terug
Uit: India Nu 137/138 (mei-aug 2002)



LIW-bijeenkomst

Hindoes en moslims in India: hoe moet het verder?


Op zaterdagmiddag 25 mei organiseerde de Landelijke India Werkgroep een bijeenkomst over de op scherp gezette verhouding tussen de hindoes en moslims van India. Directe aanleiding vormde de geweldsexplosie in Gujarat. Sprekers waren de Indiase mensenrechten- en vredesactivist Imran W. Ahmad, en Jan Breman, emeritus-hoogleraar niet-westerse sociologie en kenner van Gujarat. Ook de kwestie-Kashmir kwam ruim aan bod.

Terecht krijgt het conflict tussen India en Pakistan wereldwijd veel media-aandacht. Weten de buurlanden een nieuwe oorlog rond Kashmir te vermijden? En zo niet, ziet Pakistan zich dan - door militaire logica en de conventionele overmacht van India - genoodzaakt tot nucleaire escalatie? Terwijl westerlingen de regio begin juni ontvluchtten en hun leiders pressie uitoefenden op beide kemphanen om hun toon te matigen, joegen kranten hun lezers schrik aan met doemscenarios van twaalf tot achttien miljoen slachtoffers, alleen al in de Gangesdelta. Hoewel de spanning inmiddels iets lijkt afgenomen, blijft de situatie zeer ernstig.


Kind van de rekening

Minstens even rampzalig voor de toekomst van het subcontinent is de polarisatie tussen hindoes en moslims binnen India. Voort gestuwd op de golven van de opgerakelde Ayodhya-campagne, de terroristische aanslag van 13 december op het parlement, de Godhra-treintragedie van eind februari (zie India Nu 136) en het opvlammen van de Kashmir-kwestie, heeft de 'saffranisering' van India in het kielzog van 11 september een grote vlucht genomen. Net als in veel andere landen, is de strijd tegen het (moslim)terrorisme ook in India verworden tot synoniem voor een strijd tegen de islam in zijn geheel. Het hindoenationalisme profiteert. Afgezien van het kortstondig en met afschuw melding maken van de pogroms in Gujarat, lees of hoor je in de internationale media maar weinig over dit toenemende fundamentalisme onder niet-moslims. Zelfs nu dat tot structureel geweld, verdrijving, getto-vorming en apartheid leidt, zoals in Gujarat.

Moslim-Indiërs worden in het overwegend hindoeïstische India het kind van de rekening. Zij dreigen vermalen te raken tussen de vijandschap van buurland Pakistan, de haat en agressie van hindutva-propagandisten, de onverschilligheid van een zwijgende meerderheid (in binnen- én buitenland), en de achterdocht van de eigen overheidsorganen. Het staatsapparaat neigt ertoe in elke moslim een potentiële terrorist of spion van Pakistan te vermoeden en zet steeds zwaardere repressiemiddelen in, waaronder de onlangs aangenomen Prevention of Terrorism Act. In Gujarat zitten 150.000 moslims feitelijk opgesloten in armzalige vluchtelingenkampen, zonder veel perspectief op terugkeer naar hun werk of huizen. Voor zover die er nog zijn.


Grote zorgen

Op zaterdag 25 mei, wijdde de Landelijke India Werkgroep het middaggedeelte van haar algemene ledenvergadering aan de op scherp gezette verhouding tussen de hindoes en moslims van India. In een Utrechts bovenzaaltje van De Poort van Kleef verzamelde zich een gezelschap van LIW-leden, donateurs en abonnees van dit tijdschrift, om te luisteren naar twee sprekers: Imran W. Ahmad en Jan Breman. Beide maken zich grote zorgen over de situatie in India. Ahmad als Indiase mensenrechten- en vredesactivist en zelf moslim. Emeritus-hoogleraar niet-westerse sociologie Breman als kenner van Gujarat.

