terug

Tweede Kamer der Staten-Generaal


Vergaderjaar 2000-2001



25 640 Kinderarbeid




Nr. 2 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 19 maart 2001

In december 2000 is Verdrag 182 van de International Labour Organisation door het parlement goedgekeurd. De belangrijkste verplichting uit Verdrag 182, is het opstellen van een actieprogramma ter bestrijding van de ergste vormen van kinderarbeid.

Hierbij zend ik u, mede namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Justitie, dit Actieprogramma kinderarbeid toe.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W. A. F. G. Vermeend



Actieprogramma kinderarbeid conform artikel 6 van ILO-verdrag 182 betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid

Het voorstel tot goedkeuring van het op 17 juni 1999 te Genève tot stand gekomen ILO-Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid (Verdrag nr. 182) is in december 2000 door het parlement aangenomen. In ILO-Verdrag 182 is bepaald dat ieder land dat het verdrag bekrachtigt, een actieprogramma dient op te stellen voor maatregelen ter bestrijding van de ergste vormen van kinderarbeid.

De ergste vormen van kinderarbeid, zoals omschreven in artikel 2 van ILO-Verdrag 182, zijn:
1. alle vormen van slavernij of met slavernij gelijk te stellen praktijken, zoals de verkoop van en de handel in kinderen, schuldhorigheid en lijfeigenschap, gedwongen of verplichte arbeid, met inbegrip van gedwongen rekrutering van kinderen voor inzet in gewapende conflicten;
2. het gebruik, het aanwerven of aanbieden van een kind voor prostitutie, voor de productie van pornografie of voor pornografische voorstellingen;
3. het gebruik, het aanwerven of aanbieden van kinderen voor illegale werkzaamheden, in het bijzonder voor de productie van en de handel in drugs, zoals omschreven in de desbetreffende internationale verdragen;
4. werk dat door zijn aard of de omstandigheden waaronder het wordt verricht, waarschijnlijk schadelijk is voor de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van kinderen.

Artikel 6 van het verdrag verplicht tot het opstellen van een actieprogramma voor het uitbannen met voorrang van de ergste vormen van kinderarbeid. In de, bij het verdrag behorende, aanbeveling wordt nader beschreven dat het actieprogramma onder andere gericht dient te zijn op:
a) het vaststellen van en aan de kaak stellen van de ergste vormen van kinderarbeid;
b) het voorkomen van de tewerkstelling van kinderen in, of het onttrekken van kinderen aan de ergste vormen van kinderarbeid, het beschermen van deze kinderen tegen represailles en het voorzien in hun resocialisatie en maatschappelijke integratie door middel van maatregelen die aan hun behoefte aan onderwijs en hun fysieke en psychische behoeften tegemoetkomen;
c) het schenken van speciale aandacht aan: zeer jonge kinderen, meisjes, het probleem van voor de buitenwereld verborgen arbeidssituaties waarin met name meisjes gevaar lopen, andere groepen kinderen die bijzonder kwetsbaar zijn of bijzondere behoeften hebben;
d) het nader vaststellen van en in het kontakt treden en werken met gemeenschappen waarin in het bijzonder kinderen gevaar lopen;
e) het informeren, bewust maken en mobiliseren van de publieke opinie en betrokken groepen, met inbegrip van kinderen en hun families.

De Nederlandse regering gaat er van uit dat de Nederlandse wet- en regelgeving reeds voorziet in een afdoende verbod op de ergste vormen van kinderarbeid. In de enige uitzondering daarop wordt voorzien door het wetsvoorstel partiële wijziging zedelijkheidswetgeving, dat medio 2001 bij de Tweede Kamer zal worden ingediend.

Het Nederlandse actieprogramma zal dus - anders dan in het geval van vele andere landen - niet zozeer gericht zijn op het uitbannen van de ergste vormen van kinderarbeid door middel van regelgevende maatregelen, maar zal zich toespitsen op het voorkomen dat kinderen in een situatie van kinderarbeid terechtkomen en op de handhaving van de bestaande regelgeving die een verbod van de ergste vormen van kinderarbeid inhoudt. Dit betekent dat de projecten in het voorliggende actieprogramma, vooral gericht zijn op preventie, voorlichting en toezicht. Omdat de Nederlandse regering echter groot belang hecht aan de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid wereldwijd, is in het actieprogramma ook nog een overzicht opgenomen van internationale activiteiten van Nederland op dit terrein.

