terug
Uit: India Nu 72 (mei-jun 1991)


Een speurtocht in Bombay

Waar komen onze T-shirts vandaan?



In het najaar van 1990 vertrok XXX als studente economie voor een onderzoek bepakt en bezakt naar Bombay, één van de belangrijkste centra van de kledingindustrie. Vanuit de haven (Bombay Port) of het vliegveld (Sahar Airport) worden dagelijks enorme hoeveelheden kleding naar het buitenland vervoerd. In de verschillende voorsteden van Bombay ploeteren mannen en vrouwen achter naaimachines. De lappen stof liggen verspreid over de grond en kledingstukken staan verpakt in grote balen op verzending te wachten. Een verslag van een speurtocht.

naai-atelier in Delhi (foto: J o h a n n e s   O d é)

Het doel van mijn verblijf in Bombay was een studie te maken van de uitbestedingsketen van het Nederlandse C & A. Dit concern is door het 'Schone Kleding Overleg' (een samenwerkingsverband van Konsumenten- en Derde Wereld-organisaties) gekozen voor nadere studie vanwege haar bekendheid en vanwege het feit dat C & A nooit een jaarverslag openbaar maakt. Een duidelijk inzicht in de activiteiten van het concern is er dan ook niet. De eerlijkheid gebiedt me om te zeggen dat dit ook voor alle andere kledingwarenhuizen geldt.
Het uiteindelijke 'overall'-doel van deze case-studie was een relatie te leggen met de Indiase en Nederlandse vakbonden in de kledingsector.
Hoe zouden zij (moeten) omgaan met het verschijnsel uitbesteding en alle aspecten die daaraan vastkleven? Hierbij wil ik opmerken dat in India het verschijnsel uitbesteding een minder negatieve bijklank heeft dan in Nederland. De Indiase regering stimuleert kleinschalige industrie en onderaanneming vanwege de werkgelegenheid die de arbeidsintensieve bedrijfjes bieden.

In Nederland had ik al een aantal bibliotheken en instanties bezocht op zoek naar informatie over de (Indiase) kledingindustrie. Zodoende wist ik waar ik moest beginnen: bij de Apparel Export Promotion Council, oftewel de organisatie die Indiase kledingexport bevordert. Van hen kocht ik de jaarlijkse uitgave met namen en adressen van kledingexporteurs in India. Vervolgens heb ik twaalf adressen geselecteerd, op grond van hun exportquota naar Nederland. C & A heeft het grootste marktaandeel (ca 20% van de markt van de kledingwarenhuizen) en ik vermoedde dan ook dat zij de grootste hoeveelheden uit India importeren. En jawel: van de twaalf geselecteerde exporteurs bleken er vijf relaties te hebben met onder andere C & A.
De managers van deze ondernemingen werkten op één na allen mee aan een interview; zonder uitzondering waren ze trots dat C & A hun afnemer was. Het bleek erg moeilijk te zijn om adressen los te peuteren van hun subcontractors (= onderaannemers). Via één van de managers kwam ik toch aan het adres van een onderaannemer, en zo verder naar een onder-onderaannemer. Natuurlijk wilde ik daarna nog eens rondkijken bij families die thuis kleding maakten. Hoewel de managers over het algemeen wel vertelden een deel van de productie door thuiswerkers te laten doen, waren zij niet bereid om namen te geven. Daarom ben ik uiteindelijk naar de Textile Workers Association in Thane gegaan. Deze vakbondsmensen hebben mij rondgeleid in de slums (= krottenwijken) van Thane, zodat ik toch met een aantal thuiswerkers kon praten.


Vakbonden

Al snel nadat ik in Bombay was aangekomen kwam ik tot de ontdekking dat er - althans in deze stad - geen vakbond is voor kledingarbeiders. De belangrijkste redenen hiervoor zijn de grote spreiding van de kledingateliers over de stad en het kleine aantal werknemers dat in elk atelier werkt. Dit bemoeilijkt de organisatie van de arbeiders sterk, zowel in de industrietak als geheel als per atelier.
Bovendien zijn de meeste werkgevers niet zo dol op vakbondsleden, omdat ze hen vaak beschouwen als oproerkraaiers en onruststokers. Niet geheel ten onrechte: een machtige vakbond kan zó een bedrijf of zelfs een hele industrietak platleggen (denk maar aan de textielstaking in Bombay, 1981). Voor elke werknemer staan al tien anderen te trappelen om hun baan over te nemen, dus een kledingarbeider laat het wel uit z'n hoofd om lid te worden van een vakbond.


Arbeidsomstandigheden

Hoewel ik er vaak expliciet naar vroeg, kon ik toch maar weinig betrouwbare informatie verzamelen over de lonen in de door mij bezochte bedrijfjes. De mensen achter de naaimachines ontvangen meestal stukloon, terwijl de andere arbeiders in bijvoorbeeld de strijkkamers of de inpakafdeling een wekelijks bedrag krijgen. Het minimumloon voor de kledingsector is op dit moment 780 roepies per maand. Dit minimumbedrag is slechts gebaseerd op voeding; andere elementaire voorzieningen als kleding, behuizing en medische zorg vallen er dus buiten. De lonen van de ongeschoolde arbeid(st)ers in de bedrijfjes lager in de uitbestedingsketen liggen rond de 600 tot 700 roepies per maand; die van geschoolde arbeid(st)ers liggen iets hoger.
Wat verder opvalt is de hoge mate van arbeidsonzekerheid. Ook hier geldt: naarmate je lager in de uitbestedingsketen zit, des te onzekerder is je positie als werknemer. In de meeste bedrijfjes die ik bezocht werkt ongeveer de helft van de arbeiders op contractbasis; dit zijn dan weer de geschoolde werknemers. De anderen werken op oproep- of dagbasis en zijn er dus nooit zeker van of ze de volgende week nog werk hebben. Alles hangt af van de orders die binnenkomen. In drukke tijden overheerst deze laatste vorm van arbeid.


Hoe verder?

Na mijn bezoek aan Bombay blijf ik met vele vragen zitten. Heeft het bijvoorbeeld zin om te trachten de contrôle op de minimumlonen in de kledingsector te verscherpen? Zou dat geen consequenties hebben voor India's internationale concurrentiepositie? Zou de impuls voor betere omstandigheden misschien moeten komen van een groep kritische consumenten die bereid is meer voor hun kleding te betalen? En welk recht hebben wij als Nederlanders om te oordelen over de Indiase werksituatie? Op deze en andere vragen heb ik (nog) geen antwoord. Maar hopelijk zet dit artikel enkele consumenten toch aan het denken.

XXX




begin document

tijdschrift India Nu

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 21 juli 2008