Wat opvalt rond de vreselijke gebeurtenissen in Gujarat, is de wijdverbreide onverschilligheid onder grote delen van de bevolking, vooral de middenklasse. Volgens Jan Breman is dit anders dan bij de rellen van tien jaar geleden, toen een afkeer van communaal geweld en haat in aanzienlijk bredere kring werd gevoeld en uitgesproken: 'De meerderheid lijkt zich niet te schamen over de gruwelijkheden die hebben plaatsgevonden. Eerder valt een zekere voldoening of instemming te beluisteren. Zo van: "Die moslims hadden wel een lesje verdiend na alles wat ze ons hebben aangedaan. Ze moeten maar weten dat ze in een hindoeland leven."'


Vogelvrij

Breman verblijft geregeld in Ahmedabad en andere plaatsen in Gujarat voor zijn onderzoek naar arbeidsrelaties aan de onderkant van de Indiase economie. Zowel begin jaren negentig als dit voorjaar was hij ter plaatse toen het geweld vrijelijk rondwaarde. Breman: 'Het grote verschil was dat nu de door de BJP geleide deelstaatoverheid, onder

Jan Breman, emeritus-hoogleraar niet-westerse sociologie en kenner van Gujarat (foto: xxx)
aanvoering van chief minister Narendra Modi, niet eens de moeite nam om te proberen de orde te herstellen. Integendeel: de moslimminderheid werd door de politieke vleugel van de hindutva-beweging vogelvrij verklaard. De straat werd feitelijk vrijgegeven voor de jacht.'

En die jacht zelf, die bleek door fanatieke leden van de BJP en (andere) Sangh Parivar-organisaties als de RSS, VHP en Bajrang Dal goed voorbereid, vaak met hulp van overheidsdiensten. Breman schetst een angstaanjagend beeld van dit planmatige karakter van de Gujarati 'Kristallnachten'. Niet alleen bleken er zeer gedetailleerde hit-lijsten van moslimslachtoffers klaar te liggen voor gebruik, maar ook in de logistiek rond het geweld was goed voorzien. Zo was overduidelijk sprake van een organisatie in ploegen, en doken er schijnbaar toevallig moord- en sloopmiddelen (gascylinders, bulldozers, etc.) op. Steeds net daar waar ze van pas kwamen. Politie en andere overheidsdiensten kozen veelvuldig de kant van de aanvallers of kwamen ondanks roepen om hulp niet opdagen. Functionarissen die wel hun werk wilden doen, werden op een zijspoor gezet.


Politiek-economische factoren

In Breman's analyse van de oorzaken van de communale geweldsuitbarstingen in Gujarat, zijn het niet religieuze verschillen die de kern vormen. Achter de machinaties die hebben geleid tot het aanwakkeren van tegenstellingen tussen hindoes en moslims, ziet Breman uiteindelijk vooral politiek-economische factoren. Dat BJP-politici en andere hindoenationalisten, grotendeels afkomstig uit hogere kasten en de stedelijke middenklasse, erin zijn geslaagd om juist in deze deelstaat zoveel 'voetvolk' te mobiliseren voor het opknappen van hun vuile werk, is terug te voeren op de economische situatie in Gujarat, als 'speeltuin' van globalisering.

Gujarat is gewild bij buitenlandse kapitaalverschaffers en kent een hoge groei, maar die is zeer eenzijdig. Zij creëert haast uitsluitend werk in de informele sector. Was Ahmedabad eens 'het Manchester van India', de laatste decennia sloten steeds meer textielfabrieken hun deuren. Meer dan honderdduizend mensen kregen ontslag. Het overgrote deel van de verarmde ex-arbeiders moet zijn geld bijeen zien te scharrelen door op straat, van dag tot dag, de eigen arbeid te verkopen. Veroordeeld tot seizoens- en conjunctuurgebonden baantjes tegen stukloonvergoeding, moeten zij genoegen nemen met extreem schamele inkomsten om zichzelf niet uit de markt te prijzen. Met hun vaste dienstbetrekking verloren de arbeiders de waardigheid van vast werk, evenals bestaanszekerheden als (hoe karig ook) pensioen, verzekering, etc.

