terug
Uit: India Nu 110 (nov-dec 1997)


Bharata Natyam, Odissi en Kathak dans

Een andere wereld


De Indiase dansvormen Bharata Natyam, Odissi en Kathak zijn ook in de Nederlandse schouwburgen te zien. Wat is de achtergrond van deze klassieke dans stijlen en wat zijn de moderne ontwikkelingen? De laatste jaren begint de Bharata Natyam sterk te lijden aan effectbejag, de kostuums glanzen van het goudbrokaat en acrobatische toeren verdringen de diepgang van de emotionele verbeelding."

Een van de meest populaire kunstvormen van India is de dans. Indiase dans laat de toeschouwer altijd iets zien van een andere wereld, een wereld waarin de tijd lijkt stil te staan. De danser, danseres of de groep optredende artiesten vertelt een verhaal of roept door muziek, zang, gereciteerd woord of gebaren een esthetische ervaring op die de mens losmaakt van zijn of haar tijdelijke beperkte waarneming. De bovenwereJd van de goden laat zich even zien, een wereld waarin verloop van tijd en het daaruit voortspruitende verval niet bestaan. Deze ervaring maakt ons, de toeschouwers, even tot tijdloze wezens, getuigen van de hemel van de goden. Het is daarom niet verwonderlijk dat in het verleden de vorsten van India deze kunstvorm stimuleerden.
Een vorstenhof wordt in hindoecontext veelal beschouwd als een manifestatie van de hemel van een god zelf op aarde. De vorst ziet in het ideale geval net als Visnoe of Indra bijvoorbeeld toe op de naleving van de dharma, de law and order in de wereld. Deze uitverkoren positie geeft de vorst ook zijn wettelijk gezag, zijn Danda, de 'staf' van de rechtspraak en het recht overtreders te straffen. De vorst is zo centrum van de ontmoeting tussen hemel en aarde, hij is een representant van de godheid op aarde. De relatie tussen vorstenhof en tempel wordt snel gelegd en het is dan ook niet verwonderlijk dat we dezelfde artiesten die in de tempel hun bijdrage leveren aan de cultus van de god ook aan het vorstenhof optreden. De vorst onderschrijft hiermee zijn goddelijke status en net zoals de onsterfelijke goden in de hemel hun Apsara's (hemelse danseressen) hebben, zo ook heeft hij een schare aan hemelse wezens om zich heen, de danseressen en dansers die de tijdloze daden van de goden in hun dansen en drama's weten weer te geven.

Bharata Natyam
Overigens is het interessant op te merken dat de moderne Indiase films met hun vaak zeer uitgebreide dansscŤnes de toeschouwers op een vergelijkbare manier in de gelegenheid stellen deel te nemen aan een wereld waarin alles anders is dan in het alledaagse. Er gebeuren in de films allerlei dingen die voor grote problemen en ontwrichting zouden zorgen indien dezelfde zaken zich in het leven van alledag zouden voordoen. De bovenwereldlijkheid van de voorstellingen op het witte doek, de onmogelijke liefdes en de ongekend heroÔsche daden worden in hun 'buitenwereldlijkheid' onderschreven door de vertoning van de hemelse kunsten in de vorm van de dansen van de filmdanseressen in wier poses de kunsten van de Apsara's hun naklank vinden. De uiteindelijke inspiratiebron van de dans, zo hoort men het in India vaak verwoord, ligt echter bij de goden.


