print terug
Notitie OS, 12-9-2003

Bilaterale ontwikkelingssamenwerking met India:
Einde verhaal of nieuw begin?

Een notitie over de mogelijkheden voor een nieuwe vorm
van bilaterale samenwerking met India

Inleiding

De Nederlandse OS relatie met India was in juni even in het nieuws. "India wil geen hulp van Nederland meer" aldus Minister Van Ardenne in een persbericht dd 6 juni. Op dezelfde dag deed de Indiase regering een persbericht uitgaan met een heel andere strekking: doorgaan op een andere manier en niet abrupt afbouwen.

Wat is er sindsdien gebeurd? Op kamervragen van PvdA en GroenLinks is versluierend geantwoord. Er is een ambtelijke delegatie naar Delhi gegaan met een afbouwstrategie als opdracht. Op termijn van ruim twee jaar worden alle lopende projecten afgebouwd. De fondsen die bespaard worden op bilaterale samenwerking met India zullen niet op een andere wijze in India geïnvesteerd worden. Het heeft er alle schijn van dat de koerswijziging aan Indiase zijde gebruikt is om bezuinigingen binnen de Nederlandse OS Begroting te verwezenlijken.

Blijven een groot aantal vragen:

  • Waarom niet de mogelijkheden gebruiken om de relatie met het grootste partnerland in het bilaterale OS programma opnieuw vorm te geven?
  • Is het afbreken van een langjarige relatie nu niet een vorm van onherroepelijke kennis-, netwerk- en kapitaalsvernietiging?
  • Is het geen tijd voor een echte visie op de OS relatie met India - met begrip voor de grootte en aard van de Indiase samenleving - in plaats van alleen beheersmatig te opereren?

Deze notitie schetst de achtergrond met betrekking tot de veranderende OS relatie met India en pleit er voor om een visie te ontwikkelen met alle partijen die bij de samenwerking met India betrokken zijn. Er is alle mogelijkheid om binnen het raamwerk van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid, de relatie met India nieuwe inhoud en elan te geven.

Twee persberichten, twee standpunten

Op 6 juni j.l. deed de Indiase regering een persbericht uitgaan waarin de volgende uitspraken gedaan werden:

"The Finance Ministry will frame a new set of guidelines which will govern future bilateral aid flows to India. While framing the guidelines the Ministry will invite inputs from bilateral aid partners.

The Finance Secretary explained that the new decision sought to take into account changing realities in the field of development cooperation. It was clearly stated that the ongoing economic development cooperation projects/programmes shall continue ensuring that there is no disruption/dislocation with the projects being allowed to run their stipulated course. He said that unlike the past, development needs are large but have localized and geographical singularities. Institutional needs have also changed. The involvement of government leads to universalisation of development models which is counter-productive in today's scenario. Thus the government has decided that bilateral assistance that is no longer routed through the government machinery could be accessible to the institutions, projects NGOs etc. directly. This was expected to improve the efficiency of the development effort.

It was stated by the Ministry of Finance and was generally appreciated that the development cooperation should be appropriately seen as a dynamic process recognizing the changing realities. The external aid, in order to be meaningful and efficacious, must result in an end to the requirement of further aid. India, that is fast emerging as a systematically improved player in global economy, has therefore decided to reorient its aid policies.

It would also be more efficient as the bilateral partner would as a rule have interaction with government only at the beginning of the financial year when the total bilateral assistance package will be discussed and finalized. The Finance Ministry would be primarily interested in addressing India's security concerns and overall development priorities. Thereafter the bilateral partners would be free to interact with the beneficiaries. However, it was emphasized that such aid flows would normally be in the form of grants rather than loans and government commitments to repay loans would be kept to a minimum."

Dezelfde dag deed het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken ook een persbericht de deur uit waarin het volgende gezegd werd:

Minister for Development Cooperation Agnes van Ardenne welcomes the Indian government's decision to end its aid relationship with 14 countries, including the Netherlands. Last week, the Indian Government sent a letter informing the Dutch government that it no longer wanted to receive bilateral assistance, i.e. government-to-government aid. Early this week, Agnes van Ardenne will be writing to the Indian government requesting them to take over funding of current Dutch programmes. According to Van Ardenne, India is showing that it is responsible for its own development. "If India says it can reduce poverty itself, and wants to change the nature of bilateral relations, then of course we must accept that. We'll be maintaining relations with India, but they'll be more political in nature. " She is delighted that India is entering a new stage in its development. And she will do her utmost to ensure that the wishes of the Indian government are converted into deeds. This week she will ask India to take over funding of Dutch programmes.


