|

Onleefbaar loon
Arbeidsomstandigheden in kledingfabrieken schieten tekort
Opnieuw is uit onderzoek
gebleken dat arbeiders -
vooral vrouwen - in kledingfabrieken
in India en Bangladesh
buitensporig lange
dagen maken voor een
hongerloontje. De kleding
wordt voor een groot deel
geëxporteerd naar Europa,
de Verenigde Staten en
Canada. ‘Wij maken kleren
voor anderen maar kunnen
zelf geen kleding kopen.
Met de huidige voedselprijzen
is het al moeilijk
om aan eten te komen. En
dan wacht de familie thuis
ook nog op geld’, aldus een
arbeidster die in een fabriek
in Bangladesh kleding maakt
voor C&A. Bedrijven kunnen
uitkomst bieden, maar doen
ze dat ook?
 Asha werkt in diverse kledingfabrieken in Bangalore (foto: LIW)
|
|
Het onderzoek, dat in opdracht van
de Schone Kleren Campagne (SKC)
werd uitgevoerd, staat in een lange lijn
van treurig stemmende rapporten, waaruit
blijkt dat slechte arbeidsomstandigheden
en hongerloontjes in de kledingindustrie
eerder regel dan uitzondering zijn. Waar
eerdere onderzoeken zich voornamelijk
richtten op de toeleveranciers voor grote
multinationals zoals Aldi, Lidl en Wal Mart,
wordt de aandacht bij het laatste onderzoek
gevestigd op de Nederlandse kledingsector.
Daaruit kwamen zes Nederlandse kledingmerken
naar voren: C&A, J.C. Rags, M&S Mode, Miss Etam, Prénatal en WE. De uitkomsten van het onderzoek
staan echter voor de hele Nederlandse
kledingindustrie. ‘Er is als het ware een
steekproef genomen,’ zegt Nicky Coninck
van de Landelijke India Werkgroep en
betrokken bij de Leefbaar Loon Campagne
van de SKC. ‘Alle Nederlandse bedrijven die
we zijn tegengekomen laten hun kleding
maken door mensen die daarvoor te weinig
betaald krijgen, over het algemeen de helft
van wat ze nodig hebben om van te leven.
Vrouwen komen er het slechtst vanaf, zij
krijgen voor hetzelfde werk vaak nóg minder
betaald dan mannen.’ Ondanks hun lange
werkweken van gemiddeld zestig uur,
raken de meeste arbeiders dan ook diep in
de schulden. Daarnaast komen nog de miserabele
arbeidsomstandigheden, en die lijst
is lang: onbetaald en gedwongen overwerk,
geen beschermingsmaatregelen, ontslag
bij zwangerschap, de onmenselijk hoge
productiedoelstellingen, de (seksuele) intimidatie
en scheldpartijen als die doelstellingen
niet gehaald worden, de onzekerheid
of je morgen nog wel aan het werk mag, en
de afwezigheid van (goede) kinderopvang in
de fabriek. Lid worden van een vakbond, die
een einde aan de misstanden zou kunnen
maken, is meestal geen optie: de fabrieksleiding
‘ontmoedigt’ dat. ‘Als
het management ziet dat je
je met vakbondsactiviteiten
bezighoudt, weet je zeker dat je
binnen enkele dagen ontslagen
wordt. Ze hebben hun informanten,
daarom bespreken
we dit onderwerp niet eens
onderling,’ legt een werknemer
uit die voor een van de onderzochte
fabrieken werkt.
Fake controles
Vanwege de maatschappelijke
druk zijn de meeste importerende
bedrijven wel bezig met initiatieven
en beleid op het gebied van maatschappelijk
verantwoord ondernemen. Opvallend
- gezien de magere resultaten van het
onderzoek - is dat veel van de bovenstaande
Nederlandse bedrijven zijn aangesloten bij
het Business Social Compliance Initiative
(BSCI), een wereldwijd platform van
bedrijven die willen werken aan verbeterde
arbeidsomstandigheden op de werkvloer.