Het actieprogramma bestaat uit drie delen (A, B en C). Deel A geeft een overzicht van activiteiten van de Arbeidsinspectie met betrekking tot de naleving van regelgeving op het terrein van arbeid en jeugdigen. Deel B handelt over de bestrijding van seksueel geweld tegen kinderen en verwijst naar het Nationaal Actieplan Aanpak Seksueel Misbruik Kinderen (NAPS), dat op 19 april 2000 naar de Tweede Kamer is gezonden. Deel C tenslotte gaat in op de internationale activiteiten van Nederland. Hier wordt onder meer een overzicht gegeven van een aantal internationale projecten en programma's die door Nederland gesteund worden.

Conform artikel 6 van het verdrag worden de actieprogramma's opgesteld en uitgevoerd in overleg met de bevoegde overheidsinstellingen en de sociale partners, waarbij rekening wordt gehouden met de opvattingen van andere betrokken groepen (ngo's). De eerste consultaties hebben plaatsgevonden voordat begonnen werd met de opstelling van het actieprogramma en waren vooral bedoeld om de wensen die bij de genoemde organisaties bestaan te inventariseren. Aan de hand daarvan is het actieprogramma op hoofdpunten, dat bij de Tweede Kamer tegelijk met het voorstel van wet, de MvT en het nader rapport werd ingediend, opgesteld. Na de uitwerking van een concept van het onderhavige actieprogramma, zijn sociale partners en een aantal ngo's zowel schriftelijk als mondeling geconsulteerd.

Bij de bekrachtiging van een verdrag neemt een verdragsstaat automatisch de verplichting op zich om periodiek over de naleving van het verdrag te rapporteren. De regering moet iedere twee jaar rapporteren over ILO-Verdrag 182. In de rapportage dient de stand van zaken gegeven te worden van de wetgeving op het gebied van het verdrag, evenals de uitvoeringspraktijk en problemen die een lidstaat tegenkomt bij de implementatie van de normen. In deze rapportage zal informatie over de voortgang van het actieprogramma worden opgenomen.

Deel A

Het eerste deel van het actieprogramma is gewijd aan een beschrijving van de activiteiten die plaatsvinden binnen het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het terrein van kinder- en jeugdarbeid. Het gaat dan met name om inspectieactiviteiten, publieksvoorlichting, voorlichting op scholen, activiteiten gericht op de risico's en mogelijke gevaren van werkzaamheden door jeugdigen etc.

De Arbeidstijdenwet-monitor
Sinds de inwerkingtreding van de Arbeidstijdenwet (ATW) in 1996 wordt jaarlijks een monitor- en handhavingsonderzoek uitgevoerd door de Arbeidsinspectie om toezicht te houden op de naleving van de ATW. Dit onderzoek bestaat uit twee onderdelen: het eerste deel is een CAO onderzoek waarin wordt gekeken naar afspraken die gemaakt zijn over ATW-aspecten. Het tweede deel is een onderzoek bij bedrijven naar de naleving van de wet. Het bedrijvenonderzoek wordt gedaan middels een aselect getrokken steekproef van bedrijven uit alle economische sectoren. Arbeid door kinderen en jeugdigen maakt deel uit van de ATW. Bij het monitor- en handhavingsonderzoek wordt er uitdrukkelijk gekeken naar arbeid door kinderen en jeugdigen.

Ingevolge de ATW is arbeid door kinderen beneden de 16 jaar in beginsel verboden. Binnen het kader van de wet mogen -onder strikte voorwaarden -kinderen van 13 en 14 jaar niet-industriële hulparbeid van lichte aard verrichten en kinderen van 15 jaar niet-industriële arbeid van lichte aard. Daarnaast maakt de ATW een uitzondering op het verbod op kinderarbeid wanneer het gaat om arbeid in het kader van een alternatieve sanctie. Dit is toegestaan voor kinderen vanaf 12 jaar. Als algemene voorwaarde geldt hierbij dat te allen tijde de veiligheid van het kind niet in gevaar mag komen en de arbeid geen nadelige invloed mag uitoefenen op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van het kind.

Handhaving:

Bij constateringen van arbeid door kinderen van 12jaar en jonger wordt onmiddellijk proces-verbaal opgemaakt tegen de werkgever en de ouders/voogd van het betrokken kind. Behoudens bij ernstige overtredingen, loopt handhaving volgens twee fasen, eerst een waarschuwing en vervolgens proces-verbaal.

De gegevens over het meest recent verrichte ATW-monitor en handhavingsonderzoek, zijn eind september jl. aan de Tweede Kamer bekend gemaakt.