Esthetische teksten

In het verleden zijn er in India instructies voor theater en dans vastgelegd in gezaghebbende esthetische werken. In deze teksten vinden we ondermeer instructies voor het bouwen van theaters, voorschriften voor het schrijven van toneelstukken en poŽzie en literair esthetische theorieŽn. Voorschriften over dans, dansposes en handhoudingen zijn ook vaak in dit soort teksten te vinden. Veel danstradities en goeroes die onderwijs verzorgen in Indiase dans proberen hun traditie te relateren aan de oude gezaghebbende werken over esthetica omdat dit hun traditie prestige geeft. Soms is deze relatering terecht, maar ze leidt soms tot misvattingen als zouden bepaalde danstradities of soms zelfs specifieke choreografieŽn in India minstens 'vijfduizend jaar' oud zijn. Worden dit soort aantallen van jaren genoemd dan wordt daarmee meestal bedoeld dat een dansvorm traditioneel is en eventueel in verband te brengen is met de autoriteit van de oude bronnen, hoe gekunsteld zo'n relatering in moderne ogen ook mag zijn.
Toch zijn in een aantal van deze oude bronnen al allerlei karakteristieken van de Indiase dans terug te vinden. Zo zijn er bijvoorbeeld hele reeksen van mudra's, karakteristieke handhoudingen, en lichaamsposen waarmee een optredend artiest een verhalend element in lichaamshoudingen kan vertalen. Dankzij deze taal van mudra's en houdingen kan een artiest communiceren met een publiek dat de taal waarin het verhaal dat hij of zij presenteert wordt gezongen niet kent. Deze gebarencode biedt een weergave van de woorden in lichaamstaal, een lichaamstaal die soms ook over grote afstand begrijpelijk is voor een grote menigte. Een aantal van de poses en handhoudingen zien we ook tegenwoordig nog terug in de filmdans en in het werk van moderne Indiase choreografen.
India kent talloze danstradities: Chau, Kathakali, Kuttiyattam, Kuchipudi, Mohiniyattam etcetera. Hier wil ik verder aandacht besteden aan een paar dansvormen die ook in Nederland bij gelegenheid in schouwburgen en theaters te zien zijn: Bharata Natyam, Odissi en Kathak.


Courtisanes

Bharata Natyam is de dans die is voortgekomen uit de dansen en rituelen van de Devadasi's, de 'dienaressen van god'. Oorspronkelijk vinden we deze dans vooral in Zuid-India. Bharata Natyam is zonder meer de bekendste van de Indiase klassieke dansen en tegenwoordig wordt deze dansvorm ook buiten India steeds meer beoefend. De Devadasi's golden in India als vrouwen die geluk brachten. Dit was mede het geval doordat zij via een ritueel uitgehuwelijkt werden aan een van de goden. Aangezien de goden eeuwig leven, konden deze vrouwen dus nooit weduwe worden en hun gelukbrengende status, namelijk die van een gehuwde vrouw, was dus eeuwigdurend. Helaas zijn de Devadasi's in de 19e en de 20e eeuw nogal in opspraak geraakt omdat ze naast hun functies in de tempels vaak ook als courtisanes dienst deden aan de vorstenhoven van Zuid-India en in de huizen van de welgestelden optraden. Vaak onderhielden ze dan relaties met hun rijke patroonheer. Onder verdenking van prostitutie werd de tempeldienst van de Devadasi's uiteindelijk verboden in 1947 en veel van deze vrouwen waren toen daadwerkelijk veroordeeld tot een bestaan als prostituee. Hiermee werd een bestaand vooroordeel bevestigd.
Het is te danken aan de inzet van enkele vrouwen dat de danskunst van de Devadasi's niet geheel verloren is gegaan. Rukmini Devi bijvoorbeeld was een van de meest prominente die de waarde van deze

Shiva Nataraja, de Heer van Chidambaran (brons, 12e eeuw)
De dans van Shiva

Eens zaten de zeven wijzen bijeen in het Pijnbomenwoud in de Himalaya. Door hun ascetische oefeningen kregen zij zoveel macht dat de goden zich bedreigd voelden. Shiva en Visnoe besloten de macht van de zieners te breken. Visnoe veranderde zich in een mooie jonge vrouw, Shiva in een jonge asceet. Visnoe verscheen temidden van de zeven zieners terwijl Shiva naakt temidden van de zeven echtgenotes van de zieners verscheen. De heilige mannen waren hun ascetische geloften direct vergeten en renden vol hartstocht achter Visnoe aan. De vrouwen, een en al verliefdheid, achtervolgden de mooie jonge Shiva. De beide goden liepen een aparte route door het woud maar op een plek ontmoetten zij elkaar en ze verdwenen direct daarop. De zieners en hun echtgenotes schaamden zich diep nu ze van elkaar gezien hadden dat hun kuisheid en ascetische macht gebroken was.