De teloorgang van de textielindustrie heeft volgens Breman het sociale raamwerk vernietigd dat mensen op 'de bodem van de stedelijke economie' met elkaar vervlocht. Vakbonden, gedeelde woonlocaties en andere sociale organisatievormen verbonden de moslimwevers en hindoespinners met elkaar. Ook vroeger waren er spanningen en onlusten, maar regelmatige contacten en onderlinge solidariteit tussen de werkers voorkwamen dat het zo uit de hand liep als nu. Breman: 'Het "succes" van de BJP is dat het verpauperde voetvolk, het "lompenproletariaat", dat nu de aanvallen uitvoerde, bestond uit dalits, lage-kastenhindoes en tribalen. Veelal dezelfde mensen die vroeger in de fabrieken naast de moslims werkten. Mobilisering op basis van kaste en religie begon al onder Congress. Maar de hindutva-beweging heeft de tribalen en lagere kasten bij hen weggetrokken en ze ingelijfd in de eigen achterban. "Lagere" hindoes wordt voorgehouden dat ze door de hogere kasten worden aanvaard als (tweederangs)hindoes, als ze zich maar bewijzen door zich te keren tegen niet-hindoes.' Vooral de gettovorming en de oproepen, na de pogroms, tot een economische boycot van moslims, baren Breman grote zorgen. Steeds meer hindoes en moslims groeien op in volledig gescheiden werelden.


Historische duiding

Spreker Imran Ahmad kiest ervoor de spanningen tussen moslims en hindoes voornamelijk historisch te duiden. Zijn verhaal laat zich samenvatten tot drie verklaringsrichtingen. In de eerste plaats is de religieuze identiteit van hindoes en moslims sterk gestimuleerd door de verdeel- en heerspolitiek van de voormalige Engelse machthebbers. Vooral na 1857 hebben zij veel maatregelen genomen die religie voor de Indiërs tot een onderscheidend criterium hebben gemaakt (en moslims tot een minderheid in eigen land).


De Indiase mensenrechten- en vredesactivist Imran W. Ahmad (foto: xxx)
De Mutiny van 1857, India's eerste opstand tegen het imperialisme, werd aangevoerd door moslims. De Engelse straf hiervoor was (o.a.) dat moslims twee jaar lang niet in Delhi mochten komen. Andere voorbeelden zijn de invoering van het Devanagari-schrift, en de splitsing door Lord Curzon, in 1905, van Bengalen in een oostelijk en westelijk deel op basis van religie. Maar het meest desastreus was het instemmen met de deling van India en Pakistan in 1947 door Lord Mountbatten, de laatste Viceroy. Ahmad: 'This was the biggest mistake, the saddest point in history.' Deze 'terrible tragedy', die miljoenen levens heeft gekost, duurt tot op heden voort in de vijandige relatie tussen India en Pakistan. En die legt een zware hypotheek op de relatie tussen hindoes en moslims in India.

Een tweede historische verklaring die Ahmad geeft, is slecht leiderschap. Deels van de leiders van de Congrespartij, deels van de moslimelite in onafhankelijk India. Volgens Ahmad heeft Congress rond de onafhankelijkheid teveel toegegeven en teveel compromissen gesloten om de deling met Pakistan erdoor te krijgen. De 130 miljoen (12%) moslims die in India achterbleven, werden een gemakkelijke zondebok voor hindoes die zich over die concessies opwonden. Ondertussen probeerde de moslimelite zich, aldus Ahmad, te distantiëren van de moslimmassa. Hierdoor zou ze zich hebben vervreemd van de eiegen achterban, die bij verkiezingen steevast koos voor de meest seculiere partij.