Het landelijk project «vakantiewerk»

De Arbeidsinspectie voert jaarlijks tussen juli en september het landelijk project vakantiewerk uit in alle 6 regio's gedurende de vakantieperiode. De actie is specifiek gericht op de werk- en rusttijden, verboden arbeid voor kinderen van 13 tot 15 jaar en van jeugdigen van 16 en 17 jaar. Voorts wordt specifiek gelet op het totale verbod op arbeid voor kinderen jonger dan 13 jaar. In iedere regio worden 300 inspecties uitgevoerd (totaal 1800 inspecties) in de sectoren landbouw, horeca en de detailhandel en/of andere sectoren waar naar verwachting veel kinderen en jeugdigen zullen worden aangetroffen.
Zo zullen in het vakantiewerkproject 2001 door de Arbeidsinspectie de volgende bedrijfstakken/branches worden geïnspecteerd:
a. landbouw (per regio 75 bedrijven);
b. horeca, waaronder campings en recreatieplassen (per regio 75 bedrijven);
c. supermarkten (per regio 50 bedrijven);
d. natwasserijen (per regio 10 bedrijven);
e. verzorging en verpleging (per regio 10 instellingen).

Daarnaast zal de Arbeidsinspectie inspecteren bij bedrijven die in 2000 een waarschuwing of een eis tot verbetering hebben gekregen of waartegen in dat jaar proces-verbaal is opgemaakt. Ook adressen die de inspecteur zelf kent uit haar/zijn ervaring/wetenschap (dus ook in andere sectoren dan hier genoemd) en adressen die door uitzendbureaus onder de aandacht van de inspecteur zijn gebracht, zullen worden onderzocht. De doelstellingen van dit vakantiewerkproject 2001 zijn:
- het via voorlichting/publiciteit preventief aandacht schenken aan de risico's die verbonden zijn aan het werken door vakantiewerkers en, meer specifiek, jeugdigen/kinderen in de vakantieperiode en daarbij aangeven welke wettelijke regels van toepassing zijn;
- trachten het aantal overtredingen te reduceren middels het toetsen van werksituaties aan de wettelijke bepalingen zoals vastgelegd in de Arbeidsomstandighedenwet en de Arbeidstijdenwet en in de hierop gebaseerde besluiten;
- het signaleren van onderwerpen en risico's waarop wettelijke bepalingen niet of nog niet van toepassing zijn. Deze kunnen relevant zijn voor de evaluatie van de Arbeidstijdenwet.

Bij de uitvoering van het vakantieproject in 2001 zal extra aandacht worden besteed aan de invulling van de verplichting van de werkgever tot het geven van voorlichting en onderricht in de te inspecteren sectoren en aan de regelgeving ten aanzien van 13-, 14- en 15-jarigen (speciaal met het oog op de landbouw, waarin in de vakantieperiode in hoge mate gebruik wordt gemaakt van deze leeftijdcategorieën).

Handhaving:

Het handhavingsbeleid van de Arbeidstijdenwet en de Arbeidsomstandighedenwet 1998 zal worden toegepast.

Landelijk project «Arbeid door kinderen en jeugdigen buiten de vakantietijd»
In 1998 heeft de Arbeidsinspectie een monitoronderzoek uitgevoerd naar de effecten van nieuwe regelgeving voor jeugdigen. Dit monitoronderzoek in de detailhandel en horeca had met name betrekking op de naleving van de vernieuwde Arbeidsomstandighedenwetgeving en de Arbeidstijdenwet. In mei 1999 is het rapport door staatssecretaris Hoogervorst aan de Eerste en Tweede Kamer gezonden. Aan het parlement is de toezegging gedaan dat de Arbeidsinspectie in 2000 buiten de vakantietijd een handhavingsproject op dit onderwerp zal uitvoeren in dezelfde sectoren waarin het onderzoek in 1998 is uitgevoerd (detailhandel en horeca).
Tevens staat er voor het jaar 2000 een inspectieproject Arbeidstijden gepland in de sector horeca. Omdat in beide projecten de horecasector geïnspecteerd zal worden is om redenen van efficiency besloten om het project ATW-horeca te koppelen aan het project kinderen en jeugdigen. Voorts is besloten om ook in de detailhandel de werktijden van volwassen werknemers te inspecteren.
In grote lijnen beslaat het handhavingsproject in de horeca en detailhandel de volgende inspectieonderwerpen:
- arbeidsomstandigheden kinderen (13- tot en met 15-jarigen) en jeugdigen (16- en 17-jarigen);
- werk- en rusttijden kinderen en jeugdigen.