Eenzijdige Nederlandse interpretatie van het Indiase standpunt

Als we deze twee berichten vergelijken dan valt op dat Nederland een beperkte en eenzijdige interpretatie geeft aan wat door de Government of India (GOI) gezegd is:

  • Waar India aangeeft de modaliteiten van de (bilaterale) hulp te willen veranderen, zegt Nederland dat India geen hulp meer wil ontvangen.

  • Waar India zegt waarde te hechten aan continuering van lopende programma's en projecten, zegt Nederland dat ze deze zo spoedig mogelijk wil overdragen aan de Government of India (GOI), of aan anderen. Het valt te verwachten dat de GOI formeel zal reageren op het Nederlandse verzoek dat het de projecten wel zal overnemen, maar in de praktijk betekent dit vaak: einde verhaal.

  • India geeft aan dat institutionele behoeftes veranderd zijn en dat daarom een ontwikkelingsstrategie die meer direct via het maatschappelijk middenveld (NGOs en universiteiten met name) loopt, meer geëigend is voor effectieve armoedebestrijding. Meer gedecentraliseerde vormen van hulp waarin het middenveld een actieve rol speelt, zijn geschikter om armoede in zijn/haar specifieke regionale context te lijf te gaan. Een (te grote) overheidsbetrokkenheid leidt, aldus de GOI, tot "universalisation of development models" en dat is contraproductief. De voorgestelde herstructurering leidt tot een grotere effectiviteit en efficiëntie van de ontwikkelingsinspanningen. Relaties met de GOI zouden beperkt worden tot jaarlijks overleg waarin de grote beleidslijnen besproken worden en de GOI het veiligheidsbelang in de gaten houdt.

  • De Nederlandse minister van Ontwikkelingssamenwerking stelt (in haar antwoord op een kamervraag van GroenLinks kamerlid Karimi) dat zij het oneens is met de Indiase visie: "Juist het toenemende samenspel van overheden en maatschappelijke actoren daarbinnen - hoe moeilijk ook - acht ik van groot belang en dit leidt naar mijn mening zeker niet tot veralgemenisering van ontwikkelingsmodellen. In die zin sluit de beslissing van de Indiase centrale autoriteiten de weg naar dergelijke multi-actor vormen van samenwerking af".

Context van de Indiase visie

Er lijkt hier sprake van onbegrip aan Nederlandse zijde voor de Indiase context. India een enorm land, met een navenant groot overheidsapparaat. Dit heeft onder meer als gevolg dat de Nederlandse bijdrage, hoewel aanzienlijk naar Nederlandse begrippen (dit jaar 60 miljoen Euro), in de Indiase overheidsbegroting als geheel een fractie is. Het totale aandeel van de buitenlandse hulp aan India's GDP is 0.6%. Daarvan komt 5% uit Nederland.
De Nederlandse bijdrage is dus 0.03% van India's GDP (volgens een IOV studie gedaan in 1994; de verhoudingen zijn sindsdien niet significant gewijzigd).
Dat wil niet zeggen dat bilaterale hulp geen zeer belangrijke toegevoegde waarde kan hebben. Die waarde zit niet zozeer in de omvang van de financiële ondersteuning, als in de 'zout in de pap werking' die er van uit kan gaan.

Binnen de Indiase verhoudingen is de Nederlandse bijdrage veel meer van kwalitatief dan van kwantitatief belang. Nederland wilde met de invoering van de sectorale benadering een grotere systematische bijdrage leveren aan het beleid van de ontvangende landen. In India is die hulpbijdrage van een andere aard en werkt zij op andere manieren dan in andere landen die bilaterale hulp ontvangen. Deze zijn veel kleiner qua aantal inwoners en omvan van de economie, hebben een onvergelijkbaar veel kleinere overheidsbegroting en zijn vaak veel meer afhankelijk van externe donoren. Ook heeft India een veel groter overheidsapparaat op diverse niveaus.

