Onderwijs: enorme vooruitgang, maar nog veel te doen
Het verhaal achter de grote getallen
Wie over onderwijs in India schrijft, laat zich maar al
te gemakkelijk verleiden
tot een oefening in grote
getallen. Je krijgt dan een
indrukwekkend verhaal over
miljoenen leerkrachten,
honderden miljoenen leerlingen
en miljarden roepies
aan overheidsbestedingen.
Maar het ware verhaal over
onderwijs in India hoort
te gaan over wat áchter de
getallen gebeurt, en dan
vooral over de kwaliteit van
het onderwijs. Want daar
zal uiteindelijk het succes
van het onderwijs in India
worden behaald.
 Scholieren op excursie
|
|
Elk jaar brengt de UNESCO het Global
Monitoring Report (GMR) uit. Een
overzicht van de voortgang die is geboekt
op weg naar het behalen van de Millenniumdoelstellingen.
Een daarvan is dat in
2015 alle kinderen naar school gaan. Het
laatst uitgebrachte GMR van november
2008 laat zien dat wereldwijd aanzienlijke
vooruitgang is geboekt, maar ook dat er
nog een lange weg te gaan is. Ook het GMR
van dit jaar geeft weer specifieke aandacht
aan India, als grootste land van de drie bevolkingsrijke
landen in de subregio: India,
Pakistan en Bangladesh.
De balans die voor India wordt opgemaakt
is in hoofdlijnen positief van toon en vol
optimisme. Er is in het afgelopen decennium
veel vooruitgang geboekt. Er gaan
meer kinderen dan ooit naar school. Vooral
meisjes profiteren meer van het onderwijs
dan ooit tevoren. Maar - en ook hier kunnen
cijfers bedrieglijk zijn - in veel gevallen is
er sprake van relatieve vooruitgang. De
achterstand voor meisjes blijft in het onderwijs
aanzienlijk en in veel staten is de kloof
tussen rijk en arm nog groot als het gaat om
deelname aan onderwijs.
Onderwijs is in India een verantwoordelijkheid
van de nationale overheid én van de
deelstaten. Deze gedeelde verantwoordelijkheid
heeft tot gevolg dat er op onderwijsgebied
grote verschillen bestaan tussen
de verschillende deelstaten. De voorsprong
van Kerala en Tamil Nadu op Bihar en Uttar
Pradesh is enorm. Het is dus van belang
om bij alle getallen en analyses van het
onderwijs in India goed te kijken naar de
verschillen tussen de diverse deelstaten.
Onderwijs voor iedereen?
Elke overheid staat voor de cruciale vraag of
zij in staat is om via haar beleid alle sociale
lagen van de bevolking in gelijke mate
aan het onderwijs te laten deelnemen en
daarvan te laten profiteren. Voor wat betreft
India is het UNESCO-rapport duidelijk.
‘De rijkste bevolkingsgroepen kennen de
hoogste onderwijsdeelname.’ In India -
meer nog dan in Nepal en Bangladesh - is
de kloof tussen arm en rijk nog zeer groot.
Terwijl van de twintig procent rijksten in
India ongeveer negentig procent deelneemt
aan het basisonderwijs, nemen vier van de
tien kinderen uit de armste gezinnen geen
deel aan onderwijs. Zij blijven nog steeds
uitgesloten. Voor hen is de overheid er nog
niet in geslaagd om toegang tot het onderwijs
te realiseren. De barrières (kosten,
bereikbaarheid) blijken nog te hoog.
Armoede en gebrek aan deelname aan het
onderwijs gaan hand in hand.
Armoedebestrijding moet in het teken staan
van het bereikbaar maken van het onderwijs
voor alle groepen. Om de eenvoudige reden
dat onderwijs hét instrument bij uitstek kan
zijn (voorzichtigheid hieromtrent is geboden)
om mensen kansen in de maatschappij
te geven. De grote vraag is of de Indiase
overheden juist deze doelstelling - armoedebestrijding
via onderwijs - voortvarend
aanpakken. Het is het dilemma van het
halfvolle en het halflege glas: enerzijds is er
enorme vooruitgang geboekt in aantallen,
anderzijds is er een groot percentage dat
nog niet wordt bereikt.
Leerkracht onder druk
In vrijwel alle rapporten die over het onderwijs
in India verschijnen, wordt van de
leerkrachten een tamelijk negatief beeld
geschetst. Het meest beroerd was nog wel
een rapport van de Wereldbank dat stelde
dat elke dag een op de vier leraren niet voor
de klas staat, maar bezig is met andere dingen.
Een rapport waar de Indiase bonden
gefundeerde kritiek op hadden. Maar het
kwaad was al geschied en de resultaten van
het rapport begonnen een eigen leven te
leiden. Ook een meer vakbondsvriendelijk
blad schreef onlangs: ‘Op overheidsscholen
hebben de leerkrachten een betere vooropleiding,
maar dat betekent niet dat er beter
wordt lesgegeven. Bovendien zijn de leraren
daar niet gemotiveerd. Zijn ze eenmaal benoemd,
dan komen ze niet meer opdagen,
want ze krijgen toch wel betaald.’ Daarmee
is de toon gezet en het beeld geschapen van
de luiwammes voor de klas.
Kortom, de leerkracht in India staat onder
druk. Het moet gezegd: er is veel gaande
rondom de positie van de leerkracht.
