terug
Uit: India Nu 77 (mrt-apr 1992)


'Mag het ietsje minder zijn?'

Een andere visie op LIW-campagne
'Werk Tegen Armoede'



Onlangs verscheen in het tijdschrift Derde Wereld (no. 1991-3) een artikel van Fons van der Velden onder de titel "India: Tussen hoop en wanhoop". In het artikel wordt aandacht geschonken aan de toenemende spanningen tussen religieuze groeperingen binnen India; de aard en omvang van de chronische annoede in India; en tot slot de politieke onwil van de heersende partijen om deze twee, voor de armste bevolkingsgroepen in India cruciale problemen, daadwerkelijk aan te pakken.
Voor wat betreft oplossingen merkt de auteur in het artikel op: "In een land dat volgens het Wereldbankrapport van 1990 in het jaar 1987 slechts 0,7 procent van het bruto nationaal inkomen als buitenlandse hulp ontving en waar de overheid zelf 19,3 procent van de staatsuitgaven bestemt voor defensiedoeleinden, tegen 2,9 procent voor onderwijs en 1,8 procent voor gezondheidszorg, zullen de veranderingen van binnenuit moeten komen". Van der Velden voegt hier in een voetnoot aan toe: "Een campagne 'Werk tegen annoede', zoals die van de Landelijke India Werkgroep, waarbij gepoogd wordt om via de Nederlandse overheid bij de besprekingen omtrent de besteding van de bilaterale hulp 'druk uit te oefenen' op de Indiase regering om meer aandacht te schenken aan werkgelegenheidsprogramma's voor in het bijzonder landlozen is mijn inziens dan ook niet erg praktisch en bovendien principieel onjuist omdat het hier een interne aangelegenheid betreft in een redelijk functionerende parlementaire democratie".
Op verzoek van de redactie van
India Nu licht Fons van der Velden (werkzaam bij medefinancieringsorganisatie ICCO en lid van de LIW) zijn standpunt toe.


Solidariteit

De Derde Wereldbeweging in Nederland bestaat uit een nogal bonte verzameling van verschillende groeperingen, instituten en personen. Binnen deze beweging bestaat dan ook geen eenduidig standpunt ten aanzien van de Nederlandse ontwikkelingshulp. De meningen lopen uiteen van een ongeconditioneerd pleidooi voor méér hulp, tot een totale afwijzing van iedere assistentie. Bij wat als het humanitaire standpunt aangeduid kan worden, wordt gepleit voor meer hulp aan Derde Wereldlanden op basis van een moreel-humanitaire motivatie. Men zoekt aansluiting bij uitspraken van de Verenigde Naties (o.a. de verklaring van de rechten van de mens), en het is veelal een kwestie van persoonlijke betrokkenheid. Naar aanleiding van de discussies over de wereldhandelsstructuur rond UNCTAD II ontstond er aan het einde van de jaren zestig kritiek op de kwaliteit van de Nederlandse hulp, en wordt vanuit wat genoemd kan worden de arm-rijk benadering een pleidooi gehouden voor meer hulp 'maar dan wel betere' en geen hulp 'zonder sociale veranderingen'. Later ontstond vanuit in het bijzonder de studentenbeweging de zogenoemde solidariteitsbenadering: 'ontwikkelingshulp is in wezen iets goeds, maar mag niet aan het bedrijfsleven ten goede komen'. Tot slot zijn er mensen die de hulp vanuit het Westen louter definiëren als verlengstuk van een ('imperialistische') buitenlandse politiek. Ontwikkelingshulp wordt gezien als een 'bepaalde vorm van staatsingrijpen die belemmeringen opruimt en het functioneren van buitenlandse activiteiten van bedrijven vergemakkelijkt.' (Anti-imperialisme benadering)


