terug
Uit: India Nu 181 (sep-okt 2009)






Onleefbaar loon

Arbeidsomstandigheden in kledingfabrieken
schieten tekort



Opnieuw is uit onderzoek gebleken dat arbeiders - vooral vrouwen - in kledingfabrieken in India en Bangladesh buitensporig lange dagen maken voor een hongerloontje. De kleding wordt voor een groot deel geëxporteerd naar Europa, de Verenigde Staten en Canada. ‘Wij maken kleren voor anderen maar kunnen zelf geen kleding kopen. Met de huidige voedselprijzen is het al moeilijk om aan eten te komen. En dan wacht de familie thuis ook nog op geld’, aldus een arbeidster die in een fabriek in Bangladesh kleding maakt voor C&A. Bedrijven kunnen uitkomst bieden, maar doen ze dat ook?

Asha werkt in diverse kledingfabrieken in Bangalore (foto: LIW)


Het onderzoek, dat in opdracht van de Schone Kleren Campagne (SKC) werd uitgevoerd, staat in een lange lijn van treurig stemmende rapporten, waaruit blijkt dat slechte arbeidsomstandigheden en hongerloontjes in de kledingindustrie eerder regel dan uitzondering zijn. Waar eerdere onderzoeken zich voornamelijk richtten op de toeleveranciers voor grote multinationals zoals Aldi, Lidl en Wal Mart, wordt de aandacht bij het laatste onderzoek gevestigd op de Nederlandse kledingsector. Daaruit kwamen zes Nederlandse kledingmerken naar voren: C&A, J.C. Rags, M&S Mode, Miss Etam, Prénatal en WE. De uitkomsten van het onderzoek staan echter voor de hele Nederlandse kledingindustrie. ‘Er is als het ware een steekproef genomen,’ zegt Nicky Coninck van de Landelijke India Werkgroep en betrokken bij de Leefbaar Loon Campagne van de SKC. ‘Alle Nederlandse bedrijven die we zijn tegengekomen laten hun kleding maken door mensen die daarvoor te weinig betaald krijgen, over het algemeen de helft van wat ze nodig hebben om van te leven. Vrouwen komen er het slechtst vanaf, zij krijgen voor hetzelfde werk vaak nóg minder betaald dan mannen.’ Ondanks hun lange werkweken van gemiddeld zestig uur, raken de meeste arbeiders dan ook diep in de schulden. Daarnaast komen nog de miserabele arbeidsomstandigheden, en die lijst is lang: onbetaald en gedwongen overwerk, geen beschermingsmaatregelen, ontslag bij zwangerschap, de onmenselijk hoge productiedoelstellingen, de (seksuele) intimidatie en scheldpartijen als die doelstellingen niet gehaald worden, de onzekerheid of je morgen nog wel aan het werk mag, en de afwezigheid van (goede) kinderopvang in de fabriek. Lid worden van een vakbond, die een einde aan de misstanden zou kunnen maken, is meestal geen optie: de fabrieksleiding ‘ontmoedigt’ dat. ‘Als het management ziet dat je je met vakbondsactiviteiten bezighoudt, weet je zeker dat je binnen enkele dagen ontslagen wordt. Ze hebben hun informanten, daarom bespreken we dit onderwerp niet eens onderling,’ legt een werknemer uit die voor een van de onderzochte fabrieken werkt.


