terug
In beknopte versie gepubliceerd in: India Nu 167/168 (mei-aug 2007)




Moordlustige bandieten verbeeld als avontuurlijke Robin Hoods

In de ban van de misdaad


Na een immense klopjacht legde hij op 18 oktober 2004 uiteindelijk het loodje: de grootste boef van het twintigste-eeuwse India, Veerappan. Aan zijn hoofd de sporen van dat loden goedje. Afkomstig van het leger. Sommigen hielden het liever op zelfmoord, ingerekend worden paste niet in hun beeld. Intussen zijn er al

Phoolan Devi (1963-2001) tijdens haar vrijwillige capitulatieceremonie in februari 1983

Koose Murriswamy Veerappan (1952-2004) kende vele identiteiten: meesterboef, Robin Hood, moordenaar
rolprenten over hem verschenen. Het publiek smult ongegeneerd van de gereconstrueerde moordpartijen en verkrachtingen. Vragen filmproducenten, en ook wij als bioscoopbezoekers, zich wel eens af wat deze romantisering teweeg brengt? Waarom wij van daders helden maken?



  Het Robin Hood-genre

Ongrijpbaar en steeds brutaler had Veerappan de deelstaten Tamil Nadu en Karnataka, ja zelfs heel India dertig jaar in de ban gehouden. Uiteraard waren het de media die hem tot mythische proporties opbliezen. Veerappan speelde daar handig op in: hoe sensationeler de verhalen hoe hoger zijn angstradius, hoe hoger ook zijn marktwaarde. De publiciteit die hij behaalde toen hij Rajkumar - koning van het witte doek - kidnapte, was ongeëvenaard.

Fans van de gekidnapte filmacteur koelden daarop in Bangalore hun woede op auto’s en kantoren van Indiërs uit Tamil Nadu, de deelstaat waar Veerappan en zijn trawanten vandaan komen. De politie arresteerde honderden fans van Rajkumar. Bedrijven, scholen en bioscopen werden uit voorzorg gesloten. Het openbaar vervoer werd stil gelegd, een avondklok ingesteld. Inmiddels gijzelt één man een hele stad … (bericht uit India Nu 127 (2000)).

Bij een eerdere kidnapaffaire had Veerappan verfilming van zijn leven als losgeld geëist, met hem zelf als regisseur. Al lukte dat toen niet, intussen zijn er diverse rolprenten over hem verschenen, gevolgd door vele films met (ex)misdadigers in eigen hoofdrol. De methode van het genre is beproefd: als een Robin Hood steelt de boef van de rijken en geeft hij aan de armen.


  Griezelen is genieten

Verandert de criminaliteit van aard en zijn deze boeven niet beschikbaar, dan creëren we ze. We manipuleren hen zó dat zij alsnog aan dit nobele beeld voldoen. Griezelen is genieten. Ook wij smullen van onze Klaas Bruinsma’s en Willem Holleeders. Niet voor niets trok Bandit Queen, de film over Phoolan Devi, Veerappan’s vrouwelijke evenknie, destijds (1994) ook bij ons zo veel publiek. Evenmin als Veerappan was Phoolan Devi een Robin Hood. Of zij meer was dan de leider van een bende dacoits (gewone(!) boeven) en of zij zo bijzonder was vanwege haar vrouw-zijn alléén, die vragen houden ons ook nu nog bezig. Biologeerde Phoolan Devi zo vanwege kastenonrecht? Vanwege vrouwendiscriminatie? Of waren er nog andere factoren in het spel?