De keuze voor deze sectoren komt enerzijds voort uit de wens om het project Jeugdige werknemers van 1998 een vervolg te geven (trendmeting) en anderzijds omdat in deze sectoren de doelgroep werkzaam is. De jaarlijkse projecten vakantiewerk hebben dit aangetoond.

Als bijzondere aandachtspunten gelden:
- artikel 4:4, tweede lid van de Arbeidstijdenwet. Dit artikel bepaalt dat de tijd waarop een jeugdige onderwijs volgt, de onderbrekingen inbegrepen, arbeidstijd is;
- wat in het Arbobesluit voor 16- en 17-jarigen is verboden of alleen onder bepaalde voorwaarden is toegestaan is verboden voor 13- tot en met 15-jarigen.

Handhaving:

Bij dit project zal de bestuurlijke boete worden gehanteerd waar het gaat om overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet. Een proces-verbaal wordt opgemaakt waar het gaat om overtredingen van de Arbeidstijdenwet.

De eindrapportage wordt medio 2001 verwacht. Naar gelang de bevindingen zal periodiek onderzoek worden overwogen.

Diverse voorlichtingsactiviteiten

In mei 2000 een uitgebreid voorlichtingspakket voor scholen verschenen met een leerlingenbrochure, bewaarspecial en informatie, onder de naam «Wat nou regels. Alles over bijbaantjes en vakantiewerk».

Voorts wordt met enige regelmaat een bijgewerkte SZW brochure uitgegeven in diverse talen onder de naam «kinder- en jeugdarbeid aan strikte regels gebonden».

In september 2000 is het arbo-informatiebiad «Jeugdigen» verschenen. Deze uitgave is voornamelijk gericht op werkgevers die jeugdigen onder de 18 in dienst hebben of in dienst willen nemen.

Daarnaast wordt er jaarlijks een folder vakantiewerk uitgegeven gericht op het informeren van kinderen en jeugdigen.

Binnen SZW wordt momenteel gewerkt aan de ontwikkeling van een internetloket voor jongeren. Op deze site zal met name aandacht besteed worden aan de wet- en regelgeving die voor jongeren van belang is.

Deel B

Dit deel is gewijd aan maatregelen ter bestrijding van commerciële seksuele exploitatie van kinderen en jeugdigen, inclusief het gebruik, de bemiddeling of de aanbieding van een kind (jonger dan 18 jaar) voor prostitutie, voor de productie van pornografie of voor pornografische voorstellingen, alsmede aan de bestrijding van seksueel geweld tegen kinderen.

Thans ligt voor advies bij de Raad van State een wetsvoorstel partiële wijziging zedelijkheidswetgeving. Dit wetsvoorstel bevat onder meer wijzigingen van artikel 240b Wetboek van Strafrecht (Sr.), waaronder het voorstel tot verhoging van de leeftijdsgrens tot 18, en het voorstel tot strafbaarstelling van uitbating van minderjarigen voor pornografische optredens. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting medio 2001 worden ingediend bij de Tweede Kamer.

Het kabinet heeft op 19 juli 1999 een integrale kabinetsnota «Seksueel Misbruik van en Seksueel Geweld tegen Kinderen» naar het parlement gestuurd, die alle lopende en voorgenomen maatregelen op het terrein van de aanpak van seksueel misbruik beschrijft. Meer deskundigheid, oplettendheid en daar waar mogelijk informatie-uitwisseling bij politie en justitie maar ook bij scholen, (jeugd)zorg en kinderbescherming moeten de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen verbeteren.

De nota is een vervolg op afspraken die in 1996 in Stockholm zijn gemaakt op het «Wereldcongres tegen commerciële seksuele exploitatie van kinderen». Op dit Wereldcongres hebben de 122 deelnemende landen zich gecommitteerd aan een actieplan. Uit een recent verschenen rapport van de ngo End Child Prostitution Child Pornography and the Trafficking of Children for Sexual Purposes (ECPAT) is gebleken dat tot nu toe slechts 29 landen daadwerkelijk een actieplan hebben opgesteld. In december 2001 krijgt het congres een vervolg in Yokohama (Japan).

