terug

BRIEF

Een soortgelijke brief als de onderstaande, aan minister De Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, werd ook verstuurd aan minister Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking en de commissies voor resp. Buitenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer.


ref.0506ktk.szw
Utrecht, 6 mei 1999


Aan: De heer K. de Vries
     Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
     Postbus 90801
     2509 LV Den Haag



Geachte minister De Vries,

De deelnemende organisaties aan de Actie Schoolbord - de Algemene Onderwijsbond, COS Nederland, de FNV, Novib, Kinderen in de Knel, de Landelijke India Werkgroep, de Stichting Mensen in Nood, Terre des Hommes en Unicef Nederland - stellen het zeer op prijs dat u op vrijdag 28 mei een 'schoolbord' in ontvangst wilt nemen met daarop onze verlangens met betrekking tot de nieuwe conventie tegen de ergste vormen van kinderarbeid en de follow-up daarvan.
Zoals u weet is de Actie Schoolbord het Nederlandse vervolg op de Global March Against Child Labour die vorig jaar op succesvolle wijze wereldwijd de aandacht heeft gevestigd op het probleem van kinderarbeid. Ook in vele andere noordelijke en zuidelijke landen krijgt de Global March een vervolg in tal van activiteiten die allemaal gericht zijn op het doel: 'Van exploitatie naar educatie'.

Via deze brief leggen de deelnemende organisaties aan de Actie Schoolbord, alsmede Fair Trade Organisatie, de Landelijke Vereniging van Wereldwinkels, Defence for Children International-Afdeling Nederland en ECPAT-NL (End Child Prostitution, Child Pornography and the Trafficking of Children for Sexual Purposes-Nederland), u een aantal aanbevelingen voor om te komen tot een zo krachtig en effectief mogelijke 'Convention concerning the prohibition and immediate elimination of the worst forms of child labour'.
Deze aanbevelingen zijn ook meer of minder uitgebreid aan de orde geweest in gesprekken met medewerkers van de afdeling Internationale Zaken van uw Ministerie.
Wij doen een dringend beroep op u om deze aanvelingen over te nemen in de binnenkort vast te stellen instructie voor de Nederlandse delegatie die de onderhandelingen in Genève gaat voeren over het nieuwe verdrag tegen kinderarbeid.
De betreffende aanbevelingen zijn ook middels een brief voorgelegd aan de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer.

Belemmering van onderwijs
De eerste aanbeveling betreft de rol van onderwijs bij het bestrijden van kinderarbeid.
Hoewel de conventie (bijvoorbeeld in artikel 7.2.) het eminente belang van toegang tot gratis basisonderwijs als middel ter uitbanning van kinderarbeid benadrukt, bevat de concept-tekst die nu voorligt toch een essentiële omissie waar het gaat om werk dat kinderen belet of belemmert om basisonderwijs te volgen.
In artikel 3d van het verdrag wordt onder 'ergste vormen van kinderarbeid' het soort werk verstaan dat, door de aard of de omstandigheden waarin het wordt uitgevoerd, de gezondheid, veiligheid of zedelijkheid ('morals') in gevaar zou kunnen brengen. Werk dat kinderen belemmert in het volgen van basisonderwijs - terwijl basisonderwijs een recht is dat door bijna alle landen is onderschreven middels het 'Verdrag inzake de rechten van het kind' - wordt echter niet genoemd.
De duizenden organisaties die wereldwijd actief zijn in de Global March zijn samen met de internationale vakbeweging en tal van regeringen van mening dat werk dat kinderen belet om basisonderwijs te volgen moet worden opgenomen in de definitie van 'The worst forms of child labour'. Daarom stellen wij voor om aan artikel 3 - dat de ergste vormen van kinderarbeid in algemene termen aanduidt - toe te voegen: 'work which systematically deprives the child access to basic education'.

Ter toelichting nog het volgende: een verbod op werk dat kinderen belemmert om naar school te gaan betekent niet - al zou dat op zich wenselijk zijn - dat regeringen wettelijk verplicht zijn om onmiddelijk voor basisonderwijs te zorgen en de leerplicht in te stellen. Ook het 'Verdrag inzake de rechten van het kind' spreekt over het 'geleidelijk verwezenlijken' van het recht op onderwijs. Het zou wél betekenen dat werk dat (bijvoorbeeld door de lengte van de werkdag, het tijdstip van de dag en/of de plek waar het werk wordt verricht) kinderen belet om lokaal beschikbaar en/of verplicht basisonderwijs te volgen, uitgebannen moet worden. Vaak gaat het om werk dat meisjes thuis of in andere huishoudens verrichten en het voor hen onmogelijk maakt om naar school te gaan.

