terug

Tweede Kamer der Staten-Generaal


Vergaderjaar 2000-2001



26 485 Kinderarbeid



Nr. 3




1 Samenstelling:
Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Van Lente (VVD), Van Dijke (ChristenUnie), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Van der Knaap (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Balkenende (CDA), Van Gent (GroenLinks), Smits (PvdA), Verburg (CDA), Bussemaker (PvdA), Spoelman (PvdA), Örgü (VVD), Van der Staaij (SGP), Santi (PvdA), Wilders (VVD), Snijder-Hazelhoff (VVD), Depla (PvdA), Bolhuis (PvdA)
Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (ChristenUnie), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Ten Hoopen (CDA), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Schoenmakers (PvdA), Dankers (CDA), Wagenaar (PvdA), Middel (PvdA), Weekers (VVD), Van Walsem (D66), Oudkerk (PvdA), De Vries (VVD), Van Splunter (VVD), Van der Hoek (PvdA), Hamer (PvdA)
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG
Vastgesteld 26 juni 2001

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid 1 heeft op 30 mei 2001 overleg gevoerd met minister Vermeend van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief van 19 maart 2001 inzake het actieprogramma kinderarbeid conform verplichting artikel 6 van ILO-verdrag 182 betreffende de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid (25 640, nr. 2).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Bussemaker (PvdA) constateert dat jongeren steeds vaker en langer werken. Zij vindt dit geen probleem, zo lang dit niet ten koste gaat van hun schoolopleiding en persoonlijke ontwikkeling. De minister heeft ooit gezegd dat het wel leuk moet blijven. Mevrouw Bussemaker vindt dat nog steeds de juiste insteek. Het verrichten van werk door dertien- en veertienjarigen blijft echter een probleem. Bij 35% van de controles blijken er overtredingen. Verleden jaar heeft de minister in een algemeen overleg over bijbanen toegezegd dat gerichter personeel zou worden ingezet om na te gaan waar de overtredingen plaatsvinden en wat daartegen gedaan kan worden. Wat is er tot nu toe gedaan en wat is het resultaat? Is de arbeidsinspectie in staat om striktere controles uit te voeren?
Om jongeren, met name degenen die jonger zijn dan vijftien jaar, voldoende weerbaar te maken op de arbeidsmarkt, is het van groot belang dat zij hun rechten en de regels kennen. Over het internetloket dat door het ministerie van SZW zou worden opgezet, heeft mevrouw Bussemaker echter nog niets kunnen vinden op de website van het ministerie. Hoe staat het daarmee? Is er ook op andere manieren sprake van gerichte voorlichting en wordt daarbij ook aandacht besteed aan specifieke groepen, zoals allochtone jongeren?
Welke aandacht wordt gegeven aan specifieke groepen kinderen die extra risico's lopen om in Nederland in aanraking te komen met ernstige vormen van kinderarbeid zoals prostitutie, maar ook drugs en wapenhandel? Gezien de internationalisering verdient dit punt meer aandacht. Mevrouw Bussemaker vraagt in dit verband ook aandacht voor de handel in jonge voetballers.
