English version of this page   terug

Uit: India Nu 124 (mrt-apr 2)



Sportgoederenindustrie

India maakt nog geen 'schone' voetballen


Miljoenen voetballiefhebbers verheugen zich op het Europese Kampioenschap voetbal in juni. Bondscoach Frank Rijkaard kan rekenen op een legioen kritische 'collega's', want tijdens zo'n evenement heeft half Nederland verstand van voetbal. Waar de voetballen zelf vandaan komen is minder bekend. India is na Pakistan de belangrijkste producent van voetballen voor de wereldmarkt. Nederland importeerde in 1998 voor bijna twee miljoen gulden aan Indiase 'opblaasbare ballen', Groot-Brittannië voor veertigmiljoen. India exporteert jaarlijks voor zo'n honderdvijftigmiljoen gulden aan sportgoederen, grotendeels afkomstig uit Jalandhar (Punjab) en omgeving. Gerard Oonk bezocht de Indiase 'sportgoederenregio' en stuitte op kinderarbeid en lage lonen.

Wilt u op de hoogte worden gehouden over nieuwe ontwikkelingen over dit onderwerp?
Klik dan HIER !

Moeder en dochter zijn geconcentreerd bezig om de 32 losse panelen van een voetbal aan elkaar te stikken. Voor een twaalfurige werkdag levert ze dat samen ongeveer twee gulden op. Minder dan een derde van het officiële minimumloon. "Dat is het algemene beeld", zegt Mr. Jai Singh van de organisatie Volunteers for Social Justice (VSJ), tijdens een bezoek aan enkele stadswijken in Jalandhar en dorpen in de omgeving. Dat het zwaartepunt van de Indiase sportgoederenindustrie hier in de Punjab ligt, heeft zijn oorzaak in de opdeling, in 1947, van Brits-Indië in India en Pakistan. Veel hindoeambachtslieden verhuisden van de nabijgelegen Pakistaanse stad Sialkot, met een belangrijke sportgoederennijverheid, naar het Indiase Jalandhar.


Kinderarbeid

De voetbalnijverheid is duidelijk aanwezig in Jalandhar en directe omgeving. Verschillende kinderen, naar schatting tussen de tien en vijftien jaar oud, zijn ballen in elkaar aan het stikken. Maar op het moment zijn kinderen niet massaal aan het werk. In drukke tijden, als de orders binnenstromen, is dat anders. "Het is nu een slappe tijd, dus er werken relatief weinig kinderen", vertelt Jai Singh. Veel inwoners bevestigen dat. Een oude vrouw laat weten: "Als er genoeg werk is, dan werkt iedereen mee". Met uitgestrekte arm op 'kindhoogte' geeft ze aan dat dan ook kleine kinderen meewerken.
  Maar blijkbaar is er ook nu nog genoeg te verbergen. De 'bemiddelaar' die de opdrachten van de exporteurs in de dorpen uitzet, blijkt zich kort na ons gesprek op zijn scooter naar een volgend dorp te hebben gespoed om de mensen te waarschuwen voor de komst van de pottenkijkers. Overal gaan de deuren dicht.
  Volgens een onderzoek uit 1998 van het Indiase National Labour Institute (NLI) werken ongeveer tienduizend kinderen in de sportgoederenindustrie van Jalandhar en omgeving. De meeste werken parttime naast school, maar ongeveer 1350 kinderen doen het werk fulltime. Naast de lage lonen die ouders ertoe aanzetten om hun kinderen mee te laten werken, speelt ook de matige kwaliteit van het onderwijs een rol. Veel kinderen verlaten de school als ze tien jaar zijn. Een derde van de drop-outs liet in een enquête weten dat ze het onderwijs niet de moeite waard vinden.
  Jai Singh schat het aantal werkende kinderen op dertigduizend. De productie is namelijk uitgewaaierd naar een aantal andere districten. Het NLI heeft alleen Jalandhar en omgeving in kaart gebracht. Zo is in de stad Batala en omgeving volgens een voormalige bemiddelaar zeker tien procent van de bevolking van ruim honderdduizend betrokken bij de productie van sportgoederen. India's grootste exporteur van voetballen, Mayor & Company, laat hier veel ballen produceren. In de wijk Gandhi Camp werken bijna alle volwassenen en ook veel kinderen in de voetbalindustrie. Maar ook hier is het een slappe tijd; in veel huizen liggen alleen wat losse stukken van ballen en de 'klem' waarmee de ballen tijdens het stikken bij elkaar wordt gehouden.