  Bollywood

Phoolan Devi werd een ware volksheldin. Ontslagen uit de gevangenis in 1994, huwde zij een man juist uit de Thakur-kaste, een kaste door leden waarvan zij vroeger zo was vernederd en misbruikt. Spoedig verwierf ze genoeg steun om een politieke carrière te beginnen, maar niet voor lang. In 2001 kwam zij gewelddadig om het leven. Voor sociologen en maatschappijcritici voer te over. Waarom ook is de misdaad voor de Indiase filmindustrie, en de onze, zo’n onuitputtelijke inspiratiebron? Van welke beeldvorming is hier sprake? In welk soort scripts presenteert Bollywood hedendaagse vormen van misdaad en terreur? Het antwoord is niet ingewikkeld: er wordt ingespeeld op onze sensatielust en zo wordt misdaad glamour. Het publiek moet zich met de protagonisten kunnen identificeren. Het internationale kassucces Mission Kashmir (2000), over de Kashmircontroverse tussen moslims in Pakistan en hindoes in India, is daar een voorbeeld van. Kortom, de invloed van misdaad en terreur op de Indiase samenleving valt niet te onderschatten. Temeer niet aangezien vrijwel iedereen verstrikt is in even ingewikkelde als subtiele netwerken van onderlinge gebondenheid.


  Netwerken van gebondenheid

Een ketenachtige kluwen strekt zich uit over welke economische sector dan ook. Voor iedere branche specifiek, voor buitenstaanders niet of nauwelijks zichtbaar. In een onder- en bovenwereld waarbij de grenzen vloeiend in elkaar overlopen, grijpen al die netwerken in elkaar. Vrijwel nooit verdient iemand sec zijn geld. Steeds moet hij aan anderen afdragen. Want het zijn altijd anderen die over de sleutels beschikken voor het verkrijgen en behouden van posities, (ver)gunningen, baantjes, werkjes of wat dan ook. Hetzij worden zij daarvoor cash beloond, hetzij door middel van wederdiensten. Voor wie dat nalaat zijn de gevolgen niet te overzien. Lees dat maar eens na in de golf van semi-sociologische literatuur die de laatste decennia uit India ook het Westen overspoelt. Denk aan de twee werkeloze kleermakers uit het weergaloze Een wankel evenwicht van Rohinton Mistry. Of aan Radhika Jha’s ontroerende De olifant en de maruti, waarin een parkeerwachtertje in handen valt van de pedofiele boef die van die parkeerplaats de zogenaamde eigenaar is. Auteurs als Mistry en Jha romantiseren overigens de misdaad juist niet. Iets wat niet gezegd worden van Suketu Mehta’s recente, bombastisch-ijdele Bombay mateloze stad. Mehta liet zich meezuigen door het klimaat waarin hij zich begaf.


  Thugs: wurgende roofmoordenaars

Met wat empathie kun je nog mild zijn voor die netwerken, voor de uitwassen ervan echter niet. Niet nu, niet toen. Zo was het precies zo’n web van ‘onderling aan elkaar verplicht zijn’, een web zelfs van wederzijdse medeplichtigheid, dat de zogenaamde thugs (lett.: bedriegers) in staat stelde twee eeuwen lang Indiase

Thugs op een tapijt dat zij zelf hebben geweven (gevangenis te Jubbulpore, omstreeks 1860)
wegen en karrensporen te terroriseren. Reizigers te vermoorden en te beroven. Na eerst hun vertrouwen te hebben gewonnen.

Een groep thugs sloot vriendschap met een veertigtal reizigers. Dagenlang trokken zij met hen mee. Totdat de reizigers hun laatste argwaan verloren en na een comfortabele maaltijd achterover leunden om naar hun dansende ‘vrienden’ te kijken. Binnen een paar seconden waren alle reizigers gewurgd. Op twee jonge meisjes na. Een van hen werd uiteindelijk alsnog gewurgd. Dit omdat zij na de aanblik van haar vermoorde moeder zichzelf van het leven trachtte te beroven en niet ophield met schreeuwen. De andere trouwde met de zoon van een van de thugs. De twee zonen die zij van hem kreeg werden eveneens thugs... (vrij naar Kevin Rushby*).

Tegen afdracht van een deel van de buit werden zij, deze thugs dus, beschermd door zamindars (dorpsoudsten), dorpsgenoten, helers, politie en justitie. De boerenbevolking uit de roofgebieden wist ervan, verleende logistieke steun. Menige radja (plaatselijke vorst) liet hen ongemoeid. Zonder al die medewerking werkte thuggee, zoals hun stiel heette, niet. Net zoals de georganiseerde misdaad van vandaag zonder steun van de bovenwereld niet floreert.