Gebleken is dat meisjes minder verdienen dan jongens, maar ook minder zakgeld krijgen. De aanpak van een ongelijke beloning kan niet vroeg genoeg beginnen. Mevrouw Bussemaker is het met de minister eens dat ouders de eerstverantwoordelijken zijn. Hoe worden die echter aangesproken? Is er sprake van samenwerking tussen Sociale Zaken, Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen? Mevrouw Bussemaker wijst erop dat volgens de internationale normen de leeftijdsgrens voor vrijwillige rekrutering door Defensie moet worden verhoogd. Een motie met die strekking is door de Kamer aangenomen, maar nog steeds niet uitgevoerd. De zeventienjarigen mogen niet aan missies en gevechtshandelingen deelnemen, maar volgen wel de opleiding. Dat is niet volgens de norm die internationaal is vastgesteld. Volgens een recent door de ILO uitgebracht rapport zijn dwangarbeid en mensenhanden wereldwijd in opmars. Vooral vrouwen en kinderen worden slachtoffer van dergelijke praktijken. Amsterdam wordt als één van de plaatsen van verhandeling genoemd. Het risico bestaat dat dit tot een intensivering van kinderhandel en kinderarbeid leidt. De PvdA-fractie is van mening dat de minister zich in nationaal en internationaal verband hard tegen dergelijke ontwikkelingen moet uitspreken. Getracht moet worden om tot een gecoördineerde aanpak te komen. Komt dit onderwerp in de marge van de ILO-agenda over twee weken ter sprake en zo ja, wat zal de Nederlandse inbreng daarbij zijn?
Volgens de ILO-statistieken is in Oost-Europa, ook in een aantal kandidaat-lidstaten, de kinderarbeid toegenomen en gaat 13% van de kinderen niet naar school. Mevrouw Bussemaker is van mening dat Nederland zich in EU-verband moet blijven inzetten om deze schrijnende situatie tegen te gaan. Zal Nederland zich in EU-verband inzetten om ILO-Verdrag 182 en het bijbehorende actieprogramma in de kandidaat-lidstaten te implementeren?
Mevrouw Bussemaker constateert dat veel van de 17+4-landen het ILO-verdrag nog niet hebben ondertekend. Daaronder is ook India, dat bekend is om zijn kinderarbeid. De PvdA-fractie ziet graag dat de regering zich inzet voor de ondertekening door deze landen. De minister voor Ontwikkelingssamenwerking wil het belang van de bestrijding van kinderarbeid sterk benadrukken en zou kinderarbeid naast vrouwen en milieu een dwarsdoorsnijdend thema in het sectorbeleid ten aanzien van India doen zijn. Hoe is dit in het beleid geïntegreerd? Welke resultaten zijn bereikt met het fonds van 40 mln gulden over de periode 1999-2002? Is er sprake van afzonderlijke programma's of wordt het geïntegreerd in sectorale programma's? Mevrouw Bussemaker vindt het jammer dat minister Herfkens niet aanwezig is om op een aantal vragen antwoord te geven. Eén van de hardnekkigste vormen van kinderarbeid is huishoudelijk werk. Het gaat daarbij vaak om meisjes van twaalf tot zeventien jaar die geen onderwijs kunnen volgen en die in een kwetsbare positie verkeren met het oog op seksueel misbruik. Mevrouw Bussemaker spreekt de wens uit dat Nederland het programma van de ILO, Unicef en de Wereldbank voor bestrijding van kinderarbeid in huishoudens daadwerkelijk ondersteunt. Nu is slechts sprake van het overwegen daarvan.
De PvdA-fractie vindt een interdepartementale coördinatie bij de integrale aanpak nodig. De regering moet de ILO elke twee jaar rapporteren over verdrag nr. 182. Kan de regering op hetzelfde moment in een interdepartementale rapportage de Kamer informeren over de voortgang van de uitvoering van het actieprogramma, zowel in nationaal als internationaal verband? Een dergelijke rapportage kan bijdragen aan meer samenhang en coördinatie tussen de ministeries en een goed overzicht geven van de verschillende activiteiten.
Kan de regering aangeven welke organisaties betrokken zijn bij de kindertop, die binnenkort wordt gehouden? Vervult de op te richten jeugdraad daarbij een rol?

