terug
Uit: India Nieuwsbrief 49 (jul-aug 1987)




De Indiase film in het nauw?



In het begin van de jaren tachtig werden in India ongeveer 750 speelfilms per jaar gemaakt. De laatste jaren is de produktie naar verluid gestegen tot tegen de 1000 films per jaar. Wat zijn dat voor films en betekent hun enorme aantal dat de Indiase filmindustrie bloeit als nooit tevoren?

De laatste Indiase film die ik zag was een al wat oudere, groots opgezette spektakelfilm in het Hindi, waarvan ik de titel (en ook het verhaal) inmiddels weer ben vergeten. Ik zag hem in mei op de televisie in Dubai, aan de Perzische Golf. Indiase films zijn in het Midden-Oosten nogal populair, niet alleen onder de miljoenen Aziatische migranten die er verblijven, maar ook onder de Arabische bevolking. In de bioskopen draaien overwegend Indiase films en op de t.v. in bijvoorbeeld Dubai is er wekelijks op een vaste avond een te zien. Ook de videotheken staan er vol mee, zowel met Hindi-films uit het noorden, als anderstalige films uit het zuiden van India.

Typerend voor de kommerciŽle filmproduktie: de onderdanige bruid (Gumasta, 1951)
Mijn voorlaatste Indiase filmervaring was het zien van "Genesis" van Mrinal Sen in een Nederlandse bioskoop (voor een bespreking van de film zie de vorige Nieuwsbrief). Hoewel ik de uitwerking van het gegeven enigszins aan de magere kant vond, heb ik genoten van de gestyleerde eenvoud van de beelden. Bijna elk plaatje was een lust voor het oog.
"Genesis" is een voorbeeld van wat in India wel de parallelle cinema wordt genoemd, terwijl de eerste film waar ik het over had tot de kommerciŽle of populaire cinema wordt gerekend. Van de 1000 films die jaarlijks worden gemaakt, zal zeker 97% tot de laatste kategorie behoren, terwijl de rest parallel aan deze hoofdmoot van kommerciŽle filmproduktie ontstaat. Die 97% wordt gemaakt voor het Indiase massapubliek en voor exportmarkten als het Midden-Oosten. De overige 3% voor een meestal te klein cinefiel publiek in India en - soms - het Westen.
Binnen de kommerciŽle cinema worden vaak nog enige genres onderscheiden, zoals familie- of liefdesdrama, mythologische film en dergelijke, en wat betreft de vorm wordt nog opgemerkt dat de parallelle cinema in het algemeen door een meer realistische benadering van thema's en onderwerpen wordt gekenmerkt dan de kommerciŽle cinema, die met veel gebruik van zang en dans naar onderhoudende suksesrijke publieksfilms streeft. Meestal blijft een globaal overzicht van de Indiase cinema in dit soort algemeenheden steken, en op grond van de paar films die ik per jaar uit dat land zie (op een produktie van 1000!) kan ik er helaas weinig zinnigs aan toevoegen.


    Ontwikkelingen

Voor informatie over eventuele nieuwe ontwikkelingen ben ik aangewezen op recente artikelen in kranten en tijdschriften. Daarin is onder andere opgemerkt dat de nieuwe generatie filmers in de parallelle cinema van na Satyajit Ray en Mrinal Sen zich thematisch meer is gaan richten op de maatschappelijke veranderingen in de stedelijke, sterk verwesterde elite, waartoe deze filmers veelal zelf behoren. Voor ons zeer herkenbare thema's als vrouwenemancipatie en relatieproblemen, worden door hen aan de orde gesteld. "Parama" van Aparna Sen, en "The Return of Godbole" van Jayoo en Nachiket Patwardhan zouden hiervan goede voorbeelden zijn. In een aantal films van het kommerciŽle Hindi-circuit schijnt het terrorisme als nieuw thema met sukses te zijn aangeboord. De plaats van de traditionele schurk wordt ingenomen door de terrorist die, soms getraind en gesteund door vijanden in een niet met name genoemd buurland, met het nodige geweld probeert het land uit zijn evenwicht te brengen. Tenslotte wordt de terrorist natuurlijk overwonnen, ter meerdere glorie van het geliefde moederland India. Met nauwelijks verholen verwijzingen naar bijvoorbeeld het Sikh-ekstremisme en de moord op Indira Gandhi,

Smita Patil in Dahleez van B.R. Chopra (1986). Terrorisme als achtergrond
wordt het thema terrorisme in films als "Karma", "Dahleez", "Uske Bad" en "Kartoot" te gelde gemaakt. De censor maakt tegen deze films weinig bezwaar, omdat zij uiteindelijk appelleren aan gevoelens van nationalisme onder de bevolking.