  Fake controles

Vanwege de maatschappelijke druk zijn de meeste importerende bedrijven wel bezig met initiatieven en beleid op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Opvallend - gezien de magere resultaten van het onderzoek - is dat veel van de bovenstaande Nederlandse bedrijven zijn aangesloten bij het Business Social Compliance Initiative (BSCI), een wereldwijd platform van bedrijven die willen werken aan verbeterde arbeidsomstandigheden op de werkvloer. Hoe kan het gebeuren dat de arbeidsomstandigheden in fabrieken die volgens de inkopers stevig gecontroleerd worden, toch zo slecht zijn? Een deel van het antwoord op die vraag ligt in het feit dat controles op de fabrieken vaak vooraf worden aangekondigd, waarna de fabriek een razendsnelle metamorfose ondergaat. De arbeiders worden vrijwel nooit apart genomen voor een gesprek, blijkt uit een aantal uitspraken in het rapport. ‘Het bezoek van een kledingmerk is als een festival. Het management vraagt ons mooie jurken aan te trekken. Maar we worden gedwongen om te liegen. We worden geïnformeerd over wat we moeten zeggen.’ Jayanima (37) uit Bangalore vertelt hoe het gaat als de fabriek waar ze werkt (niet meegenomen in bovenstaand onderzoek) door ‘de merken’ wordt bezocht: ‘Dan worden er ineens handschoenen en maskers uitgedeeld. Normaal krijgen we die niet, al is het heel stoffig. De boel
Feiten en cijfers

In de onderzochte fabrieken in Bangladesh werkt 70 procent van de vrouwen en iets meer dan de helft van de mannen meer dan 70 uur per week. Een op 8 mannen en een op de 12 vrouwen werkt zelfs meer dan 100 uur per week (15 uur of meer per dag). In India werkten de arbeiders gemiddeld 76 uur, en nooit minder dan 66 uur per week.

Een Indiase textielwerker heeft ongeveer 100 euro per maand nodig om een gezin van vier personen te kunnen onderhouden, en iemand uit Bangladesh 89 euro. 88 procent van de arbeiders in Bangladesh verdient minder dan de helft van wat ze nodig hebben om te leven. In India kreeg 69 procent zelfs minder dan het minimumloon.

Geen van de onderzochte fabrieken in India had een functionerende crèche, terwijl dit wettelijk verplicht is.

Eén op de vijf medewerkers rapporteert fysiek geweld in de fabrieken en in alle fabrieken is verbaal geweld heel ‘gewoon’. In India huurt 90 procent van de fabrieken knokploegen in om problemen in de fabriek ‘op te lossen’, waaronder vakbondsactiviteiten.

82 procent van de werknemers in Bangladesh kent mensen die zijn ontslagen omdat ze contacten met een vakbond hadden. In India is 4 procent van de werknemers lid van een vakbond.

De bij de BSCI aangesloten bedrijven vertegenwoordigen een gezamenlijke inkoopkracht van 115 miljard euro per jaar. Gemiddeld werd er in 2008 voor iedere 57 miljoen euro aan inkopen één fabriekscontrole uitgevoerd.

wordt goed schoongemaakt. Jonge vrouwen moeten hun kinderen meenemen voor de crèche, die verder nooit open is. De bezoekers praten nooit met ons zonder dat de bedrijfsleiding erbij is. Dus dan kijk je wel uit om te vertellen hoe het er echt aan toegaat.’