De heer Blok (VVD) spreekt zijn steun uit voor het plan van aanpak. Dit plan maakt een logisch onderscheid tussen waakzaamheid in eigen land en daadwerkelijke bestrijding op de plaatsen waar kinderarbeid voorkomt. In Nederland concentreert het plan van aanpak zich op arbeid door de jeugd. De wet zal op dit punt gehandhaafd moeten worden.
Wat de aanpak in het buitenland betreft spreekt de ondersteuning van landen bij het ratificeren van dit verdrag de heer Blok aan. Daarnaast zijn er vooral projecten in landen waar kinderarbeid plaatsvindt, die zijn gericht op armoedebestrijding en daarmee de wortels van kinderarbeid. Het verdrag nr. 182 is een eerste stap. Dit verdrag betreft echter alleen de ergste vormen van kinderarbeid. De heer Blok heeft nergens iets kunnen lezen over volgende stappen en de grote kinderarbeid. Wat zijn de volgende stappen?

Mevrouw Verburg (CDA) constateert dat de Arbeidstijdenwet arbeid door kinderen beneden zestien jaar verbiedt, maar dat onder strikte voorwaarden kinderen van dertien, veertien en vijftien jaar wel werk mogen doen. Onder druk van de gespannen arbeidsmarkt lijkt echter werving onder jongeren beneden zestien jaar meer regel dan uitzondering te zijn. Er zijn zelfs in het onderwijs stemmen opgegaan om tentamenroosters aan te passen aan de drukke periodes van bijbanen rond Sint Nicolaas en Kerst. De bezorgdheid hierover bij de CDA-fractie neemt alleen maar toe, nu het door de minister toegezegde onderzoek niet in 2000 wordt afgerond. De resultaten van het onderzoek Arbeid door kinderen en jeugdigen buiten vakantietijd zullen pas eind 2001 gereed zijn. Het lijkt erop dat de minister blijft steken in goede voornemens en slechts lippendienst bewijst aan de noodzaak om vooral jeugdige werknemers te beschermen. Ook start binnenkort het vakantiewerkseizoen, maar geconstateerd moet worden dat de website er nog niet is. Wat is de reden van deze ernstige vertragingen?
Voor het vakantiewerkproject zijn de doelstellingen van deze minister bij de controle door de arbeidsinspectie op de naleving van de regelgeving goed, maar wat algemeen en vaag. Welk percentage van de jongeren die vakantiewerk gaan doen, denkt de arbeidsinspectie te bereiken met de voorlichtings- en publiciteitscampagne? In welke mate is er sprake van een toename ten opzichte van eerdere jaren? Welke reductie van het aantal overtredingen in procenten wordt beoogd ten opzichte van eerdere jaren? Op welke wijze wordt de voorlichtingsverplichting van de werkgever getoetst? Welke sanctie staat er op niet-naleving? Is met de jongerenorganisaties van FNV en CNV, die zeer actief zijn in voorlichting en belangenbehartiging van en voor vakantiewerkers, een afspraak gemaakt over hun bijdrage hieraan?
Mevrouw Verburg is ook benieuwd wat de minister zal doen om de handel in en exploitatie van jeugdige voetballers tegen te gaan.
De Kamer heeft onlangs een brief gekregen van de minister over een uitspraak van de FNV op basis van het Europees sociaal handvest, dat sprake is van leeftijdsdiscriminatie bij het uitbetalen van het vakvolwassenminimumloon. De minister schrijft dat op 13 mei een uitspraak wordt gedaan door een comité van adviseurs van overheden. Hoe luidt die uitspraak en wat is de reactie van de regering daarop?
De minister schrijft dat er bij de Raad van State een voorstel ligt voor partiële aanpassing van de zedelijkheidswetgeving. In hoeverre is sprake van samenwerking en afstemming in Europees verband met het oog op de enorme mobiliteit die aan de dag wordt gelegd bij de exploitatie van jeugdigen voor seksuele of pornografische doeleinden? Wat is de inzet van Nederland om de landen die in 1996 in Stockholm hebben toegezegd actie te ondernemen en die vooralsnog geen actieprogramma hebben opgesteld en uitvoeren, alsnog daartoe te bewegen? Behoren tot deze landen ook EU-Iidstaten of kandidaat-lidstaten? Zo ja, welke actie zal in hun richting worden ondernomen? Behoren hiertoe ook landen van de 17+4-groep, die een ontwikkelingssamenwerkingsrelatie met Nederland hebben? Welke resultaten zijn inmiddels te melden van het Nederlandse actieprogramma inzake het tegengaan van seksuele exploitatie van kinderen?
Mevrouw Verburg heeft waardering voor de Nederlandse inzet in ILO- en Unicef- verband bij het tegengaan en uitbannen van de ergste vormen van kinderarbeid. Verdrag nr. 182 is door 60 landen geratificeerd, waaronder vijf landen van de 17+4-groep. Welke gecoördineerde inzet is er met betrekking tot de andere 16 landen? In het kader van goed bestuur zou het tegengaan van kinderarbeid één van de prioriteiten moeten zijn. Wat is de reden dat in de mensenrechtennotitie die begin mei is uitgebracht, geen aandacht wordt besteed aan de rechten van kinderen? Dit is merkwaardig, gelet op de actieve inzet van Nederland bij de totstandkoming van twee protocollen bij het Verdrag van de rechten van het kind, namelijk dat inzake kinderhanden en prostitutie en porno en dat inzake kinderen bij gewapende conflicten.
Mevrouw Verburg vindt het van belang dat het bestrijden van kinderarbeid deel uitmaakt van de gedragscode van multinationale ondernemingen, die daarop mogen en moeten kunnen worden aangesproken door de NGO's en de vakbeweging. Inspanningen van organisaties als Amnesty International, Pax Christi, Novib en de lndiawerkgroep zijn in dat verband zeer toe te juichen. Transparantie over het gedrag van bedrijven helpt bij het scherper krijgen van de maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Het internationaal verbond van vrije vakverenigingen en het wereldverbond van kinderarbeid maken zich sterk tegen kinderarbeid en zetten zich in om de omstandigheden van werknemers zodanig te verbeteren dat kinderarbeid niet langer nodig is voor het gezinsinkomen. Gelet op de omvang en ernst van de problematiek is het echter de vraag of er voldoende mogelijkheden zijn om de vakbonden in zich ontwikkelende landen daarbij voldoende te steunen. Is het niet wenselijk om het vakbondmedefinancieringsprogramma met dit oogmerk uit te breiden?

