terug
Uit: India Nieuwsbrief 41 (mrt-apr 1986)



De Bombayse textielindustrie in de jaren twintig

Van koppelbaas naar vakbond



In de twintiger jaren van deze eeuw komen de meeste textielarbeiders in Bombay uit de distrikten rond de stad. Het zijn voornamelijk landlozen en kleine boeren die naar de stad trekken.
Door de toenemende bevolkingsdruk en tegenvallende oogsten kunnen ze niet langer in hun levensonderhoud voorzien. De armoede is er soms zo erg dat een familie van de opbrengst van een stukje grond niet langer dan een paar maanden kan leven. De jonge mannen trekken het eerst naar de stad. Ze trekken in bij verwanten en dorpsgenoten die eerder de stap hebben gewaagd. Deze verlenen hen onderdak en voorzien in hun levensonderhoud totdat ze zelf in de kosten bij kunnen dragen als ze werk gevonden hebben. In de dorpen blijven invaliden, ouden van dagen en zwangere vrouwen achter die niet in staat zijn in de fabrieken te werken. Ze overleven door hetgeen hun verwanten in de stad hen toesturen. Wanneer degenen die in de stad zijn gaan werken te oud zijn geworden, keren ze naar het dorp terug en wordt hun plaats door de jongere generatie overgenomen. Ondanks deze dorpsband proletariseren ze snel. Reeds in 1890 heeft meer dan de helft van de arbeiders geen binding meer met het platteland en een aanzienlijk deel is al afkomstig uit Bombay zelf. Slechts een derde heeft nog een sterke binding met het dorp, omdat ze er een stuk land bezitten. Dit stuk land laten ze door anderen bijhouden en in drukke tijden gaan ze er naar toe om mee te helpen.



Oude chawls in Bombay, zestig jaar later
Voor de migranten is zeker in het begin de overgang naar de stad traumatisch. Sociale verplichtingen die in het dorp tijdens moeilijke tijden nog voor enig inkomen zorgen, gelden niet in de stad met haar overvolle arbeidsmarkt. De schok wordt enigszins opgevangen door de verwanten en dorpsgenoten die in de stad wonen en hem kennen. Zij helpen de nieuwkomer aan werk en introduceren hem in hun gemeenschap. Deze min of meer op zichzelf staande gemeenschappen wonen vaak in enige aan elkaar grenzende woonruimten, chawls geheten. Dat zijn uit meerdere verdiepingen bestaande woonblokken, onderverdeeld in eenkamer-woningen, waarin ooit wel zes families zijn gehuisvest. Door het woningtekort zijn de huren er namelijk hoog en verhuurt men onder om de huur te kunnen betalen. De leefomstandigheden zijn er erbarmelijk slecht. De chawls hebben vaak geen ramen en hebben bijgevolg een gebrekkige luchtvoorziening. Ze waren zo dicht op elkaar gebouwd dat zonlicht er niet binnen komt.
In de fabrieken is het niet veel beter. Ook daar bevindt men zich in benauwde, volle ruimten. De benauwdheid wordt nog verergerd door de kunstmatig hoge luchtvochtigheid, die dient om draadbreuk te voorkomen. Ook binnen de fabriek is de eigen gemeenschap de voornaamste groepering. Iedere gemeenschap heeft zijn vaste plek in de fabriek. Ze bedienen vaak aangrenzende machines. De gemeenschappen hebben ieder hun eigen etenstijd en etensplek om onderlinge verontreiniging van het voedsel te voorkomen. Men kan stellen dat, hoewel het gemeenschappelijk levenslot hen een zekere loyaliteit ten opzichte van elkaar bijbrengt, de voornaamste loyaliteit toch de eigen gemeenschap geldt.