In hun gemoed zinden zij op wraak op de goden die hen dit onheil hadden aangedaan. Ze hielden een groot vuurritueel en ze riepen Shiva en Visnoe op. De beide goden verschenen. Uit het vuur kwam een tijger te voorschijn, Shiva vilde hem met zijn pinknagel en sloeg de huid om zijn lendenen. Een demonisch hert sprong op hem af maar Shiva nam het diertje in zijn handen. Diverse gruwelijke wapens kwamen voort uit het vuur gericht tegen de beide goden, maar Shiva nam deze alle in zijn handen en ontnam hen de kracht. Uiteindelijk kwam er een demon voort uit het vuur die op Shiva afstormde. Shiva sprong op de demon en brak deze de rug. Vervolgens begon hij een wilde dans waarin de gehele kosmos deelde. Ook de zieners deelden in Shiva's dans en er ontstond een nieuw evenwicht.

Na afloop van de dans keerde Visnoe terug naar zijn hemel en hij vertelde de slang Shesha over de dans van Shiva. Shesha was diep onder de indruk en vroeg Visnoe of Shiva ooit nog eens zijn dans zou vertonen. Nu had Shiva inderdaad beloofd zijn dans nog eens op te voeren in de heilige stad Chidambaram. Shesha uitte de hartstochtelijke wens deze dans te zien en hij werd hiertoe geboren als zoon van een zienersechtpaar en hij droeg de naam Patanjali. Zijn bovenlichaam was dat van een mens, zijn onderlichaam dat van een slang. Hij begaf zich naar Chidambaram om daar te wachten op de dag dat Shiva daar zou dansen. Een andere asceet, Vyaghrapada geheten hield hem daar gezelschap. Deze asceet had als gevolg van een ascetische gelofte tijgerklauwen gekregen. Zo kon hij in de bomen klimmen om daar bloemen voor de verering van Shiva te plukken voordat de bijen of de zonnestralen ze zouden hebben aangeraakt.

Nu was Chidambaram in die tijd in het bezit van een boosaardige godin. Ze had een grote demon in de vorm van een buffel vernietigd, maar haar woede raasde voort en verbrandde de gehele streek. Toen kwam de dag waarop Shiva verscheen. Hij daagde de godin uit tot een danswedstrijd met als inzet het bezit van Chidambaram. De dans werd ingezet en uiteindelijk versloeg Shiva de godin door een speciale pose, de Urddhvatandava, een houding waarbij een been loodrecht omhoog langs het lichaam wordt gehouden. Deze houding kon de godin niet uitvoeren omdat ze hem niet gepast achtte voor een vrouw. Ze gaf het bezit van Chidambaram op en ze begaf zich naar de rand van de stad waar ze tot op de dag van vandaag in de Tillaiampal tempel 'in genade' verblijft. Shiva echter danst zijn overwinningsroes tot op heden in de Anandatandava, de kosmische dans die zo roerend is weergegeven in de bronzen van de Zuidindiase Chola dynastie.

danskunst inzag en als brahmaanse vrouw maakte zij zich vertrouwd met deze dansvorm. Een andere grote danseres van deze eeuw was Balasarasvati die in haar jeugd zelf als Devadasi gewijd is. Over haar legendarische dansen doen veel verhalen de ronde. Zo wordt er bijvoorbeeld verteld dat zij eens aan het dansen was toen het vel van de trommel scheurde. Er was geen andere trommel beschikbaar zodat er niets anders opzat dan het trommelvel te vervangen. Balasarasvati liet het couplet dat ze net op dat moment aan het dansen was tientallen keren herhalen net zolang tot de trommel gerepareerd was. Haar ervaring en expertise waren zo groot dat ze al improviserend de oneindige herhalingen van het couplet tot een mooi verhalend geheel aaneen wist te rijgen.


