkelingslanden. En China staat nog altijd te boek als een ontwikkelingsland. Ongeveer 26 miljoen Chinezen op het platteland, vooral in het westen en noorden, leven in absolute armoede. In de steden moeten nog eens 22 miljoen mensen rondkomen van een inkomen onder het bestaansminimum. Toch verdraagt het beeld van traditioneel ontwikkelingsland zich steeds moeilijker met de andere werkelijkheid in China. Al meer dan vijftien jaar kent China een explosieve economische groei van gemiddeld 9,6 procent per jaar. Miljoenen Chinezen vonden emplooi in de groeiende textiel-, speelgoed- en elektronica-industrie. Het land tilde in een kwart eeuw meer dan 200 miljoen mensen uit de extreme armoede - een ongeëvenaarde prestatie. Volgens de Wereldbank daalde tussen 1981 en 2001 het aandeel van de bevolking onder de armoedegrens van 53 naar 8 procent. De cijfers variëren al naar gelang de bronnen die men gebruikt, maar de sterk dalende trend wordt door alle bronnen bevestigd. Hoewel de absolute armoedecijfers er nog steeds niet om liegen, kan China prat gaan op een enorm succes in de armoedebestrijding. Met de gegroeide welvaart heeft ook modern consumptiegedrag zijn intrede gedaan. De Maopakken zijn allang van het toneel verdwenen. De nieuwe Chinese middenklasse belt mobiel, eet in chique restaurants en gaat op vakantie naar Europa. | China haalde 200 miljoen mensen uit de extreme armoede: een enorme prestatie | ||||
|
Over die vraag zijn de meningen verdeeld. In zijn boek Het einde van de armoede geeft econoom Jeffrey Sachs - de motor achter de VN-millenniumdoelen - een duidelijk antwoord: nee. China en India zijn prima in staat om de armoedebestrijding in hun land zelf ter hand te nemen en te bekostigen. Daar is geen hulp van buiten voor nodig. Peter Ho is het daar gedeeltelijk mee eens: 'Als je kijkt naar de gelden, dan heeft Sachs gelijk. Wat Nederland aan China geeft, is een druppel op de gloeiende plaat.' Gerard Oonk, directeur van de Landelijke India Werkgroep, valt hem bij. 'In India is geld zat. Grote infrastructurele projecten, dat moeten wij niet doen. Dat kan India best zelf betalen.'
| India heeft zelf geld genoeg | ||||
|
Zijn donorlanden en hulporganisaties daarmee uitgespeeld? Nee, zeggen Ho en Oonk beslist. Grote sommen geld voor armoedebestrijding mogen dan niet meer nodig zijn, maar China kan veel baat hebben bij uitwisseling van kennis en ervaring, vindt Peter Ho. 'Nederland zou China kunnen adviseren op terreinen waar het sterk in is. Ruimtelijke ordening, milieu, infrastructuur of biotechnologie. Ook van ons poldermodel kunnen Chinese organisaties en lokale overheden wellicht iets leren.' In India, zegt Gerard Oonk, zou de donorwereld zich kunnen richten op maatschappelijke vernieuwingen. 'Veel instituties in India werken slecht. Dat leidt bijvoorbeeld tot het slecht functioneren van gezondheidszorg, onderwijs en waterbeheer. Wij kunnen organisaties steunen die zorgen dat deze instituties beter gaan draaien. Het is voor hen niet gemakkelijk om geld van de eigen overheid te krijgen, omdat zij zich vaak kritisch over die overheid uitlaten.'
