terug
Uit: India Nu 111 (jan-feb 1998)



Nepalese tapijtknopertjes naar school


Niet alleen in India, maar ook in Nepal worden tapijten zonder kinderarbeid met het Rugmark-keurmerk gemaakt. De initiatiefnemers - hulporganisaties èn bedrijven - hebben in ruim een jaar veel bereikt. Maar er is nog veel werk aan de winkel en uitbanning van kinderarbeid is niet te realiseren zonder de inbreng van de Nepalese overheid en westerse donoren. Gerard Oonk was onlangs in Nepal en doet verslag.


"Toen Yau Maya tien was, verdween haar vader. Zij weet niet of hij nog leeft. Een oom pikte alle bezittingen van haar moeder in. Yau Maya werd van school gehaald en door haar broer vanuit het Chitwan district bij een klein restaurant in Kathmandu afgeleverd. Daar werkte ze voor tien gulden per maand van vier Uur 's ochtends tot elf uur 's avonds. Later stuurde haar broer haar naar een tapijtfabriek. Daar werkte ze twaalf uur per dag. Haar broer inde het bescheiden loon en haar schoonzuster - die haar in de fabriek het tapijtknopen leerde - sloeg haar bij elke fout die ze maakte. Yau Maya had regelmatig last van duizeligheid en hoofdpijn. Rugmark-inspecteurs vonden Yau Maya in de fabriek. Nu woont ze in het opvangcentrum Bungamati, waar ze een opleiding krijgt."
Het bovenstaan is een citaat uit de Nieuwsbrief (november 1997) van de Nepal Rugmark Foundation (NRF). Verhalen als die van Yau Maya zijn helaas geen uitzondering in de Nepalese tapijtindustrie. Bijna alle tapijtfabrieken en -werkplaatsen bevinden zich in de vallei van

ex-tapijtknopertje volgt onderwijs (foto: Gerard Oonk)
Kathmandu. De meeste kinderen die in deze bedrijfstak werken, komen echter uit andere delen van het land. Soms arriveren ze samen met hun ouders in Kathmandu. In veel gevallen gaat het echter om verlaten kinderen. Soms kijkt een broer of oom nog af en toe naar hen om. Maar vaak worden ze aan een ronselaar meegegeven.
De tapijtindustrie is ook berucht vanwege het feit dat er veel meisjes worden geronseld voor bordelen in India. Volgens een onderzoek uit begin 1996 werken ongeveer drieduizend kinderen - van wie zo'n veertig procent meisjes - in geregistreerde tapijtfabrieken. NRF schat dat daarnaast nog minstens twintigduizend kinderen in niet-geregistreerde werkplaatsen tapijten knopen.


Deviezen

Volgens de grote Nepalese tapijtfabrikant Zafar Ahmad verdient zijn land ruim zestig procent van zijn buitenlandse deviezen door tapijtexport. Maar de bedrijfstak maakt moeilijke tijden door, want de export loopt terug. De Nepalese tapijten zijn momenteel minder gewild bij de consument dan enkele jaren geleden. Toen de Verenigde Staten dreigden met een boycot van door kinderen gemaakte producten en de Duitse TV een documentaire vertoonde over kinderarbeid in de Nepalese tapijtindustrie, dreigde voor Nepal een economische catastrofe. De bereidheid groeide toen bij de tapijtexporteurs om gezamenlijk met particuliere organisaties een oplossing te zoeken.
NRF is in het najaar van 1996 van start gegaan. Inmiddels heeft de stichting negen mensen in dienst onder wie vier inspecteurs. De inspecteurs bezoeken wekelijks alle fabrieken en werkplaatsen (met bijna 2400 weefgetouwen) van de inmiddels 32 aangesloten exporteurs. Deze exporteurs zorgen voor dertig procent van de Nepalese tapijtexport. Aangezien de aangesloten exporteurs hun hele productie moeten laten controleren, ook als slechts een deel van hun buitenlandse afnemers om Rugmark-labels vraagt, is het functioneren van NRF sterk van invloed op de aanwezigheid van werkende kinderen in de tapijtindustrie. Maar daarmee stromen er nog niet voldoende middelen binnen voor de rehabilitatie van de (voormalige) tapijtknopertjes. Slechts twee procent van de Nepalese tapijten zijn voorzien van het Rugmark-label omdat de meeste westerse importeurs geen Rugmark-labels op hun tapijten willen. Alleen op deze Rugmark-tapijten betalen ze een toeslag van één procent van de importwaarde ten behoeve van het rehabilitatiefonds voor (ex-)tapijtknopertjes. Voor tapijten zonder label leveren zij dus geen bijdrage aan dat fonds. Unicef Nepal springt bij om toch voldoende opvang te kunnen geven.