In de kabinetsnota is een reeks van lopende en voorgenomen activiteiten beschreven. Deze moeten leiden tot een voortvarende aanpak van de problematiek van seksueel misbruik van kinderen. Het vervolgtraject van deze nota is gericht op een samenhangend geheel van activiteiten op dit terrein. Met het Nationaal Actieplan Aanpak Seksueel Misbruik Kinderen (NAPS), dat op 19 april 2000 aan de Tweede Kamer is aangeboden, voldoet Nederland niet alleen aan de verplichting die het is aangegaan op bovenvermeld congres in Zweden, maar worden ook de noodzakelijke verbindingen gelegd tussen de diverse beleidsterreinen (kamerstukken II, vergaderjaar 1999-2000, 26 690, nr. 4).

Het Nationaal Actieplan voorziet onder meer in de vorming van een projectteam, bestaande uit vertegenwoordigers van de betrokken departementen en non gouvernementele organisaties, dat de uitvoering van het NAPS actief begeleidt en dat ook zelf initiatieven neemt om de noodzakelijke verbindingen te leggen tussen de diverse beleidsterreinen. Het project NAPS heeft een looptijd tot eind 2002 en zal worden besloten met een evaluatie. Gedurende het project zal de Kamer periodiek worden geïnformeerd over de vorderingen die met het uitvoering van het NAPS worden gemaakt. De minister van Justitie heeft de Tweede Kamer op 29 december 2000 een eerste voortgangsrapportage toegezonden.

Deel C

In dit deel van het actieprogramma worden de internationale activiteiten beschreven van de Nederlandse regering op het gebied van de bestrijding van kinderarbeid in de wereld.

Het uitbannen van de ergste vormen van kinderarbeid is internationaal gezien een belangrijke prioriteit van de Nederlandse regering. Deze exploitatie van kinderen is een ernstige vorm van de schending van mensenrechten en betekent een grote verspilling van het menselijk potentieel. Andere, minder schadelijke vormen van kinderarbeid, dienen op termijn eveneens voorkomen te worden. Het streven naar onmiddellijke uitbanning van alle vormen van kinderarbeid is gezien de omvang van het probleem echter niet reëel. Voor het aanpakken van dit wereldwijde en complexe probleem zijn een scala van maatregelen nodig. De Nederlandse regering heeft ten behoeve van de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid de volgende doelstellingen geformuleerd:
- Ratificatie en implementatie van ILO-verdrag 182 door ontwikkelingslanden
- Beleidsontwikkeling en -ondersteuning op nationaal en internationaal niveau
- Ondersteuning van initiatieven van internationale niet gouvernementele organisaties (ngo's)

Voor de periode van 1999 tot en met 2002 is een bedrag van 40 miljoen ter beschikking gesteld uit de OS-begroting. De volgende activiteiten hebben betrekking op zowel de lopende als nieuwe projecten en programma's.

1. Het ratificeren en implementeren van internationale ILO-verdrag 182 door ontwikkelingslanden

De totstandkoming en het toezicht op de naleving van internationale verdragen schept een belangrijk kader voor de ontwikkeling van nationale regelgeving. De Nederlandse regering zal in haar contacten met andere landen praktijken van kinderarbeid, waar nodig, ter sprake brengen en overheden ondersteunen bij implementatie van relevante internationale regelgeving op dit terrein.

Op internationaal niveau participeert de Nederlandse regering op constructieve wijze tijdens bijeenkomsten van internationale organisaties die werkzaam zijn op het gebied van de bestrijding van kinderarbeid. Zo droeg Nederland actief bij aan de totstandkoming van ILO (Internationale Arbeidsorganisatie) Verdrag 182 betreffende de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid, dat unaniem is aangenomen. Teneinde de 17+4 landen waarmee een bilaterale structurele ontwikkelingsrelatie bestaat te helpen bij de bekrachtiging van dit Verdrag steunt Nederland in die landen het ILO/IPEC (International Programme on the Elimination of Child Labour) programma gericht op de totstandkoming van de ratificatie van het verdrag. Inmiddels hebben meer dan 60 landen, waaronder 5 van de 17+4 groep het verdrag reeds bekrachtigd.

Tevens zal Nederland in februari 2002 samen met de Internationale Associatie van Arbeidsinspecteurs (IALI) een conferentie organiseren over kinderarbeid. Tijdens deze conferentie zullen de volgende aspecten centraal staan: uitwisseling van ervaring bij de praktische implementatie van ILO-Verdrag 182, uitwisseling van expertise gericht op de bestrijding van kinderarbeid en de bevordering van de totstandkoming van onafhankelijke arbeidsinspecties, conform de lijn van ILO-Verdrag 81 betreffende Labour Inspection in Industry and Commerce.