Mevrouw Karimi (GroenLinks) constateert dat kinderarbeid een symptoom is van grote ongelijkheid in armoede, sociale ongelijkheid en welvaartsongelijkheid binnen en tussen landen. Het gaat dus over symptoombestrijding, maar het is belangrijk dat dit gebeurt. Tegelijkertijd moet er wel aandacht zijn voor de oorzaken. Daarbij gaat het over economische verhoudingen en sociale ongelijkheid binnen landen.
De belangrijkste verplichting in verdrag nr. 182 is het opstellen van een actieprogramma ter bestrijding van de ergste vormen van kinderarbeid, zoals omschreven in art. 2 van het verdrag. Op basis van dat artikel zou voor Nederland geen wetgeving nodig zijn, aldus de regering, behalve een wetsvoorstel partiële wijziging van de zedelijkheidswetgeving. Verder zou deel A over de situatie in Nederland gericht moeten zijn op preventie, voorlichting en toezicht.
Mevrouw Karimi verwijst naar een brief van Terre des Hommes, waarin staat dat kinderen die naar Nederland worden verhandeld voor illegale drugs- en wapenhandel niet hetzelfde recht op bescherming hebben als kinderen die naar Nederland worden verhandeld ten behoeve van prostitutie. Bij dergelijke praktijken gaat het namelijk niet om mensenhanden, maar om mensenroof en is er geen sprake van bijzondere opvang voor het slachtoffer, zoals bij mensenhanden wel het geval is. Zij constateert dat het Wetboek van Strafrecht gewijzigd moet worden om eenzelfde bescherming te bieden aan kinderen die slachtoffer worden van mensenroof. Het actieprogramma gaat niet in op de handel met kinderen die in de illegaliteit zijn terechtgekomen. Heeft de minister via de arbeidsinspectie inzicht in de illegale inzet van kinderen en de sector waar zij terechtkomen? Wat is bekend over jongens en meisjes die verhandeld zijn? Heeft de minister informatie over jonge Chinese kinderen die worden ingezet in restaurants of kinderen die bij de drugshandel worden ingezet? Mevrouw Karimi kan zich niet voorstellen dat dit in Nederland niet voorkomt. Welke inzet formuleert de regering op basis van het actieprogramma voor deze praktijken?
Mevrouw Karimi constateert dat de meer schrijnende gevallen zijn te vinden buiten de grenzen van Nederland. Op markten in Sudan komt slavenhandel voor en kinderprostitutie en de inzet van kinderen bij conflicten zijn bekende verschijnselen. In het actieprogramma wordt niet concreet aangegeven wat de acties van de regering zullen zijn. Het is belangrijk dat een land als India dit verdrag niet alleen ratificeert, maar ook naleeft. Wat is de inzet van de Nederlandse regering op dit punt? Wat is de inzet van de Nederlandse regering op de kindertop in september 2001? Welke organisatie zijn bij de voorbereiding ervan betrokken? De vorige kindertop was geen groot succes, omdat er weinig draagvlak voor die top bestond. Wat doet Nederland om het draagvlak te vergroten? Het is belangrijk dat landen als India hieraan meedoen.
Mevrouw Karimi vindt een goede aansluiting tussen kinderarbeid en ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van belang. Wat dat betreft mist zij de aanwezigheid van minister Herfkens. De bestrijding van kinderarbeid in de relatie met de 17+4-landen zal onderdeel moeten zijn van het programma Goed bestuur en mensenrechten en vredesopbouw.
De passage in het actieprogramma over maatschappelijk verantwoord ondernemen vindt mevrouw Karimi teleurstellend, evenals het standpunt van de regering over het SER-advies. De regering wil rapportage niet verplicht stellen aan de overheden. Hoe valt deze terughoudende opstelling te rijmen met de verplichtingen die voortvloeien uit het ILO-verdrag? De regering schrijft dat het overleg met de NGO's en de vakbeweging zal worden voortgezet en dat gezocht zal worden naar een forum waarbij de verantwoordelijkheid en ondersteuning zoveel mogelijk bij de NGO's en de vakbeweging komt te liggen. Wat bedoelt de regering hiermee? Welke vorm is nu gevonden?
Mevrouw Karimi constateert ten slotte dat de criteria om in aanmerking te komen voor een subsidie uit het fonds van 40 min gulden ter bestrijding van kinderarbeid niet duidelijk zijn, waardoor een organisatie als Terre des Hommes niet in aanmerking komt voor subsidie.

