terug
Uit: India Nu 177 (jan-feb 2009)



Burgeroorlog in Sri Lanka (1)

De fundamenten van een langdurig conflict

Verwoeste tank van het Sri Lankaanse leger
Op het slechts 48 kilometer van India gelegen eiland Sri Lanka woedt al 25 jaar een gewapend conflict. Daar ligt een lange geschiedenis aan vooraf. Binnenlandse machtsstrijd en kolonialisering verdeelden het eiland. ook buitenlandse bemiddeling kon de diverse partijen en verschillende belangen niet nader tot elkaar brengen.


De eerste spanningen ontstonden aan het einde van de Anuradhapura-periode, de eerste periode van grote bloei van de Singalese cultuur (161 vC - 1017 nC). Gedurende de Singalese machtsperioden waren er meerdere oorlogen met de Dravidische vorstendommen in Zuid-India. De Anuradhapura-periode eindigde dan ook met een Indiase overheersing. Daarna trokken veel Tamils uit Zuid-India naar Sri Lanka over, via de zogeheten 'Palkstraat' tussen India en Sri Lanka. Vruchtbare grond en edelstenen op het eiland trokken de Tamils aan. De Singalezen trokken zuidwaarts op zoek naar een veiliger onderkomen. Zij hielden de Tamils verantwoordelijk voor de ondergang van de Singalese beschaving die juist tot bloei was gekomen. Daarmee was de kiem gelegd voor haat die tot op de dag van vandaag voortduurt.

Tot de komst van de Portugezen in 1505 was Sri Lanka verdee1d in een noordelijk Tamilrijk Jaffna en twee Singalese rijken in het zuiden. In zowel de Portugese (1505-1658) als de Nederlandse (1658-1802) koloniale tijd was het hele eiland, met uitzondering van het Singalese vorstendom Kandy, verenigd onder hetzelfde bestuur. Toch bestuurden beide koloniale mogendheden de Tamilgebieden los van de rest van het land om te voorkomen dat Tamils en Singalezen een pact zouden sluiten tegen hen.
De Engelsen (1802-1948) veroverden wél het vorstendom Kandy. Daarmee kwam het hele eiland, inclusief de Tamilgebieden, onder één bestuur in Colombo. Protesten van Singalezen en Tamils hiertegen, werden de kop ingedrukt. Omdat veel Sri Lankanen weigerden voor de Engelsen te werken tegen de geboden lonen, werden Tamils uit India overgebracht. In 1911 waren er zelfs meer Indiase Tamils dan Sri Lankaanse Tamils op het eiland.
Onder druk van nationalistische groeperingen op het eiland, die weer onder invloed stonden van de dekolonisatiebewegingen in India, begonnen de Engelsen Sri Lankanen op te nemen in het bestuur. Daarbij kregen christenen voorrang op boeddhisten, hindoes en moslims. Dit bracht Singalezen en Tamils in die periode nader tot elkaar vanuit het gezamenlijke doel: een eind aan de Engelse overheersing. In 1920 kwam de basis voor dat pact te vervallen toen de Engelsen regionale vertegenwoordiging invoerden, en Tamils en Singalezen weer concurrenten werden in plaats van bondgenoten. De Engelsen bevoordeelden de Tamil-minderheid ten opzichte van de Singalese meerderheid. Dit dreef een verdere wig tussen beide groepen.

