terug

BRIEF

aan de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 25 mei 2001.


ref.0525ktk.tk
Utrecht, 25 mei 2001


Aan: De Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
     Tweede Kamer der Staten Generaal
     Postbus 20018
     2500 EA Den Haag



Geacht kamerlid,

Graag willen wij als Landelijke India Werkgroep ons commentaar op het Actieprogramma Kinderarbeid aan u voorleggen, dat op 30 mei a.s. door de Vaste Commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal worden besproken.
  Wij beperken ons daarbij tot deel C over de internationale activiteiten van de Nederlandse regering op het gebied van de bestrijding van kinderarbeid.

Wat betreft de ratificatie en implementatie van ILO-Verdrag 182 tegen de ergste vormen van kinderarbeid stelt de regering dat zij, waar nodig, overheden zal aanspreken op en ondersteunen bij de uitvoering van het verdrag. Dat geldt met name voor de 17+4 landen waarmee een structurele ontwikkelingsrelatie bestaat.
  Er bereiken ons echter serieuze berichten dat de Indiase regering niet van plan is om het nieuwe verdrag tegen kinderarbeid te ondertekenen. Gezien het feit dat in India circa een derde van de ongeveer 250 miljoen werkende kinderen in de wereld woont zou dat een enorme terugslag zijn in de strijd tegen kinderarbeid.
  Naast India zijn er diverse andere '17+4' landen die bijna twee jaar na de unanieme afronding van Verdrag 182 in Genève ILO-Verdrag 182 nog niet hebben ondertekend. Het ligt daarom voor de hand dat de Nederlandse regering om duidelijkheid vraagt over de voortgang met betrekking tot de ondertekening van het verdrag en het daarop te baseren actieprogramma's tegen kinderarbeid.
  Ook in de politieke dialoog tussen de Europese Unie en de landen die ILO-Verdrag 182 nog niet hebben ondertekend, zou deze kwestie aan de orde gesteld moeten worden.

Het actieprogramma maakt melding van een fonds van 40 miljoen gulden voor de bestrijding van kinderarbeid voor de periode 1999-2002. Helaas wordt niet gemeld welke ervaring met het programma is opgedaan en welke resultaten zijn bereikt.
  Ook wordt uit het actieprogramma niet duidelijk hoe deze 40 miljoen zich verhoudt tot het sectorale programma in de landen waarmee Nederland een structurele bilaterale relatie heeft. Gaat het alleen om afzonderlijke projecten en programma's of wordt het geld ook gebruikt om bestrijding van kinderarbeid te integreren in de gekozen sectoren?
  In november 1999 liet de minister aan de Kamer weten dat kinderarbeid als 'dwarsdoorsnijdend thema', naast milieu en vrouwen, een plaats zal krijgen in het sectorbeleid in India. Het is echter niet duidelijk of en hoe dit beleid vorm heeft gekregen of gaat krijgen. Dat geldt onder meer in de sectorale ondersteuning op het gebied van basisonderwijs in twee van de drie Indiase deelstaten waarop Nederland zijn hulp concentreert.

In de passage over projecten in Bangladesh, Senegal en Vietnam wordt gemeld: "De welwillende werkgevers van die kinderen krijgen hulp om het verlies aan 'kindkracht' te compenseren". Meer duidelijkheid over de aard van die hulp is beleidsmatig van belang. Hulp om kinderen uit werksituaties te halen en hen te rehabiliteren is zeer wenselijk. Daarbij mag overigens medewerking en hulp van werkgevers zelf verwacht worden.
  Er mag echter zeker geen situatie ontstaan waarin werkgevers beloond worden voor het feit dat ze zich aan nationale wetgeving en/of internationale (arbeids)normen houden.

De passage over maatschappelijk verantwoord ondernemen is zeer teleurstellend. Omdat het bij kinderarbeid gaat om een van de fundamentele arbeidsnormen waaraan ook het bedrijfsleven is gebonden, is het onvoldoende te verwijzen naar de vrijwillige OESO Richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Weliswaar wordt in die richtlijnen de fundamentele arbeidsnormen genoemd, maar daarover hoeft niet gerapporteerd te worden en het geeft de ILO geen recht uitspraken te doen over de handhaving van die normen door bedrijven.
  Parallel aan het rapportage-systeem van de ILO waarbij alle staten moeten berichten over hun inspanningen ten aanzien van fundamentele arbeidsrechten, zouden bedrijven verplicht moeten worden om minimaal te rapporten over de naleving van fundamentele arbeidsnormen in het buitenland. Het initiatief-wetsontwerp van PvdA en GroenLinks met betrekking tot rapportage over maatschappelijk aspecten van bedrijfsactiviteiten in het buitenland biedt daarvoor een belangrijke eerste aanzet.

In het actieprogramma wordt melding gemaakt van overleg met 'de Nederlandse kinderorganisaties' om 'de effectiviteit en synergie van steun via verschillende organisaties te vergroten'. Precies met dat doel is door NGO's in een overleg aanbevolen om te komen tot een jaarlijkse rapportage over de voortgang van het actieprogramma kinderarbeid en overleg over die rapportage of over belangrijke onderdelen daarvan. Deze aanbeveling is helaas niet in het actieprogramma terug te vinden.

Tenslotte is het opmerkelijk en onbegrijpelijk dat de Notitie inzake het Mensenrechtenbeleid van 14 mei jl. kinderarbeid niet - en vier andere onderwerpen wél - noemt als aandachtsgebied bij het beleid ten aanzien van kinderrechten (pagina 28 en 70/71).
  Juist nu de beloften van ILO Verdrag 182 in beleid en praktijk omgezet moeten worden laat de Nederlandse regering het blijkbaar afweten. Het roept ook de vraag op naar de politieke en beleidsmatige inzet met betrekking tot de 40 miljoen gulden die voor kinderarbeid is uitgetrokken.

Met vriendelijke groet,



Gerard Oonk
coördinator Landelijke India Werkgroep

cc. Vaste commissie voor Buitenlandse Zaken


Landelijke India Werkgroep
Mariaplaats 4
3511 LH Utrecht
tel. 030-2321340
fax. 030-2322246
e-mail: info@indianet.nl
website: www.indianet.nl




pagina KINDERARBEID

begin document

Landelijke India Werkgroep - 25 mei 2001