terug
Dit artikel is in iets gewijzigde vorm verschenen in: Het Onderwijsblad, 16 mei 1998      
(uitgave van de Algemene Onderwijsbond (AOb))      

Armoede geen excuus voor kinderarbeid

door:
Gerard Oonk

'De belangrijkste achterliggende oorzaak van de toename van kinderarbeid is armoede. Het zijn veelal kinderen uit de armste lagen van de bevolking die moeten werken om te kunnen overleven.' Dat staat in de Beleidsnotitie Kinderarbeid die in september 1997 door de regering is uitgebracht.

Ook een flink deel van de publieke opinie - ik hoor het tenminste regelmatig - inclusief de pers en een deel van de ontwikkelingsorganisaties, lijkt die mening toegedaan. De boodschap is ongeveer: 'Kinderarbeid is wel erg, maar arme ouders kunnen het zich gewoon niet veroorloven hun kinderen naar school te sturen. We moeten vooral de extreme vormen van kinderarbeid bestrijden en kinderen naast hun werk een paar uur onderwijs bieden.'
Ik meen dat die opvatting onjuist is en het Nederlandse ontwikkelingsbeleid ten aanzien van kinderarbeid en basisonderwijs op het verkeerde been dreigt te zetten.

Neem India. Van de kinderen tussen de 6 en 14 jaar gaat ongeveer de helft niet naar school. Voor meisjes ligt dat percentage zelfs op circa 60%. Op het platteland gaan nog minder meisjes naar school. Allemaal het gevolg van armoede?
Uit een recent grootscheeps onderzoek op het platteland van Noord India komt een heel ander beeld naar voren. Het blijkt dat vooral de slechte kwaliteit van het openbaar onderwijs de ouders weerhoudt om hun kinderen naar school te sturen. Een derde van de niet-schoolgaande kinderen bleek niet eens te werken.
In het algemeen bestaat een school uit twee klaslokalen met een lekkend dak, een schoolbord en een tafel en stoel voor de onderwijzer. Gemiddeld zijn er 50 kinderen per onderwijzer, maar vaak meer. De onderwijzers zijn vaak afwezig en besteden, als ze er zijn, weinig tijd aan lesgeven. Orde handhaven heeft de hoogste prioriteit. De meest gebruikte lesmethode is kopiëren: van het schoolbord of uit boeken. Er zijn heel weinig leermiddelen en wat er is wordt nauwelijks gebruikt.
De onderwijzers menen - vaak terecht - dat de werkomstandigheden het lesgeven bijna onmogelijk maken. Driekwart van hen moet meerdere klassen tegelijk lesgeven. Sommigen concentreren zich op de hogere klassen - de kleine groep die de lagere klassen heeft 'overleeft' - en laten de jongere kinderen aan hun lot over. Geen wonder dat de meerderheid van kinderen die aan de basisschool begint binnen drie jaar de school verlaat.

Zijn arme ouders die zelf niet kunnen lezen en schrijven niet geïnteresseerd in onderwijs voor hun kinderen, zoals de Indiase krant 'Times of India? nog onlangs beweerde? Allerminst. Het blijkt dat 98% van de ouders onderwijs voor hun zonen belangrijk vindt. Ondanks de achterstelling van meisjes meent toch negen van de tien ouders dat ook meisjes basisonderwijs zouden moeten krijgen. De minderheid die onderwijs voor meisjes afwijst vindt dat meisjes voorbestemd zijn voor het huishouden en dat 'investeren' in meisjes niet loont omdat ze toch bij de schoonfamilie gaan wonen. Maar in het algemeen is de roep om beter onderwijs zeer luid. Ruim 80% is zelfs van mening dat basisonderwijs in India verplicht zou moeten zijn, hetgeen nu niet het geval is. Ook de armen zijn zich er zeer van bewust dat onderwijs hun kinderen meer toekomstmogelijkheden geeft en een kans uit de vicieuze cirkel van armoede en onwetendheid te ontsnappen. Vooral voor kastelozen is het een mogelijkheid om meer zelfrespect te verwerven en minder afhankelijk te worden van hogere kasten die meestal ook hun werkgevers zijn.