Het is daarom een illusie dat afspraken over goed beleid en hervormingen in sterke mate zijn te koppelen aan onderhandelingen over financiële bijdragen van Nederland aan de Indiase overheidsbegroting. De hulp die Nederland beschikbaar stelde in projecten en programma's op een aantal gebieden - landbouwontwikkeling, waterbeheer, onderzoek en vrouwen/gender - hebben echter in belangrijke mate bijgedragen aan beleidsvernieuwing. Dat gebeurde iet in de eerste plaats door de hoeveelheid geld die beschikbaar werd gesteld, maar door lokale kennisopbouw en voorbeeldwerking die uiteindelijk van invloed waren op het beleid. Met andere woorden: het gaat om hervormingen van onderop, direct met Indiase betrokkenen. De operationele flexibiliteit die in een aantal bilaterale programma's bestond, maakte het mogelijk om projecten en programma's uit te voeren die als zeer belangrijke beleidsexperimenten en proeftuinen en laat India - met haar hoog opgeleide elite én actieve maatschappelijke organisaties - in sterke mate haar eigen weg uitstippelen, zonder daarbij af te zien van de doelstelling armoedebestrijding.

Wat wil India eigenlijk? Het land is te groot om een eenduidig antwoord te verlangen. Ook bij het besluit de bilaterale hulp op een andere leest te schoeien spelen verschillende belangen een rol. Maar opvallend in het huidige Indiase standpunt is de voorkeur om die hulp via het maatschappelijk middenveld en wetenschappelijke instellingen te kanaliseren omdat dat 'uniformisering' zou voorkomen.
De Indiase overheid is zich scherp bewust van de logheid van het overheidsapparaat en zoekt al vele jaren naar effectieve manieren om decentralisatie op allerlei gebieden te bevorderen. Bij de Planning Commission en bij wetenschappers die zich verdiepen in langere termijn dynamiek in de samenleving, leeft sterk de mening dat het kleine beetje buitenlandse hulp gebruikt moet worden om innovatieve aanpakken uit te testen, "better practices" te ontwikkelen, die bij gebleken succes vervolgens met eigen middelen kunnen worden voortgezet en vermenigvuldigd. Dat sluit nauw aan bij de werkwijze van tal van maatschappelijke organisaties (zie ook de reacties op de besluiten over de Nederlandse hulp in Indiase kranten). Er is behoefte aan concrete voorbeelden dat het anders kan en hulp kan daarbij helpen. India heeft een zeer uitgebreid en dynamisch maatschappelijk middenveld. Het hele krachtenspel tussen overheid, middenveld en "the people" is daarmee zeer eigen en totaal anders dan in veel andere landen. Zinnige beleidsvernieuwing krijgt daarom in India vooral vorm door het samenspel van NGO's, andere maatschappelijke organisaties en de overheid. Daarvan zijn veel voorbeelden - ook binnen het huidige bilaterale programma.

Aan de andere kant kan de Indiase stellingname tegenover bilaterale hulp niet losgezien worden van politieke onderstromen. 'Swadeshi' oftewel economische zelfstandigheid staat hoog in het vaandel van de door Hindu nationalisten gedomineerde regering. Mogelijk heeft de regering door deze beleidswijziging aan te kondigen inderdaad een punt wilde scoren bij haar achterban. Dat laat echter onverlet dat los daarvan er allang een functionele verschuiving aan de gang was in de bilaterale samenwerking die leidde tot de wens en noodzaak tot 'vermaatschappelijking' van de ontwikkelingssamenwerking.