De derde verklaring die Ahmad uitwerkt, is de opkomst van de 'poisonous' hindutva-ideologie, die voor een kleine, maar fanatieke minderheid onder de hindoes kennelijk zeer aantrekkelijk is. Ahmad gaat in op de opkomst, ideeën en daden van met name RSS en Shiv Sena. Beide groeperingen stelt hij vrijwel op één lijn met het nazisme, gezien de militante en absolutistische manier waarop ze het hindoeïsme herinterpreteren. Zij zouden in India een vergelijkbare 'zuivering' prediken ten aanzien van moslims en andere niet-hindoes als Hitler en de zijnen in Duitsland deden ten aanzien van joden. 'Racepride at its highest', concludeert Ahmad. Dat dit polariserend werkt op de verhouding tussen moslims en hindoes laat zich raden.


Vijanddenken

Grootste probleem voor die verhouding blijft volgens Ahmad het Indiase vijanddenken tegenover Pakistan en de moeizame relatie tussen deze beide landen. Hierdoor krijgt de argwaan tegenover moslims ook momentum buiten een beperkte kring van hindoe-fanatici. 'Bijna alle moslims in India hebben familie in Pakistan. Hoewel dat zeker niet betekent dat zij vóór Pakistan zijn, kan de houding van moslims tegenover Pakistan nooit hetzelfde zijn als die van hindoes.' Zolang de kwestie-Kashmir niet is opgelost, blijven hindoes een link leggen tussen Pakistan en de moslims van India. Er moet dus een oplossing komen voor Kashmir. Maar welke dat is, kan ook Imran Ahmad niet voorzien.

Hij verwijt de Indiase overheid nooit echt beleid te hebben gevoerd inzake Kashmir. 'Het centrale leiderschap heeft altijd gedacht dat het met geld op te lossen was. De lokale elite is door het centrum zwaar geïncorporeerd en er heerst veel corruptie. Er is maar één eerlijke verkiezing geweest, die van 1952. Dit alles heeft geleid tot vervreemding tussen de bevolking van Kashmir en de Indiërs in het algemeen. Welke oplossing er ook komt, de bevolking in de regio moet een duidelijke stem krijgen in het geheel, zodat Kashmir een integraal deel wordt van democratisch India in plaats van dat sprake is van een soort militaire bezetting.'


Geen 'uphill fight'

In Gujarat, stellen beide sprekers, zouden Indiase én buitenlandse hulpinstanties ondertussen veel meer moeten doen dan nu om de desastreuze situatie in de moslimvluchtelingenkampen te verlichten. Gezien de bevoorrechte positie van de deelstaat in onze ontwikkelingsrelatie met India, en het belang dat Nederland zegt te hechten aan 'goed regeringsbeleid', heeft onze eigen regering daarbij een belangrijke taak. Door scherpe voorwaarden te stellen zou de hulp moeten worden gekanaliseerd in de richting van investeringen in de seculiere civic society.

Hoewel de huidige situatie anders doet vermoeden, benadrukt Jan Breman dat het bestrijden van de hindutva-ideologie geen 'uphill fight' is. 'Wat helpt is te begrijpen dat de meeste hindoes dit niet willen. Het secularisme zit dieper dan je dacht, want het hindoeïsme is gekleurd door tolerantie, pluriformiteit en syncretisme.' De eigenlijke politieke agenda is volgens de oud-hoogleraar een sociaal-economische, en juist op dat vlak heeft de regeringspartij BJP veel krediet verspeeld, getuige de diverse verloren deelstaatverkiezingen van de laatste tijd. 'De werkelijke strijd is en blijft die tegen armoede, want arme mensen kunnen nu eenmaal gemakkelijk gemobiliseerd worden voor andermans doeleinden.'

xxx


terug
begin document
HOME Landelijke India Werkgroep
tijdschrift INDIA NU
Landelijke India Werkgroep - 13 augustus 2002