  Nagenoeg ongrijpbaar

Nu valt het in de huidige digitale wereld niet mee om gangsters als ‘Don’ Dawood, Chotta Chakeel e.a. uit te schakelen. Ze bestieren hun maffiapraktijken vanuit de Golfstaten, of vanuit een jacht dat voor de kust vaart. De thugs, opererend in Noord- en Centraal India, tussen ruwweg 1600 en 1850, roofden te voet of soms te paard. Om ontdekking te voorkomen het liefst ver van huis. Ze deden alsof ze zélf ook onderweg waren. Reizigers die zij tegenkwamen stelden zij voor om sámen verder te reizen. Onder het mom van veiligheid en gezelligheid. Eenmaal hun vertrouwen gewonnen, brachten zij hen op een stille plek door wurging om het leven, om hen daarna te beroven. De onherkenbaar verminkte lijken werden begraven of in een put gegooid. Vaak honderden kilometers van hun eigen dorp verwijderd trokken de thugs al rovend verder. Na weken, soms maanden, keerden ze weer naar hun dorp terug. Ruim twee eeuwen terroriseerden tientallen bendes thugs ruim tweeduizend kilometer aan Indiase wegen en karrensporen.


  Geen aan Kali gewijde sekte

Totdat de East India Company er zelf last van begon te krijgen en hen een halt toeriep. We schrijven dan 1830-1840. In zijn boek Roofmoordenaars (Arbeiderspers, 2006) vertelt Mike Dash het ‘ware verhaal van Indiaas moorddadige sekte’. Zijn ‘grondig onderzoek en beeldende stijl resulteren in een onweerstaanbare thriller, die de meeste fictie in spanning ver overtreft’, aldus de wervende achterflap. Inderdaad, ook Dash ontkomt niet
Thuggee-stijl: een slachtoffer wordt verleid zijn hals bloot te geven door hem enthousiast op de sterrenhemel te attenderen. Omslagillustratie Roofmoordenaars (Mike Dash, 2006)
aan romantisering. Al ontzenuwt hij wél de mare als zou voor de thugs eredienst aan Kali het centrale motief zijn geweest voor hun wurgpartijen. Kali, de godin met mensenschedels om haar hals, was slechts hun favoriete beschermgod. Zoals voor anderen Krishna of Rama. Net als ieder ander hielden de thugs er bezweringsrituelen op na. Wetend dat voorspoed zo maar om kon slaan in haar tegendeel, luisterden ook zij naar voortekenen, namen ook zij taboes in acht. Alleen met dit verschil: het ging hen om het welslagen van hun moorddadige praktijken. Zodra het om een aanzienlijke buit ging, lieten zij voortekenen en taboes even gemakkelijk weer los. De thugs waren geen aan Kali gewijde sekte, zoals hardnekkig wordt beweerd. Het waren geen rituele moorden die zij pleegden. Wie of wat waren zij dan wel?


  Welhaast erfelijke sociopathen

Dash leverde een grootse prestatie, ook vanwege het fascinerend doorkijkje in de nadagen van de East India Company. Hoe het doortrapt sluwe en gruwelijke gedrag van de thugs te rijmen viel met hun vaak onberispelijke gewone leven thuis, is een vraag die Dash echter laat liggen.