Hoe kan het gebeuren dat de arbeidsomstandigheden
in fabrieken die volgens de
inkopers stevig gecontroleerd worden, toch
zo slecht zijn? Een deel van het antwoord op
die vraag ligt in het feit dat controles op de
fabrieken vaak vooraf worden aangekondigd,
waarna de fabriek een razendsnelle
metamorfose ondergaat. De arbeiders
worden vrijwel nooit apart genomen voor
een gesprek, blijkt uit een aantal uitspraken
in het rapport. ‘Het bezoek van een kledingmerk
is als een festival. Het management
vraagt ons mooie jurken aan te trekken.
Maar we worden gedwongen om te liegen.
We worden geïnformeerd over wat we moeten
zeggen.’ Jayanima (37) uit Bangalore
vertelt hoe het gaat als de fabriek
waar ze werkt (niet meegenomen in bovenstaand
onderzoek) door ‘de merken’ wordt
bezocht: ‘Dan worden er ineens handschoenen
en maskers uitgedeeld. Normaal krijgen
we
die niet, al is het heel stoffig. De boel
| Feiten en cijfers
In de onderzochte fabrieken in Bangladesh werkt 70 procent van de vrouwen en iets meer
dan de helft van de mannen meer dan 70 uur per week. Een op 8 mannen en een op de 12
vrouwen werkt zelfs meer dan 100 uur per week (15 uur of meer per dag). In India werkten
de arbeiders gemiddeld 76 uur, en nooit minder dan 66 uur per week.
Een Indiase textielwerker heeft ongeveer 100 euro per maand nodig om een gezin van vier
personen te kunnen onderhouden, en iemand uit Bangladesh 89 euro. 88 procent van de
arbeiders in Bangladesh verdient minder dan de helft van wat ze nodig hebben om te leven.
In India kreeg 69 procent zelfs minder dan het minimumloon.
Geen van de onderzochte fabrieken in India had een functionerende crèche, terwijl dit wettelijk
verplicht is.
Eén op de vijf medewerkers rapporteert fysiek geweld in de fabrieken en in alle fabrieken is
verbaal geweld heel ‘gewoon’. In India huurt 90 procent van de fabrieken knokploegen in om
problemen in de fabriek ‘op te lossen’, waaronder vakbondsactiviteiten.
82 procent van de werknemers in Bangladesh kent mensen die zijn ontslagen omdat ze contacten
met een vakbond hadden. In India is 4 procent van de werknemers lid van een vakbond.
De bij de BSCI aangesloten bedrijven vertegenwoordigen een gezamenlijke inkoopkracht
van 115 miljard euro per jaar. Gemiddeld werd er in 2008 voor iedere 57 miljoen euro aan
inkopen één fabriekscontrole uitgevoerd. |
|
wordt goed schoongemaakt. Jonge vrouwen
moeten hun kinderen meenemen voor de
crèche, die verder nooit open is. De bezoekers
praten nooit met ons zonder dat de bedrijfsleiding
erbij is. Dus dan kijk je wel uit om te
vertellen hoe het er echt aan toegaat.’
(On)leefbaar loon
Een leefbaar loon, een inkomen dat in de
basisbehoefte van een familie voorziet, is een
van de rechten uit de Universele Verklaring
van de Rechten van de Mens (Art. 23.3).
Slechts weinig kledingarbeiders verdienen
iets dat ook maar in de richting komt. Neem
bijvoorbeeld Asha (36), nu zeven jaar naaister
in diverse fabrieken in Bangalore. Ze werkt
zes dagen per week, meestal tien uur per
dag, met slechts een half uur pauze tijdens
de lunch. Daarvoor verdient ze vijftig euro per
maand, de helft van wat ze volgens de Asia
Floor Wage Campaign nodig heeft om haar
gezin te kunnen onderhouden. De werkdruk
is hoog, en als de opzettelijk te hoog gestelde
productiedoelstellingen niet gehaald worden,
worden zij en haar collega’s uitgescholden
en moeten ze – vaak onbetaald – overwerken.
‘Mijn leven is vol met stress, ik ben altijd aan
het rennen. Naast mijn werk in de fabriek
moet ik ook nog voor mijn familie zorgen.