Nederland heeft een Partnership Programme met de ILO. Een van de programma's die binnen dit kader gefinancierd worden is Promoting the Declaration on Fundamental Rights and Principles at Work. Centraal element in dit programma is het rapportage-systeem over de fundamentele arbeidsnormen (recht op vereniging en collectieve onderhandeling, verbod op dwangarbeid, verbod op kinderarbeid, verbod op discriminatie in arbeid en beroepsuitoefening). Vanaf 1999 wordt jaarlijks het Global Report besproken over een van de fundamentele arbeidsnormen (in 2002 staat het verbod op kinderarbeid centraal). De ILO steunt landen zowel bij de bekrachtiging van fundamentele verdragen, waaronder ILO-Verdrag 138 over minimumleeftijd en ILO-Verdrag 182, als bij de rapportage over de naleving van deze verdragen.

Voorts ontvangt «Global March Against Child Labour» financiële bijdrage voor hun wereldwijde steun aan vakbonden en ngo's gericht op bewustwording en lobby bij overheid en publiek aangaande verbetering van de rechten van kinderen in het algemeen en ILO Verdrag 182 in het bijzonder.

2. Het ontwikkelen en ondersteunen van beleid en regelgeving op nationaal en internationaal niveau

De Nederlandse overheid heeft ter voorbereiding op de onderhandelingen over Verdrag 182 een belangrijke impuls gegeven aan de internationale discussie over kinderarbeid door de «Amsterdam Child labour Conference» in 1997 te organiseren. Deze conferentie kreeg nationaal en internationaal veel bekendheid. Mede naar aanleiding van deze conferentie is het beleidsstuk «Kinderarbeid Wereldwijd» opgesteld. Naast de ILO hebben ook andere bilaterale donoren, Unicef en de Wereldbank nu beleid tegen kinderarbeid ontwikkeld. Samen met het Britse Departement voor International Development (DFID) wordt een keysheet (beknopt overzicht) over belangrijke aspecten van kinderarbeid opgesteld.

Nederland geeft financiële ondersteuning aan de ILO en UNICEF voor verdere beleidsontwikkeling met betrekking tot bestrijding van kinderarbeid en neemt met andere donoren deel aan de stuurgroep vergaderingen van ILO/IPEC en UNICEF Global Programme on Child Labour.

Zo draagt Nederland bij aan het opzetten van een ILO-datasysteem over kinderarbeid (het Statistical lnformation and Monitoring Programme on Child labour, afgekort als SIMPOC). Het SIMPOC-programma is gestart in 1998 en heeft een duur van 5 jaar. Reeds 53 landen hebben inmiddels ondersteuning gevraagd bij het verzamelen van betrouwbare en vergelijkbare gegevens over alle vormen van kinderarbeid. De gegevens worden gebruikt voor het ontwikkelen van indicatoren en dienen als achtergrondinformatie voor het formuleren van beleidsprogramma's en projecten.

Verder wordt een aantal regionale ILO activiteiten gesteund zoals het bestrijden van kinderarbeid door schuldslavernij in India en Bangladesh. Deze ernstige praktijk, waarin kinderen als onderpand van schuld worden gebruikt, komt nog veelvuldig voor. Naast het beënvloeden van het beleid wordt middels het opzetten van spaarsystemen en microfinanciering op huishoudniveau getracht de uitzichtloze positie van kind-schuldslaven te doorbreken en te voorkomen dat kinderen in de toekomst in zo'n situatie belanden.

Nederland steunt eveneens het interregionale ILO programma «Gender Promotion Programme and IPEC» in Tanzania en Bangladesh. Het doel van dit programma is het verbeteren van de werkgelegenheid van vrouwen zodat kinderarbeid minder noodzakelijk voor de opbouw van het huishoudinkomen is. Het project richt zich onder andere op beleidsontwikkeling en capaciteitsopbouw van verschillende organisaties en voorziet in inkomensgenererende activiteiten voor groepen werkende vrouwen.

Tijdens de «Donormeeting on Child labour» (Leidschendam, 1999) werd onder andere de problematiek van «Child Domestic Workers» onder de aandacht gebracht. Deze vaak sociaal en cultureel geaccepteerde vorm van kinderarbeid kan gerekend worden tot één van de ergste vormen van kinderarbeid. Het gaat hierbij voornamelijk om meisjes in de leeftijd van 12 tot 17 jaar. In enkele gevallen betreft het kinderen die al vanaf hun 5e jaar in het huishouden werkzaam zijn. Deze kinderen krijgen zelden of geen onderwijs en zijn vaak het slachtoffer van seksueel misbruik en mishandeling. Nederland geeft hoge prioriteit aan dit thema en overweegt de komende jaren het ILO/UNICEF/Wereldbank programma ten behoeve van het bestrijden van kinderarbeid in huishoudens te ondersteunen. In dit programma worden overheden in een zestal landen geholpen bij het opzetten en uitvoeren van een actieplan om kinderarbeid in huishoudens te bestrijden.

