terug
Uit: India Nu 75 (nov-dec 1991)


Nederland wil landarbeiders steunen

Wetenschappers pleiten voor werkgarantie



Landarbeidersbonden en ontwikkelingsorganisaties gaan binnenkort opnieuw de straat op om van de nieuwe regering werkgarantie voor landarbeiders te eisen. Ze hebben de morele steun van de deelnemers aan de recente conferentie 'Naar recht op werk', waaraan veel gerenommeerde wetenschappers, hoge ambtenaren en vertegenwoordigers van landarbeidersorganisaties deelnamen. De belangrijkste conclusie van de conferentie, gebaseerd op een Indiaas-Nederlands onderzoek naar de effecten van werkgelegenheidsprogramma's, was dat nationaal werkgarantieprogramma voor de armen op het platteland dringend noodzakelijk is. De Indiase regering lijkt niet helemaal ongevoelig voor hun advies. In januari onderzoekt een team van Indiërs en Nederlanders op verzoek van minister Pronk hoe Nederland zou kunnen bijdragen aan nieuwe werkgarantieprogramma's.
Gerard Oonk bezocht de conferentie en bericht over de recente ontwikkelingen die voor de 100 miljoen Indiase landarbeiders van groot belang zijn.


Landlozen

"De landlozen in India zijn de nieuwe paria's, zelfs als ze oorspronkelijk niet tot de zogenaamde 'onaanraakbaren' behoorden. De armen in de Indiase dorpen worden gehaat door de niet-armen. Niet de armoede, maar de armen zelf zijn voor hen het probleem". Deze harde woorden sprak hoogleraar Jan Breman van het Centrum voor Azië Studies van de Universiteit van Amsterdam tijdens de conferentie 'Naar recht op werk - Indiase en internationale ervaringen met programma's voor openbare werken'. Breman baseert zijn uitspraken op onderzoek dat hij de laatste 25 jaar in de deelstaat Gujarat heeft gedaan. Als sprekende illustratie van de afkeer van de armen gaf Breman het voorbeeld dat de grotere boeren in een dorp waar hij onderzoek doet vaak geen landarbeiders uit het eigen dorp inhuren voor werk, maar er liever migranten voor aantrekken die na gedane arbeid weer verdwijnen. Met hun 'eigen armen' willen ze zo min mogelijk geconfronteerd worden.

De conferentie 'Naar recht op werk' in de Indiase stad Ahmedabad was gebaseerd op een gezamenlijke studie van Dr. Indira Hirway, professor economie aan het Gandhi Labour Institute in Ahmedabad en Dr. Piet Terhal, wetenschappelijk medewerker bij het Centrum voor Ontwikkelingsprogrammering van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Hirway en Terhal hebben in hun onderzoek, dat werd verricht binnen het Indiaas-Nederlandse Programma voor Alternatieven in Ontwikkeling (IDPAD) waarin Indiase en Nederlandse wetenschappers samenwerken, een aantal werkgelegenheidsprogramma's in verschillende landen met elkaar vergeleken. Dat varieerde van het Werkgarantie Programma in Maharashtra en loonarbeidsprogramma's in de deelstaten Gujarat, West Bengalen en Karnataka, tot het Chinese commune-systeem en de Nederlandse werkverschaffing in de jaren dertig. Het onderzoek van Hirway en Terhal heeft zich echter niet beperkt tot een vergelijkende studie van deze programma's. Aan het eind van het rapport gaan ze, gebaseerd op hun onderzoeksresultaten, ook uitgebreid in op de haalbaarheid van een nationaal werkgarantieprogramma in India. Dat tilde de conferentie duidelijk uit boven een routine bespreking van een interessant onderzoeksrapport. Het bleek ook uit de samenstelling van de conferentiedeelnemers: gerenommeerde sociologen en economen, hoge ambtenaren en activisten van vakbonden en ontwikkelingsorganisaties bogen zich drie dagen over het scheppen van massale werkgelegenheid en werkgarantie als bijdrage aan armoedebestrijding.