Rol maatschappelijke organisaties
Ons tweede voorstel betreft de rol die maatschappelijke groeperingen wordt toegekend in het nieuwe verdrag tegen kinderarbeid. Ter toelichting daarop is het volgende van belang.
Het ontwerpen en uitvoeren van actieprogramma's die het concept-verdrag vereist wordt sterk bemoeilijkt door het feit dat kinderarbeid vooral in de informele sectoren van de economie wordt aangetroffen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om thuisarbeid van meisjes, vormen van gebonden arbeid en andere vormen van moeilijk zichtbare, laat staan geregistreerde, arbeid. Een deel van de kinderen heeft geen banden meer met hun familie en heeft de hulp van andere volwassenen nodig om hun belangen te behartigen. Niet-gouvernementele organisaties vervullen daarbij vaak een belangrijke bemiddelende rol, zowel in het ontdekken van kinderarbeid, het opbouwen van een vertrouwensband met de kinderen en hun ouders en opzetten en uitvoeren van onderwijs- en rehabilitatie-programma's.
Wij pleiten er dan ook sterk voor dat maatschappelijke organisaties, samen met werkgevers, werknemers en overheid, een rol krijgen bij zowel het op nationaal niveau vaststellen en periodiek aanpassen van de lijst van beroepen en bezigheden die onder verdrag vallen (artikel 4.1. en 4.3.) als bij het ontwerpen en uitvoeren van programma's om de ergste vormen van kinderarbeid uit te bannen (artikel 6.2). Een dergelijke betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij de uitvoering van het nieuwe verdrag doet op geen enkele wijze afbreuk aan het tripartite karakter van de ILO, aangezien het niet gaat om vertegenwoordiging in de ILO-structuur maar alleen om vertegenwoordiging bij het toepassen van de in de ILO overeengekomen nieuwe kinderarbeid conventie. Andere ILO Conventies, bijvoorbeeld de conventies betreffende 'Disabled Persons' en 'Indigenous and Tribal Peoples' kennen ook bepalingen over het consulteren van maatschappelijke organisaties.
Het verheugt ons dat de Nederlandse regering eveneens van mening is dat maatschappelijke organisaties op bovenbeschreven wijze een rol moeten kunnen spelen bij de uitvoering van het verdrag. Wij hopen dat de Nederlandse delegatie zich daarvoor tijdens de komende onderhandelingen krachtig zal blijven inzetten.

Kindsoldaten
Een derde voorstel betreft de kwestie van de kindsoldaten.
Het is voor de organisaties die wereldwijd aan het vervolg op de Global March Against Child Labour deelnemen onverteerbaar dat een van de ergste vormen van kinderarbeid niet in het verdrag wordt genoemd. Het verdrag verliest daardoor sterk aan geloofwaardigheid. De Global March-deelnemers steunen daarom de oproep van de 'Coalition to Stop the Use of Child Soldiers' om in artikel 3 een expliciete passage op te nemen over de deelname van kinderen aan gewapende conflicten.
Verder stellen we voor dat in de Aanbevelingen bij het verdrag een passage wordt opgenomen die - in overeenstemming met voorstellen die zijn gedaan voor een 'Optional Protocol' bij het Verdrag inzake de Rechten van het Kind - de recruteringsleeftijd voor krijgsmachten vaststelt op 18 jaar en ouder.

Extra-territoriale wetgeving
Een laatste voorstel met betrekking tot het verdrag betreft één van de aanbevelingen die volgens de deelnemers aan de Actie Schoolbord zo spoedig mogelijk door Nederland zou moeten worden opgevolgd.
Het betreft de aanbeveling (14d) die aansluit op artikel 7 van het verdrag dat landen vraagt om alle noodzakelijke maatregelen te nemen om het verdrag uit te voeren, inclusief strafrechtelijke of andere sancties.
De betreffende aanbeveling 14d behelst dat wordt voorzien in 'de berechting in eigen land van inwoners ('Members' Nationals') die een strafbaar feit plegen tegen de nationale bepalingen ten aanzien van het verbod op én de onmiddellijke uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid, ook als deze vergrijpen zijn gepleegd in een ander land'. De Nederlandse regering heeft aan de ILO voorgesteld om 'Members' Nationals' te interpreteren als 'individuals, companies and their sub-contractors and other legal entities'.
Wij stemmen daar van harte mee in.

Wij vragen u - in overeenstemming met deze aanbeveling - om na de ratificatie van het verdrag door Nederland en de nadere invulling van de 'nationale bepalingen' het initiatief te nemen tot een wet die overtredingen tegen deze bepalingen strafbaar stelt, ook als deze in het buitenland worden begaan. Een dergelijke wet zou een belangrijke aanvulling zijn op de strafvervolging die kan worden ingesteld tegen personen die buiten Nederland kinderen sexueel misbruiken.
Even verwerpelijke vergrijpen als bijvoorbeeld kinderhandel of het ronselen van kindsoldaten door Nederlanders in het buitenland of - een ander voorbeeld - het gebruik maken van (kinder)schuldslaven door Nederlandse bedrijven of hun toeleveranciers, zouden daardoor strafrechtelijk vervolgd kunnen worden.

Hulp voor basisonderwijs
Vanzelfsprekend is een verdrag alléén onvoldoende om de ergste vormen van kinderarbeid uit te bannen. Daarom pleit de Actie Schoolbord er ook voor om:

  • acht procent van de ontwikkelingshulp te bestemmen voor basisonderwijs en voor programma's om werkende kinderen op school te krijgen;
  • ontwikkelingslanden te helpen bij de uitvoering van het ILO-verdrag tegen de ergste vormen van kinderarbeid, vooral door goed onderwijs mogelijk te maken voor kinderen die nu nog werken.
In de toegevoegde Bijlage I van de brief worden deze punten nader toegelicht.

Vanzelfsprekend zijn wij indien gewenst graag bereid tot een nadere toelichting.


Met vriendelijke groet


G.J.B. Oonk en A.B.M. Kaag

namens de Algemene Onderwijsbond, COS Nederland, Defence for Children International-Nederland, ECPAT-NL (End Child Prostitution, Child Pornography and the Trafficking of Children for Sexual Purposes-Nederland), Fair Trade Organisatie, FNV, Novib, Kinderen in de Knel, de Landelijke India Werkgroep, de Landelijke Vereniging van Wereldwinkels, de Stichting Mensen in Nood, Terre des Hommes en Unicef Nederland




c.c.
De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, mevrouw E. Herfkens


Contactadres voor nadere informatie:
Gerard Oonk
Landelijke India Werkgroep
Mariaplaats 4
3511 LH Utrecht
tel. 030-2321340
fax. 030-2322246
e-mail: info@indianet.nl




pagina KINDERARBEID

begin document

Landelijke India Werkgroep - 1 oktober 1999