Nederlandse ambassades in Bangladesh, Senegal en Vietnam ondersteunen beleidsontwikkeling op nationaal niveau, al dan niet via ILO/IPEC. In Bangladesh financiert de Nederlandse Ambassade sinds 2000 het ILO/IPEC-programma ter bestrijding en voorkoming van kinderarbeid in de urbane informele sector. Twintig duizend werkende kinderen in de informele sector worden naar speciaal voor hen opgezette onderwijsfaciliteiten gestuurd. De welwillende werkgevers van die kinderen krijgen hulp om het verlies aan «kindkracht» te compenseren. De ouders van de kinderen krijgen ter compensatie van het verlies aan gezinsinkomen de mogelijkheid om via een kleine kredietfaciliteit begeleid zelf inkomensgenererende activiteiten te gaan ontplooien. Er is ruime aandacht voor bewustwording en als het project slaagt wordt het gebruikt als voorbeeld voor andere landen.

In Senegal steunt de ambassade vanaf begin 1998 een ILO/IPEC programma gericht op het uitwerken en uitvoeren van een strategie ter bestrijding van kinderarbeid. Deze strategie komt tot stand in samenwerking met het Ministerie van Arbeid en vertegenwoordigers uit de doelgroep.

In Vietnam heeft de Nederlandse ambassade een studie over de problematiek van kinderarbeid gefinancierd. Eveneens wordt nu overwogen om een bijdrage te leveren aan het formuleren van een nationale strategie voor de preventie en reductie van kinderarbeid.

Voorts onderkent Nederland het belang van onderwijs als preventief (goed onderwijs houdt kinderen langer op school) en curatief (kinderen uit de werksituatie moeten onmiddellijke toegang tot onderwijs krijgen) middel. Voor het behalen van deze doeleinden financiert Nederland de UNICEF-programma's «Education as a Preventive and Social Protective Strategy Against Child Labour» en «Global Programme for the Elimination of Child Labour».

Een van de ergste vormen van kinderarbeid en in toenemende mate een wereldwijd probleem is seksuele exploitatie. Nederland stelt in de verschillende gremia (WHO, UNFPA en UNICEF) de preventie en bestrijding van (commerciële) seksuele exploitatie aan de orde. Hierbij wordt samengewerkt met Europol, Interpol en ASEM (Aziatische-Europees overleg). Eveneens participeert Nederland, sinds 1999, in het coördinatie-overleg van donoren, VN-organisaties en NGO's, met betrekking tot de bestrijding van commerciële seksuele exploitatie van kinderen. Nederland heeft actief deelgenomen aan de onderhandelingen over de twee protocollen bij het Verdrag voor de Rechten van het Kind; inzake kinderhanden, -prostitutie en -pornografie en inzake kinderen in gewapend conflict. Deze protocollen zijn tijdens de Millennium Summit (september 2000) door Nederland ondertekend.

De inzet van kinderen in gewapende conflicten is een eveneens zeer schrijnende vorm van kinderarbeid. Nederland levert een substantiële bijdrage aan opvang van voormalige kindsoldaten in Noord-Uganda en biedt financiële ondersteuning bij de herintegratie van voormalige kindsoldaten in Liberia.

Zowel tijdens de aanloop naar als gedurende de Wereldkindertop (sept. 2001) zal Nederland ervoor pleiten dat de bestrijding van kinderarbeid, middels zo concreet mogelijke doelstellingen, in de conclusies verankerd wordt.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo)