Algemeen wordt onderkend dat het vak van
leerkracht niet bijster populair is. De betaling
is zeer matig - ook al is er de zekerheid
van inkomen - en de maatschappelijke
waardering is laag. Leerkrachten staan voor
overvolle klassen, beschikken over weinig
lesmaterialen en hebben naast lesgevende
taken nog allerlei andere werkzaamheden
te verrichten. De introductie van de
zogenaamde ‘para-teachers’ heeft zeker
ook een bijdrage geleverd aan de afbrokkeling
van de positie van leerkrachten in
India. Para-teachers zijn leerkrachten die
na hun middelbare school geen enkele
vakopleiding hebben genoten. Van hen
wordt verwacht dat zij een zekere basiskennis
hebben en dus wel les kunnen geven. De
introductie van de para-teachers verspreidt
zich momenteel als een olievlek over vrijwel
alle deelstaten van India. De reden dat
overheden de para-teachers met zo veel
kracht promoten is tweeledig. Voorop staat
dat de para-teachers uiterst goedkoop zijn.
Zij verdienen een vijfde van de leerkracht
met een opleiding. Derhalve een zeer effectieve
bezuinigingsmaatregel, voor de
korte termijn. Ook helpen de para-teachers
de statistieken op te krikken. Immers, meer
leerlingen gaan naar school en dat geeft
een positieve indruk voor de Millenniumdoelstellingen.
Maar uiteindelijk gaat het
niet om de aantallen en de percentages,
maar om de kwaliteit van het onderwijs. En
op dit punt zijn vrijwel alle deskundigen het
eens: de introductie van de para-teachers
biedt geen reële bijdrage tot de verbetering
van de kwaliteit van het onderwijs in India.
Een bijzondere rol hierbij spelen de vele
buitenlandse en door het buitenland gefinancierde
NGO’s. Maar al te vaak financieren
deze organisaties schooltjes - veelal op
het platteland - met leerkrachten zonder
opleiding. Het enthousiasme van die leerkrachten
moet hun gebrek aan vakkundigheid
compenseren. Een werkwijze die veel
terechte vragen doet oproepen.
Uitdagingen
De Indiase overheid beroept zich op de
hoge kosten van onderwijs. Die zijn ook
aanzienlijk als een overheid serieus is
met de bekostiging van kwalitatief goed
onderwijs. Toch zijn de overheidsuitgaven
voor onderwijs in India aan de bescheiden
kant in vergelijking met andere landen.
Sterker, UNESCO bericht dat in India sprake
is geweest van een neerwaartse trend in de
overheidsbestedingen.
Wanneer zo’n ontwikkeling zich in de
toekomst zou doorzetten heeft dat voor de
toekomst grote gevolgen. Het zou leiden
tot een bestendiging en een verdieping van
de al duidelijk bestaande scheiding tussen
onderwijs voor de rijken en de armen in de samenleving.
Degenen die het zich kunnen permitteren,
zullen steeds meer gebruik maken
EN DAN NU TOCH NOG MAAR WAT GETALLEN
|
| Inwoneraantal | 1,1 miljard |
| Alfabetisme volwassenen | 65% (M: 76%; V: 53%) |
| Nieuw naar de basisschool in 2006 | 32 miljoen |
| Aantal leerlingen in basisschool 2006 | 139 miljoen |
| Netto deelname aan basisschool 2006 | 89% |
| Basischool-leerlingen buiten het onderwijs | 7,2 miljoen |
| Uitvallers basisschool | 28% |
| Leerkrachten basisonderwijs | 3,388 miljoen |
| Deelname aan voortgezet onderwijs | 89 miljoen |
| Overheidsuitgaven als onderdeel van BNP | 3,3% |
|
van privé-scholen. Hierdoor komt de kwaliteit
van het overheidsonderwijs nog verder onder
druk te staan. Dat biedt de voorstanders van
de privatisering van het onderwijs weer alle
gelegenheid om te laten zien dat overheidsonderwijs
niet deugt. De ‘self fulfilling prophesy’
wordt zo bewaarheid.
En daarmee raakt het UNESCO-rapport aan
de kern van het grote politieke vraagstuk waar
India de komende decennia een antwoord
op moet zien te vinden: wil ze serieus werk
maken van een samenleving waarbij de armen
en achtergestelden ook een serieuze kans
van slagen hebben? Is er de politieke wil om
bestuurs- en onderwijshervormingen zo in te
richten dat de kloof tussen rijk en arm niet
nog verder verwijdt? Het UNESCO-rapport
verwoordt het zo: ‘de huidige onderwijshervormingen
door de overheden komen nog te
weinig ten goede aan de armen en achtergestelden.
Ook al scoort de regio als geheel
steeds beter op de doelen van ‘Onderwijs
voor Iedereen’, er blijven grote verschillen
bestaan tussen en binnen de landen. Dit
werkt algemene vooruitgang op het gebied
van onderwijs tegen.’ Het is een waarschuwend
geluid van een internationaal erkend
en gezaghebbend instituut. Het onderwijs in
India staat dus nog voor grote uitdagingen
wil het niet alleen getalsmatig het doel van
‘Onderwijs voor Iedereen’ bereiken, maar ook
kwalitatief en maatschappelijk tot aanvaardbare
oplossingen komen.
Wouter van der Schaaf