Rol van overheid

Indira Hirway benadrukte tijdens de conferentie dat volledige werkgelegenheid en 'recht op werk' alleen tot stand kan komen door een macro-economisch groeiproces op lange termijn. De armen kunnen daar echter niet op wachten en daarom moeten zij geholpen worden met speciale werkgelegenheidsprogramma's. Dit geeft niet alleen de armen werk en inkomen, maar het draagt ook bij aan produktieve investeringen en openbare werken die vervolgens zelf weer werk scheppen. Ook de Amerikaanse hoogleraar John Thomas van de Harvard Universiteit meent dat de staat hier een belangrijke rol heeft en zich niet mag verschuilen achter het dogma van de terugtredende overheid. Thomas: "Werkverschaffingsprogramma's werken het beste werken als ze worden gecombineerd met andere maatregelen zoals land- en belastinghervormingen en meer nadruk op de arbeidsintensive industrie". Als dat op kortere of langere termijn niet gebeurd dan blijven programma's voor openbare werken doekjes voor het bloeden. Breman gaf via een historische vergelijking aan waarom de Indiase armen weinig te verwachten hebben van een puur op de markt gericht economisch beleid: "Het is niet mogelijk om een groot deel van de bevolking werk te verschaffen in de huidige verhoudingen. De kapitalistische ontwikkeling in Europa was arbeidsintensief, maar in India is deze kapitaalsintensief".

Het huidige nationale werkgelegenheidsprogramma - het 'Jahawar Rozgar Yojana' (JRY) - wordt momenteel geëvalueerd. De evaluatie moet begin volgend jaar zijn afgerond. Tot nu toe zijn de resultaten, zo melden verschillende conferentiedeelnemers, niet bijster positief. Omdat het geld van de centrale regering direct via de districten naar de dorpen gaat, waar het dorpshoofd veelal het geld voor de projecten beheert, is er te weinig controle van buiten. Te veel van het geld werd bijvoorbeeld gebruikt om dorpskantoortjes en vergaderruimtes te bouwen waarmee het dorpshoofd zijn status probeert te verhogen, maar die in de praktijk weinig nut hebben. Voor de invoering van het JRY in 1989 ging het geld voor werkgelegenheid projecten via de deelstaatregering naar de dorpen waardoor er, ondanks andere problemen, toch meer controle was. Onlangs heeft de regering in Delhi besloten om het in de toekomst opnieuw op die manier te doen. Tenslotte is de huidige minderheidsregering in Delhi er veel aan gelegen om de deelstaatregeringen te vriend te houden.


Verwachtingen

In de overheidsbegroting voor dit jaar is voor het Jahawar Rozgar Yojana ongeveer 2 miljard gulden uitgetrokken, evenveel als vorig jaar. Vanwege de inflatie van ruim 10% betekent dat in feite dat er dit jaar minder aan werkgelegenheidsprogramma's besteed kan worden. De Congres-regering heeft nog geen plannen voor een nationaal werkgarantieprogramma. Wel wordt in het Achtste Vijfjarenplan dat volgend jaar van start moet gaan een hoge prioriteit aan scheppen van werkgelegenheid op het platteland gegeven. Ook moet de werkgelegenheid de komende vijf jaar elk jaar met 3% groeien. Met de huidige economische stategie kan echter, volgens een hoge ambtenaar die ik daarover sprak, slechts 1,75% werkgelegenheidsgroei bereikt worden. Dezelfde ambtenaar verwachtte daarom dat de nieuwe regering er niet omheen zal kunnen om met plannen te komen voor een nationaal werkgarantieprogramma en verdere ontwikkeling van de arbeidsintensieve plattelandsindustrie.
Narinder Bedi, voorzitter van het Young India Project en een van de iniatiefnemers van de recht op werk campagne in India heeft wat minder vertrouwen in de regering. Bedi: "We hebben de nieuwe regering de kans gegeven om haar prioriteiten aan te geven, maar tot nu toe lijkt het er niet op dat ze uit zichzelf met plannen voor een werkgarantieprogramma komt. We zullen daarom de regering onder druk moeten zetten om actie te ondernemen." Eind november komen de secretarissen van het Strijdfront voor Recht op Werk uit alle deelstaten bijeen om daarvoor de strategie vast te stellen.