Binnen veel nationale en internationale organisaties staat maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) prominent op de agenda. Het sociale aspect van mvo heeft doorgaans betrekking op de naleving van de fundamentele arbeidsnormen, zoals vastgesteld door de ILO, en het zorgdragen voor behoorlijke arbeidsomstandigheden. Een van de fundamentele arbeidsnormen is het verbod op kinderarbeid (vastgelegd in ILO-Conventies 138 en 182).
De regering bereidt momenteel haar standpunt voor naar aanleiding van het SER-advies maatschappelijk verantwoord ondernemen dat in december 2000 is verschenen. Het kabinetsstandpunt zal naar verwachting in maart 2001 aan het parlement worden voorgelegd. Een van de initiatieven van het kabinet in dit kader zal bestaan uit het opzetten van een onafhankelijk kennis- en informatiecentrum voor maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Medio 2000 zijn de herziene OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen vastgesteld. Dit zijn aanbevelingen voor de internationale activiteiten van multinationale ondernemingen uit OESO-landen. In deze richtlijnen wordt verwezen naar de fundamentele arbeidsnormen. De regeringen die deze richtlijnen onderschrijven, zullen hieraan bekendheid geven en de toepassing ervan stimuleren. Zij dienen nationale contactpunten (NCP) in het leven te roepen die onder andere tot taak hebben de bekendheid van de OESO-richtlijnen te vergroten en als discussieforum te dienen voor alle kwesties die de richtlijnen betreffen. De regering wil de sociale partners en NGO's actief betrekken bij de activiteiten van het NCP.

3. Het ondersteunen van initiatieven van niet gouvernementele organisaties

In veel landen zijn vakcentrales, niet-gouvernementele organisaties (NGO's) en andere maatschappelijke organisaties actief op het gebied van de bestrijding van kinderarbeid. Zij vormen als het ware de spreekbuis van de samenleving en fungeren als belangrijke onderhandelaar met de overheid en internationale organisaties. De Nederlandse overheid erkent deze belangrijke rol en steunt waar mogelijk deze organisaties in verschillende landen. Via Nederlandse kinderorganisaties wordt steun verleend aan NGO's in Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Ook FNV heeft projekten gesteund van vakorganisaties en NGO's gericht op de bestrijding van kinderarbeid in de informele sector. In het kader van het vakbondmedefinancieringsprogramma (VMP) is recentelijk het FNV beleid in Azië op het gebied van vakbondsrechten (w.o ILO Verdrag 182) in Azië geëvalueerd. Als vervolg hierop heeft in december 2000 een beleidsdiscussie tussen FNV en enkele betrokken ministeries plaatsgevonden. Het CNV is in het VMP-kader, gebaseerd op grond van een inventarisatie-studie, met collega-vakorganisaties in Afrika, Azië en Latijns-Amerika overeengekomen, dat deze bij hun nationale regeringen zullen aandringen om internationale verdragen en conventies rond kinderarbeid te ratificeren en controle-mechanismen te ontwikkelen. Voorts hebben collega-vakorganisaties van het CNV in verschillende Aziatische landen geparticipeerd in de recente «Global March Against Child Labour».

Om internationaal en in ontwikkelingslanden het onderwerp kinderarbeid op de politieke agenda te krijgen en te houden, zijn initiatieven vanuit verschillende regio's gesteund. Met de Nederlandse kinderorganisaties is overleg gevoerd om de effectiviteit en synergie van steun via de verschillende organisaties te vergroten.
Dit overleg met de NGO's en met de vakbeweging zal worden voortgezet. Gezocht zal worden naar een vorm, waarbij de verantwoordelijkheid van ondersteuning ook zoveel mogelijk bij de NGO's en de vakbeweging komt te liggen, zodat zij zelf kunnen beslissen over mogelijke bijdragen aan hun partnerorganisaties in ontwikkelingslanden.

Via het particuliere kanaal is ook financiële ondersteuning verleend aan NGO's in ontwikkelingslanden die actief zijn in de bestrijding van commerciële seksuele exploitatie van kinderen. Zo heeft de ambassade in Ecuador steun verleend aan verschillende projecten gericht op de preventie van commercieel misbruik van kinderen en werkende kinderen in het algemeen. Via Stichting Kinderpostzegels wordt een internationale NGO, ECPAT (End Child Prostitution in Asian Tourism) gefinancierd die actief is op het gebied van het afschaffen van kinderprostitutie, kinderpornografie en de handel in kinderen voor seksuele doeleinden.

Voor directe financiële ondersteuning van overheidswege voor het tegengaan van kinderarbeid in ontwikkelingslanden zal zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het bestaande multi- en bilateraal beleid. Zo kan in die landen waar basisonderwijs als sector voor samenwerking is gekozen, financiering beschikbaar worden gesteld voor onderwijsprogramma's die hierop aansluiten, teneinde op termijn de directe toegang tot onderwijsvoorzieningen voor kinderen te bevorderen.


KST52062
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
's-Gravenhage 2001
Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 25 640, nr. 2



pagina KINDERARBEID & ONDERWIJS
   
begin document

Landelijke India Werkgroep - 3 augustus 2001