Mevrouw Schimmel (D66) spreekt haar complimenten uit voor de actieve opstelling van de Nederlandse regering in het voorproces van de totstandkoming van dit verdrag. Zij constateert dat Nederland zich echter minder actief heeft opgesteld op het punt van de kindsoldaten. De verdragstekst kent geen verbod voor kinderen die deelnemen aan gewapende conflicten en die vrijwillig gerekruteerd zijn. Waarom heeft Nederland geen krachtig standpunt ingenomen, maar vooral het VS-standpunt gevolgd?
Op dit moment mag Defensie jongeren van zeventien jaar een arbeidscontract aanbieden. De D66-fractie is voor het wettelijk vastleggen van een minimumrekruteringsleeftijd van achttien jaar. Ook vindt zij dat de "straight 18-rule" bij het optionele protocol bij het Verdrag van de rechten van het kind moet worden ondertekend.
Mevrouw Schimmel constateert dat inzicht in de handel in jonge voetballers ontbreekt. Heeft de minister enig inzicht hoe dit via de clubs verloopt? Gezien de commerciële belangen die met voetbal gemoeid zijn, is het van belang om hierin inzicht te krijgen. Is er niet een soort van internationale arbeidsinspectie om deze zaak te kunnen volgen?
Door CNV Jongeren is naar aanleiding van een overleg over bijbanen voorgesteld om voor de werkgever een introductieplicht in te voeren bij vakantiewerk door jongeren. De minister heeft toegezegd, na te gaan of op basis van de huidige Arbowet een dergelijke introductieplicht in vorm van een AMVB mogelijk is. Mevrouw Schimmel heeft hierover niets meer gehoord. Zij krijgt hierop graag een antwoord. Zij overweegt om anders alsnog een motie in te dienen.
De D66-fractie ziet graag dat Nederland zich inspant om ervoor te zorgen dat landen waar kinderarbeid voorkomt, het verdrag ratificeren. De Landelijke India Werkgroep heeft laten weten dat India niet van plan zou zijn het verdrag te ondertekenen. Welke mogelijkheden heeft de Nederlandse regering om dit te bewerkstelligen?
Mevrouw Schimmel vindt het opmerkelijk dat in de notitie mensenrechten van 14 mei bij het onderdeel kinderrechters kinderarbeid niet als aandachtspunt wordt genoemd. Graag een reactie van de minister.
Mevrouw Schimmel sluit zich aan bij de opmerkingen over het fonds van 40 mln gulden. Hoe verhoudt dit geld zich tot het sectorale programma voor de landen waarmee Nederland een structurele bilaterale relatie heeft? Zijn er afzonderlijke projecten en programma's of wordt het geld ook gebruikt om de bestrijding van kinderarbeid te integreren in de gekozen sectoren? Waarom komen specifieke organisaties, zoals Terre des Hommes, niet in aanmerking om daarmee projecten te subsidiëren?
Ook de D66-fractie is verbaasd over de definitie van mensenhanden, die blijkbaar alleen maar betrekking heeft op kinderen die voor prostitutie naar Nederland komen. De definitie heeft geen betrekking op kinderen die voor illegale arbeid of drugshandel naar Nederland komen. Dat is een leemte in het Wetboek van Strafrecht. Het gevolg is dat er geen opvang is voor de slachtoffers van mensenroof, maar wel voor de slachtoffers van mensenhanden. Kan de definitie aangepast worden?
Mevrouw Schimmel sluit zich ten slotte aan bij de vragen over de kindertop en de jaarlijkse rapportage over de voortgang van het actieprogramma.