    De jobbers

Een andere belangrijke reden voor de handhaving van de traditionele gemeenschappen zijn de jobbers. Zij verzorgen de arbeidsrekrutering voor de fabrieken. Omdat de fabrieken niet veel kosten mogen maken, hebben ze geen personeel dat met de werving belast is. De jobbers zijn traditionele leiders die de beschikking hebben over uitgebreide persoonlijke netwerken binnen hun gemeenschappen waaruit ze arbeiders kunnen rekruteren. Ze hadden vaak een teashop, een drankwinkel of een sportzaal, wat trefcentra in de arbeiderswijken zijn. Hierdoor zijn ze in staat een uitgebreide kennissenkring op te bouwen. Het zijn agressieve, lichamelijk sterke figuren die zich de lukratieve baan (een jobber verdient ruim tweemaal zoveel als de gemiddelde arbeider) bevochten hebben. De onderlinge konkurrentie was moordend. Ze hadden vaak een knokploeg in dienst die het mogelijk maakte dat ze zich met geweld konden handhaven. Het was hun macht over anderen die hen als jobber deed slagen. Arbeiders moeten een jobber dasturi (smeergeld) betalen om aan een baan te komen. Vooral voor een relatief goed betalende baan als wever moet men flink dokken. Hun grootste verdienste aan smeergelden komt van de badhli's (tijdelijke krachten), omdat die telkens opnieuw voor de baan moeten betalen. Veel jobbers houden het aantal badhli's op hun afdeling dan ook zo hoog mogelijk vanwege de verdiensten. Toch zien de arbeiders de betaling van dasturi niet als uitbuiting. Ze zien het eerder als een beloning voor bewezen diensten.

Behalve dat hij hen namelijk aan werk helpt, verleent de jobber ze onderdak, maakt ze wegwijs in de wijken, geeft hen een lening als ze geld nodig hebben of staat borg en komt voor de arbeiders op bij het management bij een geschil of bij een verzoek om loonsverhoging. Vervult hij zijn funktie niet goed, dan laat men hem vallen. Het is meerdere malen voorgekomen dat een jobber wordt teruggestuurd wanneer hij met geen of te weinig loonsverhoging komt.


    De opkomst van de vakbonden

De opkomst van de vakbonden begint met de eerste grote staking in de Bombayse textielindustrie in 1919. De voornaamste reden is het lage loon van de arbeiders. De sterke inflatie tijdens en na de eerste wereldoorlog heeft de kosten van het levensonderhoud met 80 tot 100 procent doen stijgen. Daartegenover heeft slechts een schamele loonsverhoging van 15% gestaan. Als in een bepaalde fabriek het technisch en administratief kader wťl een loonsverhoging krijgt en het lager personeel niet, gaan de arbeiders in staking. Ze roepen de arbeiders van de aangrenzende fabriek op om ook te staken en deze geven daaraan gehoor. Gezamenlijk gaan ze nu de andere fabrieken af en tegen de avond staken meer dan 100.000 man. Het gehele textieldistrikt ligt plat. Hoewel de aktie een gemeenschappelijk bewustzijn verraadt, is hij door zijn spontaniteit eerder te karakteriseren als een

... 'woon'-omstandigheden ...
boerenopstand dan als een staking. Er zijn helemaal geen eisen geformuleerd. Dat formuleren van eisen valt toe aan buitenstaanders, omdat de jobbers daar door hun afkomst en positie (het blijven loonafhankelijken) niet toe in staat zijn. De bemiddeling wordt gedaan door een advokaat die al eerder in kleine geschillen had bemiddeld en door een oprichter van een organisatie die zich met welzijn van de arbeiders bezighield door het geven van avondonderwijs over hygiŽne, voeding en kultuur. De BMA (vereniging van textielfabriekseigenaren: Bombay Millsowners Association) wil eerst niet onderhandelen, maar als blijkt dat de arbeiders standvastig zijn, geven ze mede onder druk van de koloniale overheid een loonsverhoging van 20%, waarop de arbeiders weer aan het werk gaan.

Als in de twintiger jaren vanwege de ekonomische recessie rationalisaties doorgevoerd worden waarbij ontslagen vallen, treden er steeds meer stakingen op. Langzamerhand komen er steeds meer organisaties naar voren die op een vakbond beginnen te lijken. Het zijn echter nog steeds organisaties die voor een belangrijk deel in leiding en ledental op buitenstaanders drijven. Deze buitenstaanders houden zich vanwege charitatieve en politieke motieven bezig met de arbeiders en dragen zorg voor het merendeel van de benodigde gelden. Pas in 1928, met de oprichting van de Girni Kamgar Union (GKU), waar de kommunisten (brahmanen) de drijvende kracht zijn, is er voor het eerst sprake van een echte vakbond. Als door haar toedoen een belangrijke staking tegen de invoering van de rationalisaties met haar massaontslagen gewonnen wordt, stijgt haar ledental geweldig. Telde de GKU op 30 september 1928 nog 328 leden (een voor die tijd normaal aantal), in januari 1929 zijn het er meer dan 60.000. De GKU begint met het instellen van fabriekskomitť's, buurtkomitť's en een centraal komitť. Deze komitť's betekenen een geweldige aantasting van de macht die de jobbers traditioneel hadden. Als op 26 april 1929 opnieuw een algemene staking uitbreekt, keren de jobbers zich massaal tegen de staking en treden ze als stakingsbrekers op. Met behulp van badhli's vullen ze de lege plaatsen op. Het resultaat is dat de arbeiders zich woedend tegen hen keren en de staking zich zelfs verder uitbreidt. Er breken op een gegeven moment ook kommunale rellen uit als werkwillige moslims, die niet zoals de hindoes bij een staking op het platteland terug kunnen vallen, door de in de stad achtergebleven hindoes tegen worden gehouden.