Het werk van de MV Foundation (zie ook Het Onderwijsblad van 9-11-1997) en andere ontwikkelingsorganisaties heeft in de praktijk laten zien dat armoede geen doorslaggevende belemmering hoeft te zijn voor deelname van hun kinderen aan het basisonderwijs en het uitbannen van kinderarbeid. In enkele jaren tijd zijn 60.000 kinderen aan veelal full-time werksituaties onttrokken en ingestroomd in het plaatselijke dagonderwijs. De meeste van hen zijn kinderen van 'kastelozen' of lagere kasten die meestal als landarbeid(st)ers en dagloner het slechts betaalde werk doen. Natuurlijk was het wegvallen van het inkomen van hun kinderen en de extra kosten die de school met zich mee bracht in bepaalde gevallen een probleem. De meeste ouders waren echter bereid en in staat om dat op te vangen toen duidelijk werd dat hun kinderen op een behoorlijk functionerende school terecht konden. Daarnaast bleek dat de ouders hun werkgevers - meestal grotere boeren - met succes om meer loon konden vragen omdat grote groepen 'goedkope' kinderen niet meer voor de werkgevers beschikbaar waren. Vooral vrouwen - vaak nog slechter betaald dan mannen - konden meer loon en betere arbeidstijden bedingen nu hun eigen kinderen geen 'concurrenten' meer op de arbeidsmarkt waren.

Maar is India als land niet te arm om zich basisonderwijs voor alle kinderen te kunnen veroorloven? De Indiase deelstaat Kerala, een van de armere gebieden van India, heeft het tegendeel bewezen. Meer dan 90% van de kinderen tussen de 6 en 14 jaar gaat naar school en kinderarbeid is sterk teruggedrongen. Dat komt omdat de overheid van Kerala veel meer in onderwijs en andere sociale sectoren heeft genvesteerd dan de meeste andere deelstaten van India. Ook in de deelstaat Himachal Pradesh, in de jaren vijftig nog een achterstandsgebied, gaan nu 97% van de kinderen tussen de 6 en 12 jaar naar school en kan 95% van de bevolking lezen en schrijven. De uitgaven voor onderwijs zijn per hoofd twee maal zo hoog als het Indiase gemiddelde.

Kerala en Himachal Pradesh laten zien waar het in India aan ontbreekt bij het bestrijden van kinderarbeid en gebrekkige deelname aan het basisonderwijs: politieke wil. De rijken en hogere kasten hebben de meeste invloed in de regering. Zij zijn in het algemeen niet erg geïnteresseerd in onderwijs voor de armen en kastelozen. Onderwijs maakt de armen maar opstandig en wellicht willen ze dan het vuile en zware werk niet meer (bijna voor niks) doen.
Er is dan ook een zwakke wet tegen kinderarbeid en zelfs deze wordt niet nageleefd, hoewel de grondwet van 1950 bepaalt dat in 1960 elk kind op school zou moeten zitten. Regeringen in New Delhi kondigen al jaren aan dat de uitgaven voor onderwijs moeten stijgen tot 6% van het Bruto Nationaal Product, waarvan de helft aan het basisonderwijs besteed zou moeten worden. In de praktijk werd in 1992 4% en in 1996 3,1% van het B.N.P. aan onderwijs besteed, waarvan ruim 60% aan het middelbaar en hoger onderwijs. Vooral de elite en de groeiende middenklasse profiteren van het onderwijsbudget. Zij kiezen voor, deels door de overheid gesubsidieerde, privé-scholen. Het openbaar onderwijs - de 'government schools' - is de vergaarbak voor de armen geworden. Er zijn te weinig onderwijzers en geld voor onderwijsmateriaal en onderwijsverbetering is er nauwelijks. De deelstaatregeringen van Kerala en Himachal Pradesh trekken zelf meer geld voor het basisonderwijs uit en slagen er mede daarom wel in de meeste kinderen basisonderwijs te bieden.