Hulp nieuwe stijl | Overdracht van kennis belangrijker dan geld | ||||
|
De Nederlandse steun bij het opbouwen van het Chinese kadaster is een mooi voorbeeld van deze 'hulp nieuwe stijl'. Ook Gerard Oonk merkt dat het karakter van de hulp aan India in de loop der jaren is veranderd: 'Grote clubs, zoals Oxfam-Novib, zien in dat alleen geld pompen in India niet de oplossing is. Ook binnen de Landelijke India Werkgroep hebben we de koers verlegd. Vroeger kritiseerden wij vooral de Nederlandse overheid, omdat wij vonden dat het ontwikkelingsgeld onvoldoende bij de armsten in India terechtkwam. De laatste jaren is maatschappelijk verantwoord ondernemen een speerpunt geworden. Dat volgt de trend dat de Nederlandse economische relatie met India veel belangrijker is geworden.' | Nederland helpt bij opbouwen Chinees kadaster | ||||
|
Er verandert meer: China en India worden steeds kieskeuriger. Zij wensen niet zomaar van iedereen hulp te ontvangen. Dat ervoer Nederland aan den lijve, toen India in 2003 uit eigen beweging de hulprelatie met Nederland stopzette. Geld speelde daarbij niet de belangrijkste rol: de Verenigde Staten, die veel minder aan India doneerden dan Nederland, bleven op het donateurslijstje staan. Vermoedelijk speelden politieke motieven mee: Nederland had zich kritisch uitgelaten over de passieve rol van de overheid tijdens de bloedige botsingen tussen hindoes en moslims in Gujarat, een jaar eerder, waarbij vooral veel moslimslachtoffers vielen. Geen zin in kritiek | Economische relatie met India belangrijker dan hulp | ||||
|
'India heeft geen zin in kritiek uit het buitenland,' zegt Gerard Oonk. En daar
plukt hij zelf de wrange vruchten van: al drie jaar lang weigert de Indiase ambassade hem een visum. Meer medewerkers van hulporganisaties en journalisten hebben problemen om India binnen te komen. Volgens Oonk juist omdát ze institutionele veranderingen willen ondersteunen. 'Ze bekommeren zich om een aantal gevoelige punten,' zegt Oonk, 'zoals de positie van kastelozen. En dat wil India niet horen, hoewel het toch tal van mensenrechtenverdragen heeft ondertekend.' | India en China hebben geen zin in kritiek uit buitenland | ||||
|
In China is het niet veel anders. Hoogleraar Peter Ho: 'China heeft een sterk zelfbewustzijn. Het land durft eisen te stellen aan donoren. China laat niet zomaar zijn politieke agenda bepalen door die van de donoren. Donoren bieden zich aan, China maakt een keuze.' Ho vindt het onverstandig dat Nederland heeft besloten de hulp relatie met China af te bouwen: 'Nederland heeft absoluut een belang bij het geven van hulp aan China. Het is een wereldmacht in wording. De economische belangen zijn enorm. Alle landen willen toegang tot de Chinese markt. Het is cruciaal dat die markt toegankelijk wordt.' De steun voor de opbouw van het Chinese kadaster is een voorbeeld van het veiligstellen van economische belangen. Het mensenrechtenaspect voert weliswaar de boventoon, maar op termijn is een goedwerkend kadaster ook gunstig voor het Nederlandse bedrijfsleven. Volgens Peter Ho zouden ook Nederlandse en Chinese vastgoedbedrijven bij dit project betrokken kunnen worden. Een aardig detail is het feit dat het Nederlandse ministerie van Economische Zaken het project deels financiert. Chinezen zitten overal in Afrika | Buitenlandse donoren willen voet tussen deur houden | ||||
|
China en India bedienen zelf de sluis van de hulpstroom. Dat tekent niet alleen hun relatie met westerse donoren: de invloed van de Aziatische grootmachten wordt steeds voelbaarder in de rest van het Zuiden, met name in Afrika. Vooral de Chinezen zijn alomtegenwoordig op dit continent. China bouwt bruggen in Angola en Ethiopië, het zette een parlementsgebouw neer in Ivoorkust en financierde een stuwdam in Congo-Brazzaville. Chinezen pompen olie op in Soedan, Angola en Nigeria, halen ijzererts uit Liberia en koper uit Zambia. Chinees textiel en huisraad vinden hun weg naar winkels en straathandelaren in Malawi en Mozambique. Die Chinese aanwezigheid is niet nieuw, maar de intensiteit groeit. Vijf jaar geleden had de handel tussen China en Afrika een omvang van 10 miljard dollar, voor 2006 zal dat naar schatting 30 miljard zijn, volgens gegevens uit de oratie van Peter Ho. | Chinese handel met Afrika groeit razendsnel | ||||