Deze rellen breiden zich vervolgens over de gehele stad uit. Als op 18 september het gerechtshof de GKU als verantwoordelijke voor de staking aanwijst, bang voor het bolsjewistische gevaar dat ook in Bombay toe zou kunnen slaan, rest deze niets anders dan de staking te beŽindigen.

De staking leidt ertoe dat de koloniale overheid wetgeving invoert die haar toestaat te bemiddelen in arbeidsgeschillen. Dit om de overheersende rol van de kommunisten te ondervangen. Ook leidt de staking ertoe dat er voortaan een speciale arbeidsambtenaar in de fabrieken komt, die toezicht moet houden op de arbeidswerving. Deze laatste maatregel is al eerder aanbevolen, doch de fabriekseigenaren hebben hem steeds weten tegen te houden. Ze beseffen donders goed dat de jobbers de vorming van vakbonden in de weg staat. Uiteindelijk wordt in 1933 de eerste arbeidsambtenaar in funktie gesteld. Dit betekent het definitieve einde van de jobber.


Tezelfdertijd geniet de Bombayse elite van de paardenraces
(foto: H a r a l d   L e c h e n p e r g, 1928)

    Konklusies

De vakbond kan de traditionele arbeidsbemiddeling van de jobber overnemen doordat ze meer te bieden heeft. Doordat haar arbeidsbemiddelaars ekonomisch onafhankelijk zijn van de fabriekseigenaren, en uit dezelfde klasse komen, kunnen ze hardere eisen stellen en de fabriekeigenaren op voet van gelijkheid ontmoeten. Door de nadruk die ze leggen op gezondheidszorg en onderwijs voor de arbeiders, kreŽeren ze nieuwe behoeften waaraan de jobber niet kan voldoen. Toch kunnen de vakbonden niet om de jobber heen. Pas nadat ze hem voor zich gewonnen hebben, krijgen de buitenstaanders grip op de arbeidersmassa. Want hoewel enerzijds de vakbonden een bedreiging vormen voor de jobbers omdat ze zijn traditionele autoriteit ondermijnen, bieden ze anderzijds ook nieuwe mogelijkheden. Binnen de vakbond kunnen de jobbers nieuwe posities bekleden die een hogere stijging op de maatschappelijke ladder inhouden dan welke ze binnen de fabriek ooit zouden kunnen bereiken. Ze kunnen vakbondsleiders worden die grote menigten toespreken en die voortaan op voet van gelijkheid met hun vroegere werkgevers kunnen praten. Hun nieuwe positie brengt hen in kontakt met andere lagen van de bevolking waarmee ze anders nooit in kontakt zouden zijn gekomen. Het betekent een verruiming van hun blik en een verruiming van hun leven.
Al met al kunnen we stellen dat de tegenstelling arbeid - kapitaal in de Bombayse textielindustrie er in de jaren twintig toe leidt dat een systeem, gebaseerd op vertikale loyaliteit, bekrachtigd door verwantschapsbanden of gemeenschappelijke afkomst, werd vervangen door een systeem van horizontale loyaliteit gebaseerd op gelijkheid en gemeenschappelijk levenslot. Individuele belangen werden vervangen door gemeenschappelijke belangen. Een persoonlijke benadering voor een kleine groep met een korte visie, werd vervangen door zakelijke benadering met een lange-termijnvisie gericht op de verbetering van de sociaal-ekonomische positie van een klasse.

XXX




begin document

tijdschrift India Nu

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 17 juni 2010