terug

BRIEF

van Global March Nederland (waaronder Landelijke India Werkgroep) (d.d. 2 december 1999) gericht aan leden van de Tweede Kamer, n.a.v. de behandeling van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking voor het jaar 2000.




ref.1202glm.tk1
Utrecht, 2 december 1999


Geacht kamerlid,

Op 7 mei 1999 ontving u van een groot aantal organisaties die samenwerken in de Global March tegen kinderarbeid en de 'Actie Schoolbord', waaronder de ondertekenaars van dit schrijven, een brief waarin wij onder meer uw steun vroegen voor een zo krachtig en effectief mogelijk ILO-verdrag tegen de ergste vormen van kinderarbeid.
Inmiddels is dit verdrag afgelopen juni unaniem door regeringen, werkgevers en werknemers in ILO-verband aangenomen. Het is nu zaak om te komen tot een zo snel mogelijke ratificatie door zoveel mogelijk landen en - het allerbelangrijkste - te werken aan een snelle uitvoering van het verdrag.
Wij brengen u in herinnering dat wij u in dezelfde brief vroegen er bij de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking op aan te dringen om:

  • acht procent van de ontwikkelingshulp te bestemmen voor basisonderwijs en voor programma's om werkende kinderen op school te krijgen;
  • ontwikkelingslanden te helpen bij de uitvoering van het ILO-verdrag tegen de ergste vormen van kinderarbeid, vooral door goed onderwijs mogelijk te maken voor kinderen die nu nog werken.
Wat betreft het laatstgenoemde punt heeft de minister in een gesprek met Novib, FNV en de Landelijke India Werkgroep (LIW) toegezegd om bij de uitvoering desgevraagd steun te verlenen aan landen die het nieuwe kinderarbeidverdrag ratificeren.

In verband met de komende behandeling in de Tweede Kamer van de Memorie van Toelichting Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking, vragen wij u om de bovenstaande punten opnieuw onder de aandacht van de minister te brengen en daarover met haar nadere concrete afspraken te maken.

Het is geen nieuw punt, maar uiterst belangrijk blijft het wel. Daarom verzoeken wij u opnieuw er bij de minister op aan te dringen om het aandeel van het ontwikkelingsbudget dat besteed wordt aan basisonderwijs te verhogen tot minimaal 8% en daarbij speciale aandacht te geven aan programma's om ook werkende kinderen op school te krijgen. Verhoging van het budget voor basisonderwijs is allerminst strijdig met de sectorale benadering en met 'ownership' van de betrokken overheden en maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden. Natuurlijk moet 'onderwijshulp' niet worden opgedrongen. Nederland kan echter wel vanuit de internationaal overeengekomen 20:20 afspraak in de dialoog met ontwikkelingslanden een politiek-beleidsmatig accent leggen op basisvoorzieningen voor de armen, waaronder basisonderwijs en basisgezondheidszorg. Vanuit dat uitgangspunt moet het, gezien de grote behoefte aan goed basisonderwijs in ontwikkelingslanden, mogelijk zijn om minimaal 8% van de bilaterale hulp te besteden aan basisonderwijs.

De toezegging van de minister dat zij desgevraagd steun zal geven aan landen die het nieuwe verdrag tegen kinderarbeid ratificeren en uitvoeren, leidt vanzelfsprekend tot de vraag hoe zij daaraan vorm wil geven. Is de Nederlandse regering bijvoorbeeld van plan om daarvoor steun te geven aan ILO-IPEC?
Wij vinden het positief dat de minister in haar brief van 10 november 1999 aan de Tweede Kamer laat weten dat kinderarbeid als 'dwarsdoorsnijdend thema', naast milieu en vrouwen & ontwikkeling, een plaats zal krijgen in het sectorbeleid in India. Het is echter niet duidelijk waarom dit thema beperkt blijft tot India. Ook in veel andere bilaterale partnerlanden is kinderarbeid een veelvoorkomend fenomeen en worden kinderrechten in bredere zin op grote schaal geschonden.
Wij vragen u er bij de minister op aan te dringen om kinderarbeid en kinderrechten, naast milieu en vrouwen & ontwikkeling, als dwarsdoorsnijdend thema een volwaardige plaats te geven in de bilaterale relaties met alle ontwikkelingslanden. De basis daarvoor is zeer stevig: bijna alle landen hebben het Verdrag voor de rechten van het kind geratificeerd en het Verdrag tegen de ergste vormen van kinderarbeid heeft brede ondersteuning.

Wij veronderstellen dat ook u, net als wij, graag van de minister wilt weten hoe haar beleid ten aanzien van kinderarbeid als dwarsdoorsnijdend thema er globaal uit gaat zien en welke actie zij gaat ondernemen om het beleid uit te voeren.
Een dergelijk beleid kan niet op een zinvolle en effectieve manier worden ontwikkeld en uitgevoerd zonder de betrokkenheid van 'civil society'. Juist in het kader van 'maatschappelijk ownership' vinden wij het onontbeerlijk dat in alle landen waarmee Nederland een bilaterale relatie heeft, samen met maatschappelijke organisaties, vakbonden en overheden, een beleid ten aanzien van kinderarbeid en kinderrechten tot stand komt.

Om te voorkomen dat kinderarbeid als dwarsdoorsnijdend thema een marginale of zelfs symbolische functie krijgt, moet de minister er voor zorgen dat er ook wat 'door te snijden' is. Dat brengt ons terug op het belang van onderwijs. Juist door het combineren van kwalitatief goed basisonderwijs met - in diverse landen effectief gebleken - gemeenschapsprogramma's om ook werkende kinderen in het dagonderwijs te laten instromen, kan veel aan de bestrijding van kinderarbeid worden bijgedragen.

Wij hopen op uw positieve reactie en wachten deze met veel belangstelling af.

Met vriendelijke groet,


G.J.B. Oonk,

namens Algemene Onderwijsbond, FNV, Kinderen in de Knel, Landelijke India Werkgroep, Novib, Terre des Hommes, Vereninging COS Nederland en Unicef Nederland, allen deelnemers aan de Global March tegen kinderarbeid in Nederland en de Actie Schoolbord.

Contactadres:
Landelijke India Werkgroep
Mariaplaats 4
3511 LH Utrecht
tel. 030-2321340; fax 030-2322246
e-mail: info@indianet.nl; www.indianet.nl




pagina KINDERARBEID

begin document

Landelijke India Werkgroep - 3 december 1999