Gezondheidsproblemen

Het stikken van voetballen gebeurt door jonge kinderen vanaf een jaar of zeven. Volgens het rapport Child labour in the sports goods industry van het NLI is dat een uitzondering. De meeste werkende kinderen zijn dertien of veertien, ruim een kwart is tien tot twaalf jaar. Ongeveer evenveel jongens als meisjes stikken voetballen.
  Toch is het stikken van ballen allerminst onschuldig werk. Het NLI constateert dat bijna de helft van de fulltime werkende kinderen gezondheidsproblemen heeft, waaronder gewrichtspijn, rugpijn, maagpijn en hoofdpijn. Hetzelfde geldt voor dertig procent van de kinderen die werk en school combineren. Volgens Jai Singh is het werk ongezond. De meeste mensen wonen en leven in één kamer, waarin ze ook de ballen stikken. De stukken kunststof waarvan de meeste ballen worden gemaakt, zijn behandeld met chemicaliën en opgedrukte inkt. Ook gebruikt men een speciaal soort ammonia dat glans aan de stof geeft. De stikkers wrijven de draad eerst in met lijm. Mensen ademen giftige stoffen en zeker kinderen zijn daarvoor extra kwetsbaar. Toch is het stikken van ballen volgens de Indiase Kinderarbeidwet geen gevaarlijk werk. En al was het officieel wel gevaarlijk werk: als kinderen thuis werken, dan is kinderarbeid volgens dezelfde wet zonder enige beperking toegestaan.
  Kinderen die werk met school combineren maken volgens het NLI lange dagen. Een kind van zes is gemiddeld negen uur met school én werk bezig en een kind van veertien elf uur. Een kwart van alle kinderen die niet naar school gaan werkt 's nachts, evenals veertien procent van de kinderen die ook naar school gaan.


Lage lonen

De organisatie van de voetbalproductie in India is vergelijkbaar met die in Pakistan. Het aantal vaste werknemers is zeer beperkt. Bedrijven vermijden vaste aanstellingen zoveel mogelijk. Vrijwel al het werk vindt in uitbesteding plaats, tegen stukloon. Bemiddelaars van de exporteurs distribueren 'voetbalpakketten' aan kleine werkplaatsen en huishoudens in omliggende dorpen en krottenwijken. Die stikken de ballen in elkaar waarna de bemiddelaars ze weer ophalen.
  Dat werk levert hen elk minder dan een gulden per dag op, vertellen drie thuiswerksters. Ook het rapport van het NLI laat onomwonden weten dat de lonen ver beneden het minimumloon liggen: "Het gemiddelde daginkomen van een volwassen man in de sportgoederenindustrie wordt geschat op tussen de 18 en 24 roepies, ver beneden het voorgeschreven minimumloon." Rond een gulden per dag dus. Het wettelijk minimumloon bedraagt in Punjab ongeveer drie gulden.
  Het officiële tarief varieert van ongeveer een kwartje tot vijf kwartjes per bal, afhankelijk van de kwaliteit en de omvang. Een doorsnee bal van PVC levert zestig cent op. Gemiddeld kan een volwassene vier ballen per dag maken. Het NLI meldt in haar rapport droogjes op dat "de tarieven voor thuiswerk niet altijd op een wetenschappelijke manier worden vastgesteld. Ze zijn niet gebaseerd op de tijd die nodig is om ze te maken."
  Het is voor de thuiswerkers kortom al onmogelijk om met het officiële tarief het minimumloon te verdienen, maar de werkelijke kloof tussen het minimumloon en het werkelijk verdiende loon is nog veel groter. Bemiddelaars hebben een truc om zelf een flink deel van het stukloon op te strijken. De meeste stikkers maken namelijk twee helften van de voetbal, maar krijgen niet de kans om deze aan elkaar te stikken. Ze krijgen de helft van het stukloon voor de twee tot drie uur werk die het stikken van een bal duurt. De andere helft van het stukloon is voor het aan elkaar stikken van de twee helften van de bal. Dat duurt ongeveer twintig minuten. De bemiddelaar doet dit zelf of hij besteedt het naar eigen goeddunken weer uit.
  Financiële voorschotten aan thuiswerkers zijn een ander veelgebruikt middel van de bemiddelaars om mensen aan zich te binden en het stukloon te manipuleren. De thuiswerkers zijn meestal niet op de hoogte van de stuklonen van de verschillende soorten ballen. Dat geldt vooral voor de werkers die ver van de stad wonen. Zij accepteren elke prijs die de bemiddelaar hun biedt. Veel van hen zijn landarbeid(st)ers, bijna allemaal dalits (kastelozen), die parttime ballen stikken. "Vaak moeten we twee tot zes maanden op ons geld wachten en soms betaalt de tussenpersoon helemaal niet", vertelt een thuiswerkster.