  (On)leefbaar loon

Een leefbaar loon, een inkomen dat in de basisbehoefte van een familie voorziet, is een van de rechten uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (Art. 23.3). Slechts weinig kledingarbeiders verdienen iets dat ook maar in de richting komt. Neem bijvoorbeeld Asha (36), nu zeven jaar naaister in diverse fabrieken in Bangalore. Ze werkt zes dagen per week, meestal tien uur per dag, met slechts een half uur pauze tijdens de lunch. Daarvoor verdient ze vijftig euro per maand, de helft van wat ze volgens de Asia Floor Wage Campaign nodig heeft om haar gezin te kunnen onderhouden. De werkdruk is hoog, en als de opzettelijk te hoog gestelde productiedoelstellingen niet gehaald worden, worden zij en haar collega’s uitgescholden en moeten ze – vaak onbetaald – overwerken. ‘Mijn leven is vol met stress, ik ben altijd aan het rennen. Naast mijn werk in de fabriek moet ik ook nog voor mijn familie zorgen. Er is geen tijd om uit te rusten.’ Toen haar dochters, nu twaalf en negen, klein waren, bleven ze bij Asha’s moeder in het dorp. Er was wel een crèche bij de fabriek, maar ze wilde hen daar niet achter laten, zo vies was het. ‘Het was moeilijk, ik zag ze bijna nooit, we hebben niet veel vrije dagen en het is duur om te reizen.’ Ook nu nog woont alleen de oudste dochter bij haar. Van het salaris dat Asha mee naar huis krijgt kan ze onmogelijk twee kinderen onderhouden. ‘Maar ik blijf werken, om hen een beter leven te geven dan ik nu heb. Ze gaan allebei naar school.’
De vraag die vaak wordt opgeworpen is of je bedrijven die kleding in andere landen laten maken eigenlijk wel kunt aanspreken op het ontbreken van leefbaar loon. Want wie bepaalt wat ‘leefbaar’ is? Arbeiders krijgen toch al het minimumloon: is het dan niet een taak van de overheid om betere regels op te stellen en ervoor te zorgen dat ze nageleefd worden. Volgens Nicky Coninck is het erg makkelijk voor bedrijven om zich achter dit soort vragen te verschuilen. ‘Dan hoeven ze niets te doen aan het probleem, terwijl er best oplossingen te bedenken zijn. De Asia Floor Wage Campaign heeft voor alle Aziatische landen precies berekend hoe hoog het loon moet zijn om ervan te kunnen leven. Daar kunnen bedrijven mee aan de slag.’
Maar verliezen bedrijven hun concurrentiepositie niet als ze meer loon gaan betalen, zeker in deze economisch barre tijden? ‘Het kan juist heel aantrekkelijk zijn om duurzame kleding te produceren,’ meent Coninck. ‘Steeds meer consumenten willen dat hun kleren op een eerlijke en milieuvriendelijke manier geproduceerd worden. Verder beslaan de arbeidskosten van een kledingstuk maar 2,5 tot vijf procent van de uiteindelijke prijs. Daar kan best een schepje bovenop.’


  Samenwerken

Het toestaan van vakbonden en andere verbanden waarin arbeiders zich kunnen organiseren, zou zeker bijdragen tot de oplossing, zowel als het gaat om leefbaar loon als om betere arbeidsomstandigheden in het algemeen. Zo heeft de vakbond GATWU in Bangalore betere arbeidsvoorwaarden weten te bedingen voor de arbeiders in de fabrieken waar ze veel leden hebben. Doordat de arbeiders weten wat hun rechten zijn, en omdat er lokale controle is en vakbondsleden schendingen direct kunnen rapporteren, beklijven de veranderingen. Daarnaast zorgen zelfhulporganisaties ervoor dat ook de problemen die niet direct met de werkvloer te maken hebben worden aangepakt. Vrouwen die bij dit soort organisaties zijn aangesloten kunnen bijvoorbeeld sparen en gratis geld lenen als het nodig is. Als bedrijven meer en serieuzer zouden samenwerken met lokale en internationale vakbonden en maatschappelijke organisaties, dan zou er veel bereikt kunnen worden, meent Coninck. ‘Nu denken bedrijven dat het voldoende is om lid te worden van BSCI, terwijl dat een erg eenzijdig platform is. Alleen bedrijven mogen deelnemen. Misschien is het een goed idee voor bedrijven om zich aan te sluiten bij initiatieven waarin verschillende soorten organisaties zitten, bijvoorbeeld ook vakbonden, en waarin leefbaar loon wel wordt meegenomen als punt van aandacht, zoals bij de Fair Wear Foundation.’

Vanaf september voert de Schone Kleren Campagne actie voor een Leefbaar Loon. Kijk op www.schonekleren.nl of www.indianet.nl hoe je kunt bijdragen.

xxx





terug
Schone Kleding
HOME Landelijke India Werkgroep
tijdschrift INDIA NU
Landelijke India Werkgroep - 16 april 2010