Dat er binnen de huidige regering toch wordt nagedacht over een nationaal wergarantieprogramma, blijkt uit het feit dat een Indiaas-Nederlandse missie onlangs het groene licht heeft gekregen om onderzoek te doen naar een mogelijke Nederlandse bijdrage aan werkgarantieprogramma's. Deze missie was al onder de regering van V.P. Singh toegezegd, maar daarna opgeschort omdat eerst Singh zelf en toen zijn opvolger Chandra Shekhar van het toneel verdween. Singh had het recht op werk tot kernpunt van zijn sociaal-economisch beleid gemaakt. Het is daarom opmerkelijk dat de missie, waarmee minister Pronk gehoor gaf aan de oproep van de LIW-campagne 'Werk Tegen Armoede' om werkgarantieprogramma's te steunen, nu toch doorgaat terwijl de Indiase regering zelf nog geen plannen in die richting heeft aangekondigd. Wellicht hoopt de Indiase regering dat niet alleen de lopende evaluatie van het huidige werkgelegenheidsprogramma maar ook de Indiaas-Nederlandse missie gegevens en ideeën aandraagt, die nuttig zijn bij het voorbeelden van dergelijke plannen.
Tijdens het recente jaarlijkse overleg tussen India en de hulpgevende landen - het Aid India Consortium - heeft minister Pronk de andere donorlanden geattendeerd op de mogelijkheid om gezamenlijke steun aan werkgarantieprogramma's in India te geven. In een brief aan de LIW schrijft Pronk dat hij in het licht van de resultaten van de Indiaas-Nederlandse missie nader wil bezien of ook andere donoren, zoals de Scandinavische landen en de EG, belangstelling hebben om werkgelegenheidsprogramma's te financieren.


Minimumloon

De hoogte van het loon in werkgelegenheidsprojecten is een van de onderwerpen waarover de mening van de deskundigen - ook tijdens de conferentie - nogal verschillen. Sommigen vinden dat de lonen beneden het officiële minimumloon of zelfs beneden het marktloon voor landarbeiders moet liggen. Dat zou het programma betaalbaar houden en er tegelijk voor zorgen dat alleen de allerarmsten zich voor de projecten melden. De bekende econoom Rath zegt daarover: 'Als er een manier is om een nationaal werkgarantie in de vernieling te helpen, dan is dat het vaststellen van te hoge minimumlonen. Het aantal gegarandeerde werkdagen moet echter niet beperkt worden. Op die manier selecteert het programma vanzelf degenen die het echt nodig hebben.'
Nikhil Dey, een medewerker van de organisatie 'Mazdoor Kisan Shakti Shakti Sangahthan' uit Rajashtan is het daar niet mee eens: 'Het is noodzakelijk om werkers in werkverschaffingsprojecten minimaal het minimumloon te betalen. Het is voor hun zelf-respect van groot belang dat ze volwaardige werkers zijn en dat ze weten op welk loon en hoeveel dagen werk ze recht hebben. Met een beperkt budget is het zo nodig beter om het aantal werkgarantiedagen te beperken dan om onder het minimumloon te gaan zitten.'
Piet Terhal vindt ook dat het officiële minimumloon betaald moet worden, maar hij waarschuwt ook dat nog hogere lonen niet mogelijk zijn: 'De politieke en financiële haalbaarheid van een nationaal werkgarantieprogramma hangen nauw samen. Als er lonen betaald moeten worden die volledig de basisbehoeften dekken, dan is zo'n programma politiek niet te realiseren.' Overigens wijst Terhal er op dat het bestaan van werkgarantie tegen minimumlonen een positief (opwaarts) effect heeft op de hoogte van het algemene loonpeil voor landarbeiders.
Als bezwaar tegen werkgelegenheidsprogramma's wordt soms aangevoerd dat het werklozen van de overheid afhankelijk maakt. De overheid schept in feite een gigantische banenpool waarbij ze verplicht is de deelnemers van werk te voorzien. Bedi van het Young India Project zegt daarover: 'Landarbeiders hebben nu hélemaal niets te kiezen. En wat is erger, afhankelijkheid van de landheren of van openbare werken van de overheid? Ik geef aan dat laatste de voorkeur.' Jan Breman voegt daaraan toe: 'Het feit dat ook de overheid je werk kan bieden, versterkt je onderhandelingspositie met andere werkgevers'. Toch waren de deelnemers aan de conferentie in Ahmedabad zich er duidelijk van bewust dat een werkverschaffingsprogramma niet eindeloos kan uitdijen. Om dat te voorkomen moeten de uitgevoerde projecten zo veel mogelijk 'gewoon' werk scheppen, zodat de werkgarantieprojecten zich geleidelijk overbodig maken. Of dat gebeurt heeft de overheid grotendeels zelf in handen en kan geen reden zijn om landarbeiders hun recht op leven en dus op werk te ontzeggen.