Reacties van andere donoren

Nederland lijkt de enige donor te zijn geweest die snel en rigoureus heeft gereageerd door India voor te stellen de programma-portefeuille over te nemen. De meeste anderen kijken de kat uit de boom, gaan gewoon door met de lopende samenwerking en wachten nieuwe richtlijnen af.
Bijvoorbeeld, Australië had al enige tijd nog enkele nieuwe samenwerkingsprogramma's met de overheid in de pijplijn en beide partijen hebben besloten de contracten te sluiten en de samenwerking (tot na 2008) tot uitvoering te brengen. Vrijwel alle donoren hebben overigens al een programma met maatschappelijke organisaties in India en zijn van plan daar mee door te gaan. DFID, door India gezien als een grote donor, ziet de Indiase beleidswijziging als een kans om nog meer via het middenveld te gaan werken.
Ook Nederland voert een deel van de samenwerking - met de sectorale benadering als organiserend principe - uit via NGO's. Voor 2003 is dat ruim € 3 miljoen en daarmee is Nederland een van de grotere. Enkele bilaterale donoren zoals Zweden (SIDA) en Canada (CIDA) zijn reeds actief bezig om de toekomstige ontwikkelingssamenwerking in India over een andere boeg te gooien en uit te breiden. Beiden zijn geïnteresseerd om daarbij met Nederland samen te werken. Zweden bevindt zich reeds in de programmeringfase en heeft sectoren geïdentificeerd. Er lijken dus goede mogelijkheden te zijn voor Nederland om samen met een aantal - oorspronkelijk - gelijkgezinde donoren (ook in Utstein verband) een samenhangend en gecoördineerd programma met NGO's en andere maatschappelijke organisaties in India op te zetten.


De kloof tussen Nederlandse beleidsintenties en -praktijk

Minister van Ardenne is van mening - zie de antwoorden op kamervragen - dat de Indiase regering de mogelijkheid tot vormen van multi-actor partnership afsluit. Het tegendeel is echter het geval. Daarentegen is zij juist zelf van plan om de ondersteuning van succesvolle lopende 'multi-actor programma's' op korte termijn wil beëindigen. Zij laat daarmee een uitstekende kans voorbij gaan om te leren van rijke ervaring op dit terrein en daarop voort te bouwen in de relatie met India. Helaas is de mening van de minister daarom niet gebaseerd op een goede analyse van het Indiase maatschappelijke krachtenveld, noch op een gedegen kennis van eigen Nederlandse projecten en programma's. Die programma's doen namelijk voor een deel al lang wat nu als "nieuw beleid" (de multi-actor benadering) gepresenteerd wordt.

Hieronder ligt een meer fundamentele contradictie. Namelijk die ten aanzien van het begrip local ownership. Dit begrip staat terecht hoog in het Nederlands OS vaandel. Nu zien we een regering die een duidelijke visie op tafel legt ten aanzien van hoe ze de ontwikkelingssamenwerking wil vormgeven, en de Nederlandse respons is alleen: "Ze willen onze hulp niet meer". Er zou op zijn minst een verdere inhoudelijke discussie kunnen plaatsvinden tussen Nederland en India waarin samen verder gezocht wordt naar nieuwe vormen van samenwerking en nader wordt verkent welke mogelijkheden India daartoe biedt.

De minister benadrukt in haar recente brief van 17 juni aan de Tweede Kamer ook het belang van kwaliteit, effectiviteit en efficiëntie van de bilaterale samenwerking. Nu stelt de Indiase regering dat dit precies de overwegingen zijn om een verandering in aanpak van de bilaterale samenwerking voor te stellen. Daar niet op in willen gaan getuigt niet van een grote openheid voor nieuwe visies. Het lijkt eerder te duiden op een onderliggende houding waarin wij uiteindelijk bepalen wat effectief en efficiënt is, niet zij.

Waarom is samenwerking met maatschappelijke organisaties in India interessant voor Nederland?

India heeft een uitstekende grondwet en een goede 'pro-poor' wetgeving. India staat bekend als de grootste democratie ter wereld (een belangrijke basis voor 'goed bestuur') en via de vijfjaren ontwikkelingsprogramma's die door de donoren vanwege de armoedefocus worden erkend als PRSP's vanwege de armoede focus, worden vele nationale programma's uitgevoerd die gericht zijn op sociale basisvoorzieningen voor de armen en achtergestelden. Het schort echter ernstig aan de uitvoering van deze wetgeving op lokaal niveau terwijl de nationale programma's vanwege een rigide bureaucratie en corruptie vaak de armen maar ten dele bereiken. Tegelijk kent India ook een groot maatschappelijk middenveld waarin duizenden NGO's actief zijn en zich het lot van de armen aantrekken. Daar komt nog bij dat het ook in het Indiase bedrijfsleven steeds gebruikelijker wordt om een deel van de winst via Stichtingen terug te ploegen in te samenleving.