De spaarzame bronnen die ik tot mijn beschikking heb worden interessanter als het gaat om de vraag hoe de Indiase filmindustrie er nu eigenlijk voorstaat. Dat blijkt niet zo onverdeeld gunstig als een produktie van 1000 films per jaar zou kunnen doen vermoeden. In een artikel in Business India van 3 november 1986, worden drie bedreigingen voor de kommerciŽle Hindi-filmindustrie genoemd, waarvan er twee tevens gelden voor de kommerciŽle Indiase film in het algemeen. In de laatste 15 ŗ 20 jaar is het Bombay-bolwerk van de Hindi-filmindustrie gekonfronteerd met een steeds verder groeiende produktie van films in de vier zuidelijke deelstaten van India en heeft de Hindi-film terrein verloren. De groei in de totale Indiase produktie is geheel te danken aan de groei van de Zuid-Indiase film, en de produktie van Hindi-films is niet alleen in relatieve, maar zelfs in absolute zin teruggelopen.
Dat de Indiase film niet meer automatisch zoals vroeger wordt gelijkgeschakeld aan de Hindi-film, en dat deze laatste zijn dominante positie heeft verloren door de opkomst van de Zuid-Indiase film, lijkt mij voor de Indiase cinema als geheel trouwens een goede zaak.
Maar er zijn twee andere faktoren die de nationale filmindustrie in toenemende mate bedreigen, te weten het zich steeds verder uitbreidende televisienetwerk en de als paddestoelen uit de grond verrijzende videotheken en videobioskoopjes.
Met de invloed van de televisie zal het waarschijnlijk net zo gaan als in het Westen. Het aantal bioskoopbezoekers is al gedaald en zal nog verder dalen als het programma-aanbod op de t.v. wordt uitgebreid. Daar bovenop komt nog het effekt van de - klandestiene - videobioskoopjes, die kunnen variŽren van een huiskamer tot een zaaltje voor zeker 100 toeschouwers, en waar men voor een of twee roepies - meest klandestien gemaakte - videokopieŽn van recente films kan zien. En dat is goedkoper dan in de plaatselijke bioskoop, zo het dorp al een filmbioskoop rijk is. Teruglopende inkomsten zullen in de toekomst ongetwijfeld het aantal geproduceerde films doen afnemen, maar misschien zal het de kwaliteit ten goede komen.


Om Puri als de kritische agent in Ardh Satya (Halve Waarheid) van 1983.

    Parallelle cinema

Voor de parallelle cinema zijn ekonomische problemen niets nieuws. Het is altijd al moeilijk geweest om deze films gedistribueerd en vertoond te krijgen, en dus ook om nieuwe produkties te financieren. De National Film Development Corporation (NFDC) heeft de niet-kommerciŽle filmproduktie slechts mondjesmaat gesteund met leningen(!) voor individuele projekten. Het is dan ook interessant dat op deze sektor juist een positieve invloed van de televisie lijkt uit te gaan. Een aantal films uit het parallelle circuit die op de plank dreigden te blijven liggen bij gebrek aan distributiemogelijkheden, hebben tenslotte op de t.v. hun premiŤre beleefd. Daartoe behoorden onder andere twee films van Nihalani, de maker van de destijds financieel suksesvolle film "Ardh Satya".
Maar Doordarshan (de nationale t.v.) wil het niet laten bij het aankopen van kant en klare films, het wil ook met bijvoorbeeld de NFDC komen tot ko-produkties van niet-kommerciŽle films. En daarnaast zijn gerenommeerde namen uit het parallelle circuit als Benegal en eerder genoemde Nihalani, door Doordarshan aangetrokken voor het maken van een aantal t.v.-series. In tegenstelling tot hun kommerciŽle vakgenoten zien de filmers uit de parallelle cinema de opmars van de televisie daarom voorlopig niet als een bedreiging. Voor sommigen is het eerder een laatste strohalm om zich aan vast te grijpen.

XXX




begin document

tijdschrift India Nu

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 20 februari 2010