Dr. Cheek, die woonde in een gebied waar de East India Company op zoek was naar een thugswurger van de ergste soort, had een bediende die voor zijn kinderen zorgde. Die deed dat zorgzaam en teder. Elk jaar vroeg hij een maand verlof. Dan bezocht hij zijn bejaarde moeder. Eenmaal terug hervatte hij zijn taak. Even gewetensvol en vriendelijk als voordien. Deze voorbeeldige man ... bleek geen ander dan een berucht misdadiger. In plaats van naar zijn moeder te gaan wijdde hij zich iedere twaalfde maand aan wurging ... (vrij naar Dash)

Met een diagnose als sociopathie, gewetenloosheid in niet zelden charmante verpakking, zou hij dicht in de buurt zijn gekomen. Samenwerkend in bendes, dwars door kasten en religie heen, was die sociopathie van collectief-dwingende aard. Misdaad ging over van vader op zoon. Het was deze welhaast erfelijke sociopathie die de thugs deed afwijken van ‘gewone’ rovers (dacoits). Gaandeweg moeten de thugs steeds beter in staat zijn geweest om in de warmste tijd, driekwart van het jaar, van hun misdaden te dissociëren. Pseudo-religieuze argumenten hielpen hen daarbij. Zo antwoordde een moslimthug op beschuldiging van wurging: “Ik heb niemand gedood, hoe zou ik kunnen wanneer Hij dat niet wilt?”


  Retardatie

Menig hindoewurger verontschuldigde zich voor zijn praktijken inderdaad met een beroep op Kali. De lijken waren voor haar. Wie omkeek stoorde haar bij haar maal en zou dat ongetwijfeld bezuren. De werkelijkheid was anders: bij voorkeur begroeven zij de lichamen. Of zij dumpten ze in de dichtstbijzijnde put. Het waren de thugs zélf die bedrogen, roofden, moordden en verminkten. Geen Kali die daar de opdracht toe gaf. Eerder was wat thans ‘retardatie’ heet, daar debet aan: terugval naar een eerder stadium van ontwikkeling. Grepen de thugs noodgedwongen, aanvankelijk wellicht slechts een enkele maal, terug op een bestaansvorm uit een tijd waarin soortgenoten van elders, als de nood aan de man kwam, geen medemensen waren, maar middelen van bestaan, geleidelijk kwam er gewenning in het spel. Gewenning ook aan de materiële voordelen ervan. Toen ook nog eens bleek hoe moeilijk hun daden traceerbaar waren... toen moet het zijn geweest dat hun stiel geboren werd.


  Harteloos en dom

Tijd om ons verhaal af te ronden. Waarom wordt misdaad geromantiseerd, was de vraag. Een sluitend antwoord daarop gaven wij niet. Voor zover het India betreft, speelt troost bieden een rol. Troost voor de last te moeten leven binnen die belemmerende netwerken van onderlinge gebondenheid. Heiligen en boeven, door de media uitvergroot, laten het zien: de kluwen van onderlinge verplichtingen, het verstikkende ‘niets voor niets’, dat alles hoeft je niet te bezoedelen, je kúnt er zélf de heerschappij over voeren. Heiligen, in India: gurus, sadhus en asceten, daarvoor opvoeren is nog tot daar aan toe, van misdadigers helden maken gaat echter vele malen te ver. Al was het alleen maar vanwege de slachtoffers en hun nabestaanden. Niet alleen harteloos is het, gewetenloos haast, dom is het ook. Ook wat ons als publiek betreft. Althans wanneer wij er in meegaan. Wat ieder van ons wel eens doet, helaas. Wat dom is, inderdaad. Immers: door er al gruwend van te genieten plaatsen we de misdaad buiten ons. Sinds Freud weten we dat het precies dán zaak is om naar binnen te kijken.


Anthony Draaisma


*) Ontleend aan een bespreking in India Nu 146 (2003) van Children of Kali, een soortgelijk, doch eerder verschenen, boek als dat van Mike Dash, van de hand van Kevin Rushby (Constable and Robinson, London 2003). Rushby typeert het verschil tussen zijn benadering en die van Dash als volgt: ‘His (Dash) is a decent account of the colonial view of thuggee, but that is a view that I myself regard as flawed. When I (Rushby) wrote on thuggee from an Indian perspective, it elected venomous responses in the UK - old colonial attitudes die hard’ (privé correspondentie).



terug
Maatschappelijk verantwoord ondernemen
HOME Landelijke India Werkgroep
tijdschrift INDIA NU
Landelijke India Werkgroep - 3 februari 2011