Deze situatie schept uitstekende mogelijkheden om in India aan armoedebestrijding te doen via maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Het biedt ook een goede kans om Ondernemen tegen Armoede en maatschappelijk verantwoord ondernemen vorm te geven. Door het steunen van NGO's die innoverend aan de basis van de samenleving bezig zijn met 'empowerment' en basale sociale voorzieningen, kunnen de armen zelf de weg naar het recht vinden en hun levensomstandigheden verbeteren. Tegelijk kan corruptie vermeden en bestreden worden, terwijl het werken met NGO's het mogelijk maakt om de Indiase overheid goed te blijven volgen in haar armoedebeleid en haar daar in de bilaterale relatie op aan te spreken zonder dat met beëindiging van de hulprelatie gedreigd hoeft te worden.

Kortom, door gerichte samenwerking met maatschappelijke organisaties kan heel goed of zelfs beter aan directe armoedebestrijding worden gedaan, waarbij de huidige nadelen van overheidssamenwerking (corruptie, bureaucratie, vertroebelde bilaterale betrekkingen) wegvallen of verminderen.

India is ook, in vergelijking met veel andere landen, een voorloper op het gebied van innovatieve multi-actor vormen van samenwerking, waarin de overheid vaak een low-key faciliterende (ook in financieel opzicht) rol speelt en andere actoren de ruimte geeft om datgene te doen waar ze goed in zijn. We komen er veel vormen van goed functionerende samenwerking tegen, op OS gebied maar ook in andere maatschappelijke sectoren zoals bijvoorbeeld de software industrie. Er zijn veel interessante voorbeelden van geslaagde experimenten met multi-actor benaderingen; ook een aantal Nederlandse projecten hebben met succes deze formule toegepast. De experimenten vinden vaak het best in nauw contact met, maar buiten de operationele bureaucratische structuren van de overheid plaats.
In het kader hieronder worden een aantal voorbeelden gegeven.

Voorbeelden van multi-actor benaderingen

Beroemd is het succesvolle vrouwen empowerment en alfabetisatieprogramma Mahila Samakya waar Nederland met recht trots op mag zijn. Degenen die dat programma geconcipieerd hebben eind jaren 80 (internationaal bekende keien als Srilatha Batliwala en Vimala Ramachandran) hadden een glasheldere visie die haar waarde bewezen heeft: dit programma moet opereren in de vorm van een Society ('vereniging') die institutioneel opgehangen is onder het Ministry of Education, maar er geen deel van uitmaakt.Het programma heeft daarmee een autonome status die veel ruimte beidt voor slagvaardig handelen (zeker nodig op dit terrein) maar is wel, via de Board of Directors, verantwoording schuldig aan het ministerie.

Een ander voorbeeld: In 1994 zijn "The National Guidelines for Participatory Watershed Development" geformuleerd en door de Indiase regering tot nationaal beleid verheven. Deze zeer progressieve richtlijnen zijn ontwikkeld op basis van ervaring van NGOs (o.a. Myrada) en een paar succesvolle bilaterale projecten, o.a. van GTZ (Duitsland), SDC (Zwitserland). Het unieke van de guidelines is dat GO-NGO relaties hierin volkomen gestroomlijnd en geÔnstitutionaliseerd zijn. De overheid financiert en ziet toe op naleving van de guidelines, en de Project Implementing Agencies (dat zijn vaak NGOs, soms ook overheidsdiensten) voeren uit. We zien hier een mooi voorbeeld van hoe projecten in de Indiase praktijk werken: als proeftuinen waaruit lessen geleerd worden voor beleid.

Heel innovatief is de Child Help Line, een telefonische hulplijn voor (straat)kinderen, werkzaam in 45 steden die allemaal meer dan een miljoen inwoners hebben. Deze lijn verwerkt ca 50.000 telefoontjes per dag en werkt op basis van een samenwerkingsverband van het Indiase ministerie van Sociale Zaken, de telefoondienst, universiteiten, NGOs en software bedrijven; zonder steun van externe donoren.

AME, een door Nederland gefinancierd bilateraal project (in 2001 een Indiase NGO geworden) heeft sinds 1994 als specifiek mandaat: "to facilitate the institutional linkages between the biomass actors" (d.i. de maatchappelijke actoren op het gebied van landbouw, water en natuurbeheer). Als niche actor, gesitueerd tussen overheid en NGOs, met zelf een NGO status, heeft het met succes een groot aantal relevante linkages tot stand weten te brengen, en heeft een aantal "lessons learnt" opgeleverd op het gebied van multi-actor partnerships die van invloed zijn geweest op het beleid van de Indiase overheid. Zie Final Report AME Phase IV, 2002.