LIW en conditionaliteit

De activiteiten die door de Landelijke India Werkgroep vanaf de oprichting in 1977 worden uitgevoerd, passen bij de hierboven aangeduide solidariteitsbenadering. In het colofon van dit tijdschrift stond dan ook tot voor kort te lezen: "De Landelijke India Werkgroep stelt zich tot doel kritische informatie te verspreiden over ...gebeurtenissen in India... Hierdoor tracht zij ...het Nederlandse publiek tot meer solidariteit met (progressieve) bewegingen in India aan te zetten". Acties tegen de levering door Nederlandse ondernemingen - met gelden van het Ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking - van trawlers (1980-81) en kunstmest (1982) getuigen van deze benadering. Toch heeft deze benadering het gevaar van een zekere tweeslachtigheid ("zijn we nou vóór of tégen de activiteiten van het Ministerie") en soms paternalisme in zich ("wij weten wat goed is voor de Derde Wereld").
Deze dilemma's kwamen bijvoorbeeld tijdens de door de LIW in 1987 gevoerde campagne 'Melk India niet uit!' helder naar voren. Bij deze actie werd o.a. gepleit voor een afbouw van de Europese zuivelhulp aan India binnen twee jaar; de in deze periode gegeven hulp zou aan twee voorwaarden moeten voldoen: "verhoging van de melkprijs die aan melkveehouders in India wordt betaald" en "geen zuivelhulp voor flesvoeding". Verder werd o.a. aan de Europese Gemeenschap gevraagd "ervoor te zorgen dat de fondsen die beschikbaar komen uit de verkoop van de zuivelhulp in India, niet gebruikt worden voor het kruisingsprogramma van Indiase koeien met Westerse veerassen". Twee Indiase wetenschappers reageerden met ingezonden brieven in de India Nieuwsbrief (nr 43) sterk tegen deze vorm van conditionaliteit. Usha Menon (oud-bestuurslid van de LIW) schreef o.a. "Ik wil een pleidooi houden tegen elke vorm van conditionaliteit ... als het falen van hulp toe te schrijven is aan de interne omstandigheden, dan kan en mag men niet verwachten dat de donorlanden de interne structuren in India gaan veranderen ... het is onverantwoord dat Westerse regeringen, die overigens ook in hun eigen land niet begaan zijn met het lot van de arme mensen, de interne structuren in India gaan aanpakken". Zij besluit haar betoog met: "Actiegroepen kunnen een grote bijdrage leveren precies door het terugbrengen van de voorwaarden die met de hulp aan ontwikkelingslanden gepaard gaan en niet door op te komen voor nog meer voorwaarden, hoe goed die ook bedoeld zijn".
Een soortgelijk betoog werd in hetzelfde nummer gehouden door Narendra Singh die na een bezoek aan de LIW-groependag 1986 vaststelde dat "een missionaire goedwillige houding domineerde ... er was een overvloedige behoefte om iets voor de armen dáár te doen, maar dan wel volgens de opvattingen die hier leven en de beslissingen die hiér genomen worden".
Hij pleitte voor "geen afbreuk aan het zelfbeschikkingsrecht van India" en stelde "het stellen van voorwaarden aan hulp is volstrekt onaanvaardbaar en moet beslist niet gesteund worden".

Soortgelijke geluiden werden vanuit India ontvangen o.a. van een groep uit Bangalore, die als persiflage op de India Committee in the Netherlands The Netherlands Committee of India oprichtte en op een ludieke manier tegen het Nederlandse paternalisme protesteerde.
Een LIW-medewerker reageerde, in India Nieuwsbrief nr 44 (sep-okt 1986), op deze kritiek met de opmerking dat hulp "altijd gepaard gaat met een zekere vorm van conditionaliteit. Ik vind het streven naar hulp met minder voorwaarden een onwenselijk uitgangspunt voor de besteding van de hulp".


Werk Tegen Armoede

Het is in het licht van deze voorgeschiedenis betreurenswaardig dat na veel discussie binnen het bestuur van de LIW en kritiek van buiten de vereniging, met de in eind 1990 gestarte, en in 1991 uitgevoerde campagne 'Werk tegen armoede' opnieuw dezelfde fouten werden gemaakt. "Algemeen doel van de campagne is om de 250 miljoen Indiase landarbeid(st)ers en hun gezinnen tot de belangrijkste doelgroep van de Nederlandse en Europese ontwikkelingssamenwerking te maken" werd eind 1990 in dit blad (nr 69) gemeld. In de begeleidende actiebrochure worden als actiepunten genoemd: "Maak landarbeiders de belangrijkste doelgroep van de hulp; besteedt de hulp aan werkgarantie voor landarbeiders; gebruik schuldkwijtschelding voor werkgarantie". Alleen het taalgebruik verschilt enigszins van 1987, nu heet het: "Van India kan dan gevraagd worden ... de hulp geheel te besteden aan programma's ter verbetering van de positie van armste groeperingen". Ondanks deze cosmetische veranderingen in de presentatie blijft staan dat hier door een Nederlandse actiegroep bij het verlenen van ontwikkelingshulp wordt aangedrongen op een inmenging van buiten op het beleid van een redelijk functionerende parlementaire democratie. Dit is niets anders dan een moderne vorm van paternalisme of, zoals u wilt, neo-kolonialisme.