Maharashtra

Over het huidige Werkgarantie Programma (W.P.) in de deelstaat Maharashtra ontstond tijdens het seminar een fikse discussie. B.N. Rajhans, de algemeen secretaris van de landarbeidersbond HKMS uit Maharashtra, verweet de regering van die deelstaat dat zij van het programma af wil. Rajhans: 'Er is grote weerstand tegen het programma van de kant van de grote boeren en de 'aannemers' die graag de contracten voor openbare werken van de overheidsdepartementen willen overnemen. De deelstaatregering laat zich daar steeds meer door leiden.' Volgens Rajhans is de deelname aan het Werkgarantie Programma de laatste drie jaar sterk teruggelopen. De officiële cijfers geven hem daarin gelijk. De deelstaatregering, op het seminar vertegenwoordigd door de heer Patel - een hoge ambtenaar die in een belangrijk district verantwoordelijk is de uitvoering van het Werkgarantie Programma - beweert dat dit het gevolg is van het succes van het het programma zelf. Door de investeringen van het Werkgarantie Programma in de landbouw zou de reguliere werkgelegenheid sterk zijn toegenomen. Hoewel dit wellicht gedeeltelijk juist is, zijn volgens Rajhans vooral andere factoren de oorzaak van de teruggelopen deelname aan het Werkgarantie Programma in Maharashtra. Het wordt de werklozen steeds moeilijker gemaakt om zich te registreren als werkzoeker en de Werkgarantiefondsen worden steeds meer voor subsidies aan boeren (en niet voor landlozen) gebruikt. Zo is onlangs binnen het Werkgarantie Programma een tuinbouwprogramma gestart dat de arbeidskosten en de aanplant van fruitbomen in droge gebieden voor kleine en grote boeren (bijna) geheel subsidieert. Volgens Patel, Hirway en enkele andere onderzoekers is de situatie niet zo somber, maar zoekt de regering naar nieuwe manieren om het stimuleren werkgelegenheid met duurzame produktiegroei te combineren. Rajhans kondigde echter aan dat zijn organisatie samen met andere bonden de strijd met de deelstaatregering zal aanbinden, zodat het Werkgarantie Programma niet langzaam de nek wordt omgedraaid.