|
De reden voor de Aziatische belangstelling voor Afrika laat zich gemakkelijk raden: China en India schreeuwen om grondstoffen, vooral olie, om hun eigen groeiende economieën op stoom te houden. Een kwart van de Chinese olie-importen komt inmiddels uit Afrika. In ruil daarvoor belonen China en India Afrikaanse landen met directe investeringen, de aanleg van infrastructuur en steun aan hulpprojecten. Hulp en handel zitten bij China en India in één pakket. | Hulp en handel zitten bij China en India in één pakket | ||||
|
Peter Ho: 'De Chinezen werken pragmatisch met Afrikaanse landen samen en laten zich weinig gelegen liggen aan de mensenrechtensituatie. Dat is de negatieve kant van het verhaal. Je weet niet zeker of geld voor infrastructuurprojecten ook daarvoor wordt gebruikt. Het kan ook worden aangewend voor militaire inzet.' In een recent rapport analyseert DFID, het Britse ministerie van Ontwikkelingssamenwerking, de gevolgen van de Chinese opmars in Afrika. Die zijn volgens DFID gemengd. In een aantal Afrikaanse landen staat de lokale textielindustrie onder druk door goedkope Chinese importen. Tegelijkertijd profiteren Afrikaanse consumenten van de lage prijzen van Chinese kleding en huisraad, wat hun koopkracht vergroot. | Chinezen doen ook zaken met dictatoriale regimes | ||||
|
Volgens Peter Ho heeft Afrika per saldo vooral baat bij de Aziatische aanwezigheid: 'De opkomst van China is een enorme kans voor Afrika. Juist op het moment dat westerse landen Afrika links laten liggen, trekken de Chinezen massaal Afrika binnen. Op het niveau van een individueel land maken zij een enorm verschil in de infrastructurele opbouw. Bovendien maakt de handel
tussen Afrika en China een groot aantal consumentenproducten goedkoper. Afrikaanse landen hebben daar profijt van - met uitzondering van landen als Lesotho, die zelf textiel produceren. De invloed van China in Afrika is enorm en veelzijdig.' | Opkomst van China is enorme kans voor Afrika | ||||
|
China en India knagen aan dit nieuwe hulprecept voor Afrika. Chinese en Indiase ontwikkelingshulp is per definitie verbonden met economische belangen en niet afhankelijk van behoorlijk bestuur. 'Het gaat weer terug naar het verleden,' zegt Wil Hout, universitair hoofddocent Internationale Ontwikkelingsvraagstukken aan het Institute of Social Studies in Den Haag. 'China zet ons weer dertig jaar terug in de tijd, toen wij het zelf ook zo deden.' | China en India knagen aan westers hulprecept voor Afrika | ||||
|
De westerse donorwereld lijkt zich vooralsnog nog niet goed raad te weten met deze nieuwe 'concurrentie' uit Azië. Op zijn best dragen China en India bij aan het doel dat ook de westerse donorlanden voor ogen staat - armoedebestrijding -, op zijn slechtst belonen zij corrupte bestuurders en houden zij dictators in het zadel. Wil Hout heeft wel een idee hoe het Westen tegenwicht zou kunnen bieden: 'Kijk bijvoorbeeld naar het Millennium Challenge Account, het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Staten. Wanneer de VS een land selecteren, dan willen zij een van de grootste donoren zijn in dat land. Dan heeft hun hulp een hefboomwerking. Gelijkgezinde donoren uit Europa kunnen daaruit een les trekken: meer samenwerken. Niet een paar miljoen van de ene donor en een paar miljoen van de andere, maar één pakket. Het wordt dan minder gemakkelijk voor China om daar tegenop te bieden.' Tegelijkertijd zullen westerse donoren zich moeten voorbereiden op een ander soort diplomatie, waarbij, zegt Hout, 'we de fictie moeten loslaten dat we hier industriële landen en daar ontwikkelingslanden hebben'. 'China en India hebben, net als Brazilië en Rusland, heel andere belangen dan andere ontwikkelingslanden. Dat leidt tot een nieuw palet van machtsverhoudingen in de wereld. Dit zie je al heel duidelijk in de Wereldhandelsorganisatie, waar je een ander soort besprekingen krijgt over handel. Zo zullen ook onderhandelingen over ontwikkelingssamenwerking een ander karakter krijgen.' | Westerse donoren weten zich geen raad met Aziatische concurrentie |
terug
LIW in de pers
Kinderarbeid & Onderwijs
HOME Landelijke India Werkgroep
Landelijke India Werkgroep - 27 juni 2006