'Peanuts'

Afgezien van het voorafgaande is er nog een tweede reden waarom de campagne van de LIW niet in de haak is. Het belang van de buitenlandse hulp is voor de Indiase economie in de loop der jaren aanzienlijk afgenomen en bedroeg, volgens cijfers van de Wereldbank, in 1987 slechts 0,7 percent van het bruto nationaal produkt. (Voor een aantal andere landen waaronder Bangladesh (10%) is dit cijfer veel hoger.) Van het totaal aan buitenlandse hulp leverde Nederland aan giften en schenkingen volgens cijfers van de Indiase overheid zegge en schrijve 1,95% in 1987-88 en 0,0483% in 1988-89. Afgezien van ideologische bezwaren is het gebruik van 'money power' in het licht van deze cijfers een niet erg realistische optie. De Indiase Minister van Financiën ligt er niet wakker van als de Nederlandse hulp zou wegvallen.
Bovendien wordt op deze wijze, door het verkopen van illusies, niet bijgedragen aan het vergroten van het inzicht van de Nederlandse bevolking in de werkelijke achtergronden van problemen van onderontwikkeling en afhankelijkheid.
Het zou wellicht beter zijn als de LIW zich wat meer zou concentreren op voorlichtings- en bewustwordingsactiviteiten in Nederland, en haar lobbypraktijken zou beperken tot de Nederlandse overheid, de Europese Gemeenschap of het Nederlandse bedrijfsleven zónder deze te verzoeken 'druk uit te oefenen' op een soevereine staat die geregeerd wordt door een democratisch gekozen regering.


Vraagtekens

Tot slot zijn er bij de 'recht op werk-maatregelen' zelf de nodige inhoudelijke vraagtekens te plaatsen, zoals onlangs in dit blad (nr 75, nov-dec 1991) door een aantal (Indiase) wetenschappers werd opgemerkt. Gaat het gezien de aard en omvang van de armoedesituatie van de armen op het Indiase platteland niet veel meer om recht op toegang tot produktiemiddelen zoals land? Waarom geen campagne voor landhervormingen in plaats van recht op werk? Verder: waarom bestaat er veelal een verschil in beloning tussen mannen en vrouwen? In het laatste Wereldbank-rapport over India wordt een sterk pleidooi voor de 'recht op werk-maatregelen' gehouden, maar er wordt wel meteen aan toegevoegd dat het niet verantwoord is om het wettelijk voorgeschreven minimumloon uit te betalen. Waarom moeten armen werken aan gemeenschapsvoorzieningen - die ze zelf veelal niet zullen of kunnen gebruiken - voor een loon dat 'te veel is om van dood te gaan en te weinig om van te leven'? Waarom wordt het programma, zoals Chhaya Dattar [een belangrijk sociaal wetenschapper en actievoerder, red.] terecht opmerkt, zo sterk van bovenaf, en niet gedecentraliseerd op een veel meer participatorische wijze uitgevoerd?
Het streven van de LIW om ontwikkelingssamenwerking op de agenda te houden is lovenswaardig evenals pogingen tot 'solidariteit met het Indiase volk'. Alleen de keuze van campagnes om deze doelstelling te bereiken, zal in de toekomst wat zorgvuldiger moeten geschieden.

Fons van der Velden



Voor een LIW-reactie op dit artikel, zie Ontwikkelingshulp: geen blanco cheque - Kritiek op campagne 'Werk tegen Armoede' misplaatst.




begin document

tijdschrift India Nu

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 15 juli 2008