Milieu schept werk

Chhaya Datar, een activiste die een uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar de betekenis van het Werkgarantie Programma voor vrouwen, is nu zelf betrokken bij dorpsontwikkeling en milieuplannen van de armen, waarbij het Werkgarantie Programma zou kunnen helpen. 'Het Werkgarantie Programma is nog teveel een programma van bovenaf', vindt Datar. 'Het gaat erom hoe het programma mensen kan aanmoedigen om hun eigen ontwikkeling volgens plaatselijke behoeftes ter hand te nemen, Ze zullen zeker enthousiast aan de slag gaan als ze zelf van de uitgevoerde projecten, zoals de aanleg van een dorpsbos, visvijver of waterreservoir, profiteren. Vooral vrouwen zijn erg bereid zijn om mee te werken aan de planning en uitvoering van projecten als je hen ook echte zeggenschap over de opbrengst van die projecten geeft.' Volgens Datar moet je het recht op werk combineren met het recht van mensen op hun eigen natuurlijke hulpbronnen zoals gemeenschappelijke dorpsgronden, water, bos, weides en dergelijke, waarvan ze voor hun overleven voor een belangrijk deel afhankelijk zijn. Beide rechten zijn volgens Datar onderdeel van het recht op 'duurzaam levensonderhoud'.
Het verhaal van Chhaya Datar sluit nauw aan bij de inhoud van de onlangs door de LIW gepubliceerde brochure 'Maak Werk van het Milieu'. De gemeenschapsgronden in India voorzien vooral de arme huishoudens van voer voor hun vee, brandhout om op te koken, mest voor hun lapje grond en materiaal voor hun ambacht. De meeste dorpsbewoners hebben nu vaak helemaal geen invloed op hun eigen natuurlijke omgeving. Niet alleen is het meeste land ongelijk verdeeld, maar ook de gemeenschappelijke gronden en het schaarse water worden grotendeels door grote boeren ingepalmd of ze zijn in het bezit van de overheid. Veel gemeenschapsgrond is niet meer toegankelijk - ze worden bijvoorbeeld verpacht aan de houtindustrie die er snelgroeiende bomen op plant - en een ander deel wordt veel te intensief gebruikt, maar eigenlijk door niemand duurzaam onderhouden.
Toch zijn er diverse van voorbeelden van dorpen waar de armere dorpsbewoners, ondanks tegenwerking, samen het milieu beschermen en herstellen. Zo werd in het dorp Sukomajri door een dorpsorganisatie, waarin elk huishouden vertegenwoordigd is, het bos hersteld en beschermd. Daardoor is er nu voldoende gras en veevoer en is de melkproduktie toegenomen. Er is ook een kleine irrigatietank aangelegd, waardoor de landbouwopbrengst meer dan verdubbeld is. In het bos en rond de tank mag niet vrij gegraasd worden. Zo'n aanpak lukt alleen als iedereen in het dorp van de opbrengst meeprofiteert. Daarom wordt in Sukomajri gezorgd voor een eerlijke verdeling van water, gras en hout. Ook de landlozen hebben recht op een deel van het irrigatiewater, dat ze kunnen verkopen aan degenen die wel land hebben. Tegenwoordig ziet Sukomajri er groen uit en zijn de bewoners zelfs in staat drogere tijden goed door te komen.
De bekende Indiase milieu-organisatie Centrum voor Wetenschap en Milieu noemt een dergelijke aanpak 'ecosysteem planning'. Volgens hen kan deze aanpak alleen lukken als de besluitvorming per dorp en niet zoals nu door de gezamenlijk dorpsraad van een aantal dorpen plaatsvindt. Om dat te realiseren moeten de dorpsorganisaties ('gram sabha's') waarbij het hele dorp betrokken is, veel meer bevoegdheden van de overheid krijgen. Nu zijn het vaak alleen de dorpshoofden en overheidsambtenaren die de dienst uitmaken en vooral hun eigen belangen dienen. Hoogleraar Vidyut Joshi van het Gandhi Labour Institute vatte het tijdens de conferentie als volgt samen: 'Land, bos en water zijn van de armen afgenomen. Geef hun dat recht over de natuurlijke hulpbronnen terug'.

Een dagdeel van de conferentie werd besteed aan de rol van niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties (NGO's) in overheidsprogramma's voor werkgelegenheid. In het onderzoek van Hirway en Terhal werd geconstateerd dat NGO's van groot belang zijn voor het slagen van de werkprojecten. In een aantal gevallen zijn ze direct betrokken bij de uitvoering. Meestal zijn ze flexibeler dan de overheid, hebben ze meer technische kennis in huis en staan ze dichter bij de mensen waar het om gaat. In Gujarat zijn ze vooral actief in herbebossings-, landontginningsprojecten. Toch zijn niet alle NGO's even goed, op veel plaatsen zijn ze niet aanwezig en soms worden het koninkrijkjes op zich die nauwelijks verantwoording afleggen wat ze met hun - vaak uit het buitenland gekregen - geld doen. De rol van de overheid blijft daarom onontbeerlijk maar - vonden de conferentiedeelnemers - deze moet wel kritisch door lokale organisaties gevolgd worden. Sommige NGO's en ook landarbeidersbonden zijn niet zelf bij de uitvoering van projecten betrokken, maar organiseren de landarbeiders om hun wettelijke rechten - waaronder het minimumloon - zo nodig af te dwingen. Ze fungeren zo als waakhond ten opzichte van de overheid. Dit soort organisaties uit heel India, verenigd in het Strijdfront voor Recht op Werk, willen dat de centrale regering werk aan de armen op het platteland garandeert. Alleen als die wettelijke garantie er is kunnen vakbonden en NGO's er op toezien dat zo'n programma ook behoorlijk wordt uitgevoerd.

Gerard Oonk

De brochure 'Maak werk van het milieu - Armoedebestrijding en milieuverbetering op het Indiase platteland' kost ƒ 4,-. Naast telefonisch en schriftelijk is de brochure te bestellen door overmaking van ƒ 5,90 op giro 2483548 van de LIW o.v.v. de titel.




begin document

tijdschrift India Nu

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 15 juli 2008