Ondanks jaren van betrekkelijke rust in het onafhankelijke Sri Lanka van na 1948, begonnen spanningen steeds verder op te lopen. Singalezen hadden gezien hun numerieke meerderheid de meeste politieke macht in handen. Tamils meenden dat zij achtergesteld en gediscrimineerd werden. Singalezen meenden op hun beurt dat Tamils te veel macht opeisten. Bovendien vonden Singalezen dat Tamils nog steeds meer carrièrekansen hadden omdat Tamils door hun voorkeursbehandeling van de Engelsen, het Engels beter machtig waren dan de Singalezen. Deze taalkwestie maakte de tegenstellingen scherper. Het Singalees-boeddhistische nationalisme ging een steeds grotere rol spelen in de politiek. Het Singalees werd de officiële landstaal en het boeddhisme kreeg de status van staatsgodsdienst. Verder werd het percentage Tamils niet alleen in de overheidssector langzaam teruggedrongen, maar ook bij leger en politie. Voor Tamils werden hogere toelatingseisen gesteld dan voor anderen bij universiteiten en scholen. Er ontstonden ook steeds meer radicale ideeën onder Tamil-jongeren. Zij streefden naar meer autonomie en waren bereid over te gaan tot geweld om dit doel te bereiken. Verschillende militante verzetsgroepen ontstonden, waaronder die van de Tamil Tijgers.
De Singalese meerderheid in de politiek probeerde dit groeiende zelfbewustzijn te stuiten met draconische maatregelen, zoals de Prevention of Terrorism Act van 1979. Deze wet was gericht op de opkomende terreur van vooral Tamil-jongeren. Maar terrorisme werd hierin vaag omschreven waardoor ook een willekeurige demonstratie daaronder kon vallen. Zo kon de regering altijd excessief geweld legitimeren door te stellen dat de aanpak viel onder de antiterreurwet.
De wet werd inderdaad steeds ruimer uitgelegd; leger en politie konden steeds meer hun gang gaan. Tamils werden zonder vorm van proces vastgehouden en gemarteld. In 1983 vond een grote geweldsexplosie tegen de Tamils plaats. Wereldwijd werd duidelijk dat niet alleen de Tamils maar ook de regering een grote rol in de oplopende spanning had. In juli dat jaar kwamen dertien soldaten om bij een aanslag op Singalese militairen door Tamil-extremisten. Daarop volgde een brede en schijnbaar ongerichte vergeldingsactie tegen Tamils op het hele eiland. Dit geldt als het begin van de burgeroorlog die nog in volle gang is en waarbij zeventigduizend mensen zijn omgekomen.


  Vredesonderhandelingen voor Sri Lanka

Met het haar vertrouwde concept van geduld en onpartijdigheid leidde Noorwegen met 'stille diplomatie' vredesbesprekingen in Sri Lanka. De neutrale status van het land dat geen lid is van de Europese Unie, hielp bij de acceptatie van Noorwegen als bemiddelaar. Jaren van zware gevechten tussen 1995 en 2001, waarin al veelvuldig maar

Slachtoffers burgeroorlog

sinds 1983

Sri Lankaans leger en politie
20.000
Tamil Tijgers
20.000
Burgers
30.000
Indiase vredesmacht (1987-1990)
1.250
zonder succes geprobeerd was om te bemiddelen, maakten de bereidheid tot een bestand groot. Dat kwam er in 2002.
De tegengestelde belangen tussen rebellen en regering, maar ook tussen verschillende Tamil-groepen onderling en tussen diverse Singalese politieke partijen, bleken te groot om de vrede stand te laten houden. De strijd laaide weer op.
Over en weer beschuldigden de partijen elkaar ervan de vredesvoorwaarden niet te respecteren. Toch was er onder grote delen van de bevolking een sterk verlangen naar een blijvend eind aan de strijd. Maar machtspolitiek en persoonlijk gewin stonden een duurzame vrede in de weg.
Extremistische splintergroeperingen aan Tamil-zijde en hardliners onder politici of generaals aan Singalese zijde waren door terreuraanslagen of militaire actie in staat de eigen belangen te stellen boven de belangen van vrede. Op elke aanslag of militaire actie volgde onherroepelijk vergelding van de andere zijde. Zo kon in korte tijd het geweld snel weer oplaaien na een periode van betrekkelijke kalmte. Kortom, er was te weinig wil om de vrede te laten voortduren. Aan beide zijden waren teveel mensen die belang hadden bij het voortduren van de strijd.
Jan Egeland, Noors VN-diplomaat: 'Er zal geen vrede zijn als de partijen het zelf niet willen. Dat wordt vaak vergeten. Je denkt vaak, als ik maar een goed ontwerp schrijf, met een minimum aan mensenrechten, aan democratie, terugkeer van vluchtelingen, dan lukt het wel. Nee dus. Het lukte de partijen gewoon niet om het uit te onderhandelen, ze wilden niet.'
Voortgaande diplomatie kon niet voorkomen dat de strijd vanaf 2006 steeds verder oplaaide. In januari 2008 kwam aan het staakt-het-vuren van 2002, dat in de praktijk al jaren niet meer bestond, ook formeel een einde. De nieuwe president, de voormalige premier Mahinda Rajapakse, koos voor een harde confrontatie. Ondanks een meer gematigde koers tijdens zijn premierschap, geloofde hij steeds minder in een politieke uitweg uit het conflict. Het was erop of eronder.