Antwoord van de regering

De minister constateert dat er veel vragen zijn gesteld die raakvlakken hebben met zijn beleidsterrein, maar waarvoor zijn collega's de eerste politieke verantwoordelijkheid hebben. Deze vragen betreffen de beleidsterreinen van Justitie, Ontwikkelingssamenwerking en Defensie. De minister zegt toe dat hij die vragen zal doorgeven aan zijn collega's en dat hij zal zorgdragen voor een schriftelijk antwoord.
De minister is het eens met de constatering van mevrouw Bussemaker dat jongeren vaker werken. Uit de cijfers blijkt echter dat het aantal uren niet is toegenomen. Hij staat ook nog steeds achter zijn uitspraak dat het vooral leuk moet blijven. Uiteindelijk gaat de school voor.
Op 29 januari 2001 heeft de minister overleg gevoerd met de jongerenorganisaties van CNV en FNV, waarbij ook is gesproken over de website. Deze zal op 1 juli operationeel worden en bij de ontwikkeling ervan worden de jongeren betrokken. Het ministerie zal dit volgen. De meningen en ervaringen van jongeren met bijbanen worden geregistreerd. De Arbowet en de Wet minimumloon zullen ook aan de orde komen.
De minister heeft eerder al uitgesproken sympathiek te staan tegenover de wettelijke introductieplicht, mits dit niet leidt tot allerlei administratieve verplichtingen voor het bedrijfsleven. Het moet vooral een handreiking zijn aan het MKB, waar veel jeugdigen werken. Gedacht is aan een checklist van rechten en verplichtingen. Afgesproken is dat CNV Jongeren dit idee uitwerkt. Het resultaat zal worden voorgelegd aan het departement, dat daarmee vervolgens aan de slag gaat. Vooruitlopend daarop is afgesproken dat de arbeidsinspectie in het vakantieproject 2001 aandacht zal besteden aan de wettelijke verplichting van werkgevers tot voorlichting en onderricht.
Er wordt een onderzoek wordt gedaan naar de overtredingen van werkgevers tegenover jongeren. Daarbij zullen de ervaringen van jongeren worden meegenomen. De bedoeling is dat in de zomer de resultaten van het onderzoek beschikbaar komen. Aan de hand van die resultaten wordt gekeken welke acties nodig zijn, of het onderzoek moet worden herhaald en welke vraagstelling moet worden gekozen. Dit is ook besproken met de organisaties van CNV en FNV. De Kamer heeft daarover een verslag van de arbeidsinspectie gekregen, evenals een brief waarin inzicht in de activiteiten wordt gegeven. In het project vakantiewerk 2001 worden de sectoren landbouw, horeca, supermarkten, campings en recreatieparken specifiek geïnspecteerd. De inspecteurs is gevraagd om op basis van eigen ervaringen te kijken welke bedrijven daarvoor in aanmerking komen. Op basis daarvan zal een risicoselectie worden gemaakt. Daarnaast is de inspecteurs gevraagd om bij de selectie aandacht te geven aan vakantiewerkers uit de jongere leeftijdscategorieën, omdat in die categorie in het verleden de meeste overtredingen plaatsvonden.
De minister geeft aan dat handhaving en voorlichting gelijk oplopen. Naar aanleiding van de ideeën van CNV- en FNV-Jongeren wordt geprobeerd werkgevers actief te benaderen met de al genoemde handreiking. Via de website zullen jongeren straks veel beter weten wat hun rechten zijn. Vaak echter weten ook de werkgevers niet wat hun rechten en verplichtingen zijn. Daarvoor kan de website ook een oplossing zijn. De arbeidsinspectie zal in kader van het Vakantieproject 2001 bij bedrijven controleren, maar kan tegelijk ook de werkgever wijzen op verplichtingen. De werkgevers in de geselecteerde sectoren zijn ook extra gewezen op de regelgeving.
De minister vindt het geven van zakgeld een eerste verantwoordelijkheid van de ouders en ziet ook niet in hoe hij zich hiermee zou kunnen bemoeien.
Het is de minister bekend dat de motie over verhoging van de minimumrekruteringsleeftijd niet is uitgevoerd. Deze vraag ligt op het terrein van de minister van Defensie. Hij zal daarover contact opnemen en de Kamer informeren over de stand van zaken.
De minister heeft het ILO-rapport over dwangarbeid en mensenhanden nog niet gelezen. Hij zal de passage over Amsterdam opzoeken en nagaan hoe dit zit. Het lijkt hem de moeite waard om hieraan aandacht te besteden. Zijn departement organiseert een grote internationale conferentie over kinderarbeid in februari 2002, waarbij de Kamerleden van harte zijn uitgenodigd. Voor die conferentie worden een groot aantal ontwikkelingslanden en landen uit Oost-Europa uitgenodigd. Er worden externe deskundigen uitgenodigd en vooral ook internationale ondernemingen. Nederland vindt dit onderwerp ook zo belangrijk dat het een aantal speciale programma's van de ILO steunt om verdrag nr. 182 breed aanvaard te krijgen. Met het organiseren van de internationale conferentie wordt dit nog eens onderstreept. De minister weet niet in hoeverre andere landen op dit gebied actief zijn. De bedoeling van deze conferentie is om het hoog op de internationale politieke agenda te krijgen.
Wat de kindertop betreft wijst de minister erop dat de eerstverantwoordelijke hier de minister van Buitenlandse Zaken is. Hij is bereid met de collega van Buitenlandse Zaken overleg te plegen over de inhoud en de wijze van organisatie. De NGO'S, de Nederlandse jongeren, verschillende ministeries en een aantal andere organisaties zijn bij de kindertop betrokken. Als de minister meer informatie heeft, zal hij de Kamer daarover informeren.