Aanbevelingen

Enkele jaren geleden heeft SACCS - de Zuid-Aziatische Coalitie tegen Kinderarbeid - de kinderarbeid in de Indiase sportgoederenindustrie aan de kaak gesteld. Jai Singh's organisatie is bij SACCS aangesloten. Na publiciteit in de Indiase pers, enkele bijeenkomsten met SACCS en een onthullend rapport van de Britse organisatie Christian Aid dat volop de Indiase en Britse media haalde, leken de exporteurs bereid om actie te ondernemen.
  De eerste stap was het laten doen van een degelijk onderzoek door het NLI, begeleid door een omvangrijke adviescommissie van werkgevers, vakbonden, non-gouvernementele organisaties (ngo's) en ambtenaren. Het NLI kwam met een aantal stevige aanbevelingen. Zo wil men hogere lonen voor volwassen arbeiders, de afschaffing van het bemiddelaarsysteem in zijn huidige vorm en verantwoordelijkheid van exporteurs voor de uitbetaling van lonen. Daarnaast adviseert het NLI de opzet van arbeidscoöperaties voor thuisarbeid en van kredietsystemen om tussenpersonen te weren. Ook zou het onderwijs "interessanter en betekenisvoller" moeten worden. Een onafhankelijk inspectiesysteem, waarbij werknemers, werkgevers, overheid en ngo's betrokken zijn, zou kinderarbeid effectief moeten weren.
  In navolging van Pakistan werd vervolgens besloten om samen met de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), Unicef en SACCS een stichting op te zetten met een inspectiesysteem en met onderwijs voor de betrokken kinderen. De aanbevelingen van het NLI voor hoger loon en betere arbeidsvoorwaarden werden voorlopig in de ijskast gezet. Desondanks bleek een flink deel van de exporteurs weinig enthousiast over deelname van SACCS aan de stichting. Op het laatste moment ging de overeenkomst met de ILO niet door omdat de Indiase regering, mede door het verzet van de exporteurs, haar medewerking weigerde. De regering wees ILO-supervisie over de inspecties af en ook SACCS bleek niet welkom in het bestuur.


Stichting

Inmiddels is er toch een stichting opgezet - de Sports Goods Foundation of India (SGFI) - met alleen exporteurs in het bestuur. Volgens de directeur van de nieuwe stichting, Ravinder Purewal, gaat de bekende, van oorsprong Zwitserse, controlefirma SGS de externe controle doen. Unicef en Save the Children zijn betrokken bij de rehabilitatie en scholing van de kinderen. Dit jaar moeten de eerste activiteiten van de stichting plaatsvinden. Het is de bedoeling om dan binnen twee jaar alle thuisproductie van voetballen onder te brengen in geregistreerde stikcentra, waar minstens drie mensen moeten werken. Inmiddels heeft het bedrijf Soccer International al drie grote stikcentra opgezet, meldt Purewal.
  Over de arbeidsomstandigheden in de voetbalindustrie verschilt Purewal sterk van mening met Jai Singh. Lonen van een gulden per dag zoals veel thuiswerk(st)ers die melden zijn hem onbekend, net als de bevindingen van het NLI-rapport over de lonen. Volgens de SGFI-directeur zijn de lonen juist prima. Ze zouden gemiddeld 25 gulden liggen boven het officiële minimummaandloon van negentig gulden.
  Het inspectiesysteem zal zich volgens Purewal beperken tot Jalandhar en directe omgeving, omdat buiten dit gebied geen voetballen gemaakt zouden worden. Van productie in andere gebieden, zoals rond Batala, voor exporteurs die kantoor houden in Jalandhar is hem niets bekend. Ook meent Purewal dat er alleen kinderen betrokken zijn bij het stikken van opblaasbare ballen, zodat de SGFI zich daartoe kan beperken. De productie van alle andere sportartikelen vindt volgens Purewal fabrieksmatig, zonder gebruikmaking van kinderarbeid. Volgens het NLI-rapport maakt echter acht procent van de werkende kinderen in Jalandhar en omgeving andere sportartikelen zoals scheenbeschermers, cricketballen, badmintonrackets en shuttles.

Gerard Oonk
(tekst en foto's)


Wilt u op de hoogte worden gehouden over nieuwe ontwikkelingen over dit onderwerp?
Klik dan HIER !



WK Voetbal 2002

homepage Landelijke India Werkgroep

begin document

English version of this page
Landelijke India Werkgroep - 7 maart 2000