  Tamil Tijgers

De Tamil Tijgers, voluit genaamd de Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE), zijn de belangrijkste rebellengroep van de Tamils in Sri Lanka. Ze vechten sinds begin jaren zeventig voor een onafhankelijk Tamil Eelam, letterlijk Tamilthuisland.
In eerste instantie was onafhankelijkheid niet het doel van de Tamils. Ook niet van de rebellen. Zij streefden naar meer autonomie langs politieke weg. Het ging hen om herstellen van de situatie van voor de onafhankelijkheid van Sri Lanka. Onder de Engelsen hadden de Tamils hoge mate van autonomie, die na de onafhankelijkheid onder het politieke bestuur van de Singalese meerderheid werd ingetrokken. Singalezen (75 procent van de bevolking) vonden dat Tamils (15 procent) veel teveel macht opeisten in verhouding tot hun geringe bevolkingsaandeel.
Sinds 1972 bestond de Tamil United Front (TUF), een samenwerkingsverband van meerdere kleine Tamil-partijen. Vanaf 1976 ging de partij na een verdere fusie, door

Kinderen onder het toezicht van het Sri Lankaanse leger bij een opvangkamp in Batticaloa (foto: K l o i e   P i c o t ,   f l i c k r . c o m)
onder de naam Tamil United Liberation Front (TULF). Bij de eerste deelname aan landelijke verkiezingen, in 1977 leed de TULF een verpletterende nederlaag. De partij werd daarna grotendeels genegeerd. In hun streven om langs politieke weg autonomie te verkrijgen voor de gebieden waar Tamils de meerderheid vormden, waren zij niet geslaagd.
De frustratie die steeds meer Tamils hierdoor ondervonden, gaf ruimte voor radicale groeperingen onder de Tamil-bevolking, waarvan de Tamil Tijgers het meest invloedrijk werden. Toen de Tamil Tijgers in 1983 bij een hinderlaag dertien soldaten vermoordden, liep het conflict uit op een regelrechte burgeroorlog met de volledige onafhankelijkheid van Tamil Eelam als inzet.
De Tamil Tijgers pleegden veel gewaagde aanslagen, tot in het hart van de hoofdstad Colombo en op de internationale luchthaven. De aanslagen werden in de loop van de tijd ook steeds geavanceerder. Zo kregen de Tamil Tijgers de beschikking over kleine vliegtuigjes.
Maar het belangrijkste wapen van de Tamil Tijgers is wel hun bereidheid te sterven voor hun idealen. Zelfmoordaanslagen zijn bijna een normaal fenomeen geworden in de burgeroorlog. De rebellen willen zich niet gevangen laten nemen om geen informatie prijs te geven bij verhoren door het Sri Lankaanse leger. Alle rebellen dragen daarom een cyaankalicapsule om hun hals die zij kapot bijten als zij zich moeten overgeven aan het leger.
De aanslagen richtten zich zowel op leger en politie als op politici en andere hooggeplaatste personen. Maar ook de Singalese burgerbevolking is vaak doelwit geweest, en de eigen Tamil-bevolking om steun af te dwingen.
Onder de hooggeplaatste slachtoffers zijn journalisten, schrijvers, dichters, universitaire docenten, maar vooral landelijke, regionale en lokale bestuurders. Onder hen zijn negen landelijke (voormalige) ministers. Veel aanslagen zijn nooit officieel opgeëist door de Tamil Tijgers.
De belangrijkste slachtoffers zijn de voormalige Indiase premier (1984-1989) Rajiv Gandhi op een verkiezingsbijeenkomst in de Indiase deelstaat Tamil Nadu in 1991 en zittende Sri Lankaanse president Ranasinghe Premadasa (1989-1993) in de hoofdstad Colombo. Beiden werden omgebracht bij zelfmoordaanslagen.
Bij Rajiv Gandhi was het een van de eerste keren dat dit middel ingezet werd in de burgeroorlog. Voor zijn dood hebben de Tamil Tijgers in 2006 excuus gemaakt, echter zonder ooit de aanslag op te eisen. Velupillai Prabhakaran, de charismatische en sinds 1983 onbetwiste leider van de Tamil Tijgers, zou rechtstreeks bevel hebben gegeven voor de moord, om wraak te nemen voor Gandhi's besluit de Indiase vredesmacht naar Sri Lanka te sturen. Hierdoor hadden de Tamil Tijgers er een tegenstander bij naast het Sri Lankaanse leger.
Vanwege het gebruik van terreur staan de Tamil Tijgers in de Verenigde Staten sinds 1997 op de lijst van terroristische organisaties.

In de volgende India Nu wordt ingegaan op India's rol in het conflict.