Er is geen tijd om uit te rusten.’ Toen haar
dochters, nu twaalf en negen, klein waren,
bleven ze bij Asha’s moeder in het dorp. Er
was wel een crèche bij de fabriek, maar ze
wilde hen daar niet achter laten, zo vies was
het. ‘Het was moeilijk, ik zag ze bijna nooit,
we hebben niet veel vrije dagen en het is duur
om te reizen.’ Ook nu nog woont alleen de
oudste dochter bij haar. Van het salaris dat
Asha mee naar huis krijgt kan ze onmogelijk
twee kinderen onderhouden. ‘Maar ik blijf
werken, om hen een beter leven te geven dan
ik nu heb. Ze gaan allebei naar school.’
De vraag die vaak wordt opgeworpen is of je
bedrijven die kleding in andere landen laten
maken eigenlijk wel kunt aanspreken op het
ontbreken van leefbaar loon. Want wie bepaalt
wat ‘leefbaar’ is? Arbeiders krijgen toch
al het minimumloon: is het dan niet een taak
van de overheid om betere regels op te stellen
en ervoor te zorgen dat ze nageleefd worden.
Volgens Nicky Coninck is het erg makkelijk
voor bedrijven om zich achter dit soort vragen
te verschuilen. ‘Dan hoeven ze niets te doen
aan het probleem, terwijl er best oplossingen
te bedenken zijn. De Asia Floor Wage Campaign
heeft voor alle Aziatische landen precies
berekend hoe hoog het loon moet zijn om
ervan te kunnen leven. Daar kunnen bedrijven
mee aan de slag.’
Maar verliezen bedrijven hun concurrentiepositie
niet als ze meer loon gaan betalen,
zeker in deze economisch barre tijden? ‘Het
kan juist heel aantrekkelijk zijn om duurzame
kleding te produceren,’ meent Coninck.
‘Steeds meer consumenten willen dat hun
kleren op een eerlijke en milieuvriendelijke
manier geproduceerd worden. Verder beslaan
de arbeidskosten van een kledingstuk maar
2,5 tot vijf procent van de uiteindelijke prijs.
Daar kan best een schepje bovenop.’
Samenwerken
Het toestaan van vakbonden en andere
verbanden waarin arbeiders zich kunnen
organiseren, zou zeker bijdragen tot de oplossing,
zowel als het gaat om leefbaar loon als
om betere arbeidsomstandigheden in het
algemeen. Zo heeft de vakbond GATWU in
Bangalore betere arbeidsvoorwaarden weten
te bedingen voor de arbeiders in de fabrieken
waar ze veel leden hebben. Doordat de arbeiders
weten wat hun rechten zijn, en omdat er
lokale controle is en vakbondsleden schendingen direct kunnen rapporteren, beklijven de
veranderingen. Daarnaast zorgen zelfhulporganisaties
ervoor dat ook de problemen
die niet direct met de werkvloer te maken
hebben worden aangepakt. Vrouwen die
bij dit soort organisaties zijn aangesloten
kunnen bijvoorbeeld sparen en gratis geld
lenen als het nodig is. Als bedrijven meer en
serieuzer zouden samenwerken met lokale
en internationale vakbonden en maatschappelijke
organisaties, dan zou er veel
bereikt kunnen worden, meent Coninck.
‘Nu denken bedrijven dat het voldoende is
om lid te worden van BSCI, terwijl dat een
erg eenzijdig platform is. Alleen bedrijven
mogen deelnemen. Misschien is het een
goed idee voor bedrijven om zich aan te
sluiten bij initiatieven waarin verschillende
soorten organisaties zitten, bijvoorbeeld
ook vakbonden, en waarin leefbaar loon wel
wordt meegenomen als punt van aandacht,
zoals bij de Fair Wear Foundation.’
Vanaf september voert de Schone Kleren Campagne actie
voor een Leefbaar Loon. Kijk op www.schonekleren.nl of www.indianet.nl hoe je kunt bijdragen.
xxx
|
|