Het North Bengal Terai Project heeft een vergelijkbare invloed op beleid gehad. Het heeft als "proeftuin"de basis gelegd voor vernieuwingen in de deelstaat wetgeving ten aanzien van land en watergebruik.

Rita Sharma (een van de hoogste ambtenaren in het Centrale Ministerie van Landbouw) verklaarde tijdens een internationale conferentie dat de Indiase regering haar doelen slechts kan realiseren met en via NGOs en projecten, en dat deze meer ruimte moeten krijgen om dat te doen waar ze goed in zijn: Training, capacity building, participatieve processen begeleiden. ( Zie: Sharma R. 2000. In: Institutional development and capacity building for rainfed farming watersheds. In: Advances in land resource management for the 21st century. Lead papers of the International Conference on Land Resource Management for Food, Employment and Environmental Security (ICLRM). New Delhi: Soil Conservation Society of India, pp 169-180).


Hoe verder?

De argumenten die door minister Van Ardenne naar voren worden gebracht om de bilaterale OS relatie met India te beëindigen, zijn wankel onderbouwd. De beslissing om de relatie met India te beëindigen staat op gespannen voet met een centraal uitgangspunt van het Nederlandse beleid, namelijk het principe van local ownership. De minister maakt een grote inschattingsfout als zij stelt dat de Indiase beslissing de weg naar multi-actor samenwerking uitsluit. Ze gooit daarbij een gouden kans weg om tot nieuwe en veelbelovende vormen van partnership te komen, en om te leren van het vele dat India op dit terrein te bieden heeft. De unieke "niche" voor kleinere bilaterale donoren in India is dat ze een uiterst relevant verbindingsrol kunnen spelen tussen overheid en het maatschappelijk middenveld en in die zin complementair zijn aan bijvoorbeeld de medefinancieringsorganisaties.

India is een continent met meer dan een miljard inwoners en 350 miljoen armen over een gebied groter dan Europa. Er is nog veel te doen. Nederland kan daar een zinvolle bijdrage aan leveren, ook al is die in omvang beperkt. Er zijn legio mogelijkheden om tot een nieuwe invulling van de OS relatie met India te komen die relevant is in de context van het Nederlandse OS beleid. De relatie met India verdient een diepgaander discussie en het ontwikkelen van een visie over de toegevoegde waarde van Nederlandse OS.

Onderdeel van de discussie zou ook het samenspel tussen het bilaterale programma en het MFO programma moeten zijn. In de afgelopen jaren hebben bilaterale projecten met NGO participatie gewerkt op het gebied van het ontvankelijk maken van overheden op het locale -, districts- en staatsniveau voor vernieuwende participatieve benaderingen binnen specifieke sectoren, terwijl bij de door MFOs gesteunde NGOs het accent meer heeft gelegen bij de directe actie gericht op een scala van sociale issues, recht en rechteloosheid, toegang tot essentiŽle voorzieningen en hulpbronnen, organisatie en empowerment. Deze twee 'soorten' benaderingen zijn complementair, en er valt veel bij te winnen als er verder gewerkt gaat worden aan het vormgeven van deze complementariteit.

Het ontwikkelen van zo'n visie zou de komende maanden moeten plaatsvinden, hier in Nederland en met relevante actoren in India - vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, ervaren bureaucraten, sociale activisten, wetenschappers, enzovoort. Dat is beter dan de deur naar India met een klap dichtgooien. Wat verder op zijn minst verwacht mag worden van de Nederlandse regering dat zij de bilaterale ontwikkelingssamenwerking van de afgelopen tien jaar (in 1994 is de laatste brede India Evaluatie geweest) laat evalueren en daar lessen uit trekt voor de toekomst.



Gerard Oonk, coördinator Landelijke India Werkgroep

Hans Brüning, directeur projecten ICCO, mede namens de andere medefinancieringsorganisaties

Edith van Walsum, ex-teamleider AME (Agriculture Man and Ecology) project in India

Frank van Steenbergen, ex-teamleider North Bengal Terai Development Project in India project en coördinator van de Andhra Pradesh Water Conservation Mission.


12 september 2003


Landelijke India Werkgroep - 15 september 2003