Voor vragen over het onderwerp maatschappelijk ondernemen heeft de minister verwezen naar het AO op 7 juni met staatssecretaris Ybema. De minister kan moeilijk nu al uitspraken doen, als de Kamer daarover nog uitvoerig van gedachten moet wisselen met de daarvoor verantwoordelijke bewindsman.
De minister is bereid de Kamer een afschrift te sturen van de reguliere ILO-rapportage die om de twee jaar plaatsvindt. Daarin komt ook het actieprogramma aan de orde. Het is dan niet nodig om daarover apart te rapporteren. Naar aanleiding van dat afschrift kan dan met de minister van gedachten worden gewisseld.
Wat het seksueel misbruik en geweld tegen kinderen betreft wijst de minister erop dat na het zomerreces een algemeen overleg met een andere commissie zal plaatsvinden over dat onderwerp.
De minister deelt mee dat hij via de arbeidsinspectie geen inzicht heeft in de handel en wandel rond jeugdige voetballers. Aan een voetballer uit een derde land moet wel een tewerkstellingsvergunning worden afgegeven, waarbij aan alle wettelijke normen moet worden getoetst.
De minister constateert dat de besteding uit het fonds van 40 mln gulden is gericht op een aantal specifieke programma's. De ervaringen die daarmee worden opgedaan, worden gebruikt voor nader beleid voor met name projecten die gericht zijn op bestrijding van kinderarbeid in bepaalde sectoren. Er zijn specifieke programma's in deelstaten van India die daarop gericht zijn. De minister is van mening, gezien de ontwikkelingsrelatie van Nederland met India, dat het hier in eerste instantie gaat om beleid van de minister van Ontwikkelingssamenwerking.
De minister is de heer Blok dankbaar voor zijn steun aan het actieprogramma, dat de meest extreme vormen van kinderarbeid aanpakt. De oplossing op lange termijn moet echter breder zijn. Die moet gericht zijn op onderwijs, armoedebestrijding en verbetering van de sociale structuren. Ook dit ligt echter vooral op het terrein van de minister van Ontwikkelingssamenwerking.
De minister constateert dat mensenhanden en mensenroof vooral op het terrein van de collega van Justitie liggen. Hij zal de vragen hierover schriftelijk beantwoorden. De minister is hierbij betrokken via eventuele tewerkstellingsvergunningen en de bestrijding van illegale arbeid. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan de agrarische sector. Als overtredingen worden geconstateerd, wordt daarvan procesverbaal opgemaakt. De minister heeft in dit overleg niet de cijfers bij de hand in hoeverre hierbij kinderen betrokken zijn. Hij zal laten nagaan of die cijfers er zijn. Zo ja, dan zal hij die aan de Kamer toesturen. Hij zal dan ook laten nagaan of daarin een tendens is te ontdekken en wat er gebeurt met die kinderen. De minister is het eens met de benadering van de heer Blok dat de projecten die worden geëntameerd, daadwerkelijk acties ter plekke moeten zijn.
Over het minimumjeugdloon is een uitspraak gedaan door het regeringscomité, die overigens alleen de vijftienjarigen betrof. Die uitspraak hield grote steun in van het regeringscomité voor het Nederlandse beleid.
Wat de aanpassing van de zedelijkheidswetgeving betreft ligt de verantwoordelijkheid voor de internationale afstemming primair bij Justitie. Wat de NGO's betreft wijst de minister erop dat in deze commissie het overleg over het actieprogramma wordt gevoerd. Het overleg over de bestedingen is echter een verantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken. Dat onderwerp komt aan de orde bij de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken. Over de voorbereiding van de conferentie wordt in eik geval overleg met de NGO's gevoerd.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Bussemaker (PvdA) constateert dat de coördinatie tussen de ministeries misschien zou verbeteren met een interdepartementale reguliere rapportage.
Zij is blij dat de website er per 1 juli komt. Worden door VNO ook activiteiten geïnitieerd of ondersteund? Het zou mooi zijn als deze website ook gedragen wordt door de werkgevers.
Mevrouw Bussemaker zou het op prijs stellen als de Kamer wordt geïnformeerd, indien er met het ILO-rapport over dwangarbeid op de conferentie in juni iets gebeurt. Het rapport heeft namelijk te maken met illegale arbeid, kinderhanden etc.
Mevrouw Bussemaker wil niet alleen weten welke organisaties bij de kindertop betrokken zijn, zij krijgt ook graag op schrift wat de Nederlandse inzet daarbij zal zijn. Zij is wat teleurgesteld over de mogelijkheden om in Nederland tot een gecoördineerde aanpak te komen, maar zij neemt aan dat de regering dit wel doet op de kindertop.
De minister mag van mevrouw Bussemaker een afschrift naar de Kamer sturen van de tweejaarlijkse rapportage aan de ILO, maar daarin moeten dan wel de vragen die hier gesteld zijn, beantwoord worden. Mevrouw Bussemaker wacht het antwoord van de minister af, maar overweegt om dit eventueel in een motie vast te leggen.