Het ontbreekt de Indiase regering niet aan prachtige plannen voor 'education for all'. In de praktijk bestond het 'onderwijs-aanbod' voor werkende kinderen de afgelopen 15 jaar uit 'niet-formeel onderwijs'. De gedachte daarachter was: kinderarbeid is een 'harde realiteit' dus we bieden de kinderen na het werk nog (maximaal) 2 uur onderwijs per dag aan.
Op papier zijn er meer dan 250.000 centra voor niet-formeel onderwijs. Uit onderzoek blijkt dat maar een paar procent van de centra daadwerkelijk functioneert. De lessen worden vaak gegeven door ongetrainde 'instructeurs'. Volgens deskundigen is niet-formeel onderwijs duidelijk een tweederangs optie en van een nog treuriger niveau dan de gemiddelde plattelandsschool. Niet-formeel onderwijs creëert volgens hen een duidelijk kastesysteem in het onderwijs. De 'goede naam' die niet-formeel onderwijs soms heeft, is vooral te danken aan enkele relatief goede projecten van particuliere hulporganisaties. Vergeten wordt echter dat deze nooit de plaats in kunnen nemen van een goed systeem van toegankelijk dagonderwijs. En dat is waar de miljoenen kinderen die nu niet naar school kunnen het meeste behoefte aan hebben.

De onjuiste veronderstelling dat armoede de belangrijkste oorzaak van kinderarbeid is leidt in de Beleidsnotitie Kinderarbeid tot de constatering: 'Voor kinderen die nog werken is een aanpassing van het curriculum en de lestijden gewenst, opdat deze kinderen werk en opleiding kunnen combineren'. Dit uitgangspunt dreigt - zeker in India - te leiden tot versterking van de tweedeling in het onderwijs en continuering van kinderarbeid. Alleen het toegankelijk maken van behoorlijk dagonderwijs voor elk kind kan die tweedeling tegengaan. Dat veronderstelt dat tegelijkertijd de kinderarbeid wordt aangepakt en ook deze kinderen naar het dagonderwijs kunnen. Alleen dan ontstaat er voldoende maatschappelijke druk om het openbare (dag)onderwijs tot nieuw leven te wekken, zowel op lokaal als op politiek niveau.

Nederland kan daaraan een zinvolle bijdrage leveren. In het kader van de Wereldmars Tegen Kinderarbeid pleiten 23 organisaties, waaronder de AOb en de Landelijke India Werkgroep, er voor om de ontwikkelingshulp voor het basisonderwijs in ontwikkelingslanden te verdubbelen en dit te combineren met programma's om werkende kinderen op school te krijgen.
De Nederlandse regering maakt die keus momenteel niet. Onder druk van de Tweede Kamer is de hulp voor basisonderwijs onlangs weliswaar verhoogd van 110 tot 130 miljoen gulden. Maar gezien de Beleidsnotitie Kinderarbeid lijkt het er niet op dat de Nederlandse regering ook voor werkende kinderen kiest voor goed dagonderwijs en de daarmee onlosmakelijk verbonden uitbanning van kinderarbeid. Wellicht is het zinvol als de nieuwe regering het vorig door Nederland ondertekende Actieprogramma van de internationale kinderarbeid-conferentie van Oslo er nog eens op na slaat. Daarin verplichten de ondertekenaars zich tot 'een tijdgebonden programma van universeel, gratis en verplicht onderwijs' en wordt afgesproken om 'werkende kinderen waar mogelijk te integreren in het formele onderwijssysteem'. In India en elders liggen voor Nederland voldoende mogelijkheden om het toenemende aantal regeringen (van landen en deelstaten) en organisaties te steunen die deze aanpak onderschrijven en zich daar ook zelf voor inzetten.

Gerard Oonk is beleidsmedewerker Landelijke India Werkgroep



LIW IN 'T NIEUWS

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Kinderarbeid & Onderwijs

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 1 oktober 1999