Opvang

De kinderen die zijn gevonden in de fabrieken van exporteurs die zich willen aansluiten bij Rugmark, worden eerst korte tijd opgevangen in een transit centre waar ze medische zorg krijgen. Vervolgens overlegt de NRF met de ouders - als deze er al zijn en gevonden kunnen worden - of zij zelf voor de kinderen kunnen en willen zorgen. Is dat niet het geval, dan kan het kind terecht in een van de vier opvang- en onderwijscentra. Het eerste centrum is in maart 1997 van start gegaan, het laatste in oktober 1997. De centra worden gerund door vier afzonderlijke particuliere organisaties met ervaring op dit gebied.
In elk opvangcentrum wonen vijftig kinderen, van wie zo'n twintig meisjes. De kinderen, in leeftijd variërend van zes tot dertien jaar, krijgen een jaar lang intensief onderwijs. En dat niet alleen: er wordt veel met hen gepraat over hun vaak traumatische ervaringen en spel, zang en dans en knutselen maken een belangrijk deel uit van het programma. De centra maken een zeer goed verzorgde en - qua sfeer - ontspannen indruk met een toegewijde staf en kinderen die genieten van hun 'nieuwe leven'. Na het opvangcentrum zorgt NRF ervoor dat de kinderen op een kostschool komen waar zij een verdere opleiding kunnen volgen. Kinderen van vijftien krijgen een beroepstraining.


Ambitieus

NRF heeft ambitieuze plannen. Zo wil de organisatie in wijken waar veel tapijtfabriekjes staan een basisschool starten. Ook moet er in elke fabriek een day care centre voor jonge kinderen komen. Nu liggen of kruipen deze kinderen, vaak in de wolstof op de vloer van de fabriek waar hun moeder werkt. Verder gaat NRF ook meer aan preventie van kinderarbeid doen via werkgelegenheidsprojecten en alfabetiseringscursussen voor de ouders en voorlichting in de media. Daarvoor is ondersteuning van Unicef gevraagd.
Toch kan NRF niet in haar eentje het probleem van de kinderarbeid in de tapijtindustrie, laat staan de kinderarbeid in andere sectoren, oplossen. "Er kunnen veel Rugmarks worden opgezet, maar ze kunnen nooit de rol van de overheid overnemen. Daarom moeten we meer doen om het overheidsbeleid te beïnvloeden. Rugmark zelf kan daarin een belangrijke rol spelen. "We moeten ook het debat met de ondernemers aangaan over 'ethiek en ondernemen' zoals dat binnen Rugmark al plaatsvindt," aldus de heer Gopal, die behalve NRF-bestuurslid, ook advocaat en directeur van een non-gouvernementele organisatie is.
Naast kritiek op zijn eigen regering geeft Gopal ook de internationale hulporganisaties een veeg uit de pan: "Donoren als de Wereldbank stellen te weinig sociale prioriteiten, zoals basisonderwijs. Onze regering en de donoren zouden juist basisonderwijs tot een belangrijke prioriteit moeten maken."

Gerard Oonk




begin document

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 19 september 2007