Mevrouw Verburg (CDA) constateert dat deze minister verantwoordelijk is voor de uitvoering en vormgeving van het actieprogramma naar aanleiding van verdrag nr. 182. Natuurlijk zijn daarbij andere ministers betrokken. Zij doet echter een beroep op deze minister om voortaan in voorkomende gevallen zich zodanig te verdiepen in onderdelen van het actieplan die op andere beleidsterreinen liggen, dat hij de Kamer op een bevredigende manier inlichtingen kan verstrekken.
Mevrouw Verburg wil voorts informatie over het aantal jongeren onder dertien jaar met bijbanen en vakantiebanen. Zij krijgt signalen uit het land van zowel bedrijven als jongeren zelf dat in toenemende mate een druk wordt gelegd en dat deze jongeren in toenemende mate naar de arbeidsmarkt worden gezogen.
In de brief van de minister wordt gewezen op het stimuleren van een internationaal opererende arbeidsinspectie. Nederland is één van de initiatiefnemers daarbij. Als een dergelijke inspectie wordt opgezet, zou het voor de hand liggen om in Europees verband aandacht te besteden aan de handel in jeugdige voetballers. Is de minister daartoe bereid en ziet hij daartoe mogelijkheden?

Mevrouw Karimi (GroenLinks) constateert, gezien de vele vragen die nog beantwoord zuilen worden, dat de coördinerende taak van Sociale Zaken niet veel goeds belooft. Het is de verantwoordelijkheid en taak van deze minister om te bevorderen dat alle middelen en alle beleidsterreinen coherent worden benut ter bestrijding van kinderarbeid. De minister kan daarbij niet verwijzen naar het beleidsterrein van een andere minister. Hij dient de coherentie te bewaken. Mevrouw Karimi is teleurgesteld dat die taak niet optimaal wordt ingevuld.

De minister wijst erop dat in de werkwijze van de Kamer onderwerpen aan een commissie worden toegewezen op basis van de eerste ondertekening. Misschien is het beter voortaan te vermelden wie de eerste verantwoordelijkheid draagt, wat onder een andere commissie valt en dat overleg wordt gepleegd als er raakvlakken zijn met het terrein van deze minister. Wat de interdepartementale reguliere rapportage betreft constateert de minister dat toch ook de Kamer een coördinerende rol heeft.
De minister verwacht dat het bedrijfsleven veel belangstelling zal hebben voor de nieuwe website, omdat deze veel informatie zal bevatten over rechten en plichten. Naar aanleiding van het overleg over bijbanen heeft hij op 5 maart 2001 een brief geschreven aan het midden- en kleinbedrijf, waarin hij aandacht heeft gevraagd voor de website en een brochure voor werkgevers in spe. In de brief heeft de minister er ook op gewezen dat het gezien de aansprakelijkheid van de werkgevers van belang is dat zij nog eens worden gewezen op de wet- en regelgeving. Daarvoor is de website een ideaal instrument.
Wat de ILO-rapportage over dwangarbeid betreft wijst de minister erop dat de Kamer altijd een verslag krijgt als er een ILO-bijeenkomst is geweest.
Hij zegt toe dat de Kamer een afschrift krijgt van de tweejaarlijkse ILO-rapportage. Een motie is dus niet nodig. Daarbij zal de minister rekening houden met de vragen die hier gesteld zijn.
De inzet van de Nederlandse regering op de kindertop zal zijn het tegengaan van kinderarbeid, het inzetten van kindsoldaten en seksuele exploitatie. De nadruk zal daarbij liggen op een concrete aanpak van kinderarbeid.
De minister wijst erop dat er geen registratie plaatsvindt van jongeren onder dertien jaar die werken, omdat de regel is dat die niet werken. Hij heeft daarover dus geen cijfers en kan dus ook niet zeggen of er een toename is. Informatie daarover kan alleen maar beschikbaar komen bij de controles die de arbeidsinspectie bij de werkgevers doet. Op dit moment zijn er geen signalen dat er overtredingen plaatsvinden. De minister zal de arbeidsinspectie vragen om dit in het kader van het project mee te nemen. Als hij daarover gegevens krijgt, zal hij de Kamer rapporteren.
Het is de bedoeling dat de arbeidsinspectie betrokken wordt bij de grote internationale conferentie die door zijn ministerie wordt georganiseerd. Hierover zal dan van gedachten kunnen worden gewisseld met andere organisaties. Binnen de Europese Unie kan men misschien tot afspraken komen. Bij de handel in voetballers gaat het echter om derde landen. Die landen zullen waarschijnlijk niet geneigd zijn om daarover informatie te geven. De minister ziet niet direct hoe Nederland hierin het initiatief kan nemen. Hij kan wel proberen om een samenwerking tot stand te brengen via die internationale conferentie. De minister is bereid de kwestie van niet-Europese voetballers voor wie geen tewerkstellingsvergunning behoeft te worden aangevraagd, omdat zij op een of andere manier de beschikking hebben over een Europees paspoort, aan de orde te stellen bij zijn collega's van sociale zaken en werkgelegenheid in de andere Europese landen. Misschien kan daartegen iets gedaan worden. Hij zal dit ook opnemen met zijn collega van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Terpstra

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Nava

KST54486
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
's-Gravenhage 2001
Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 25 640, nr. 3



pagina KINDERARBEID & ONDERWIJS
   
begin document

Landelijke India Werkgroep - 3 augustus 2001