Tour de force

Kenmerkend voor de scholing in de Bharata Natyam is dat de leerling een rituele eerste voorstelling, de zogenaamde Arangetram, het 'betreden van het podium' moet volbrengen als afronding van het eerste stadium van de opleiding. In Madras kunnen deze eerste optredens 'in het seizoen' vrijwel wekelijks worden bekeken, maar ook in Nederland vinden er geregeld Arangetrams plaats. De laatste jaren begint de Bharata Natyam sterk te lijden aan effectbejag, de kostuums glanzen van het goudbrokaat en acrobatische toeren verdringen de diepgang van de emotionele verwoording en verbeelding. De invloed vanuit de populaire filmdans is ook erg groot. Ook is te zien dat veel teksten die oorspronkelijk in Telugu zijn gecomponeerd, de meest melodische taal van India, in Tamil worden vertaald, omdat velen het Telugu niet meer begrijpen. Jammer of niet jammer, daarover kan men van mening verschillen, dit proces toont in ieder geval aan dat de Bharata Natyam geen kunstmatig levend fossiel is uit een vervlogen verleden maar een traditie die nog, of misschien liever weer, volop leeft.
De opbouw van een Bharata Natyam voorstelling ziet er als volgt uit. Meestal staat er een beeld van Nataraja, Shiva als 'Heer van de dansers' aan de rechterkant, de gunstige kant, van het podium vanuit het publiek gezien. Het orkest zit links. De danseres brengt eer aan het beeld, het orkest en aan het publiek dat in principe kan bestaan uit goden, vorsten en gewone mensen, deze drie groepen worden symbolisch verwelkomd. Tevens vraagt de danseres moeder aarde om vergeving voor het stampen van haar voeten. Een ander gebaar maakt de danseres tot het centrum van de wereld, een wereld die zij ter plekke schept en waarin zij de mythen voltrekt in de vorm van de verhalen die zij verbeeldt.
De eerste dans bestaat vaak uit een aanroeping van een of meer goden. Vaak wordt Ganesha aangeroepen opdat hij de hindernissen zal wegnemen. Sarasvati wordt ook vaak aangeroepen als godin van de schone kunsten. De naam van Nataraja, de god van de dansers horen we eveneens vaak in het begin van een voorstelling. Hierna volgt de Alarippu, een openingsdans waarin het lichaam van de optredende artiest zich beweegt als een bloemknop die zich opent, van klein naar groot, van langzaam naar snel. Na de Alarippu wordt vaak een Jatisvaram gedanst, een abstracte dans waarin melodie (svara) en ritme (jati) met elkaar gecombineerd worden tot een geheel. Zeer ervaren dansers en danseressen improviseren gedurende de Jatisvaram, maar meestal wordt er gedanst op vastgestelde choreografieŽn. De Shabdam volgt, een lied waarin een godheid of een vorst wordt geprezen. De expressie gaat hier doorgaans niet echt de diepte in, maar blijft sterk verhalend van karakter. De coupletten worden afgewisseld met abstracte danspassen.
Na de Shabdam volgt de Varnam, de tour de force van het Bharata Natyam programma. In de Varnam vertelt een meisje meestal over haar liefde voor een godheid of voor een koning. De coupletten worden afgewisseld door abstracte dans die op geraffineerde wijze de spanning van de handeling kunnen opvoeren. Verderop in de Varnam wordt het tempo versneld en kunnen de verbeelde emoties in een stroomversnelling geraken. De Varnam is het zwaarste onderdeel van een Bharata Natyam voorstelling. De expressie gaat in de Varnam de diepte in en de danseres of danser wordt in gelegenheid gesteld ieder aspect van zijn of haar kunnen te vertonen binnen het kader van de handeling. Het publiek is in India vaak het meest gefascineerd door Varnams, maar men is er ook vaak erg kritisch op.
Na de Varnam ontspant de sfeer zich iets en er worden een aantal Padams of Javalis gepresenteerd, ietwat lichtere liederen waarin de liefde voor een godheid of voor een vorst wordt beschreven. De voorstelling wordt afgesloten door een abstracte dans, de Tillana, waarin ritme en melodie samengaan. De Tillana geeft via een laatste esthetische ervaring het publiek de gelegenheid tot een uitgebalanceerde afronding van de voorstelling te komen. Een Shloka, een versregel waarin voorspoed en heil aan het publiek toegewenst, vormt vaak het allerlaatste onderdeel van de gehele voorstelling.


Dansgoeroes

Odissi is een dansvorm die afkomstig is uit Orissa in het oosten van India. Deze danskunst was onderdeel van de tempeldienst maat net als bij de Bharata Natyam traden de Odissidansers en danseressen ook op aan de hoven van de vorsten en in de huizen van de gegoede burgerij. Een belangrijke rol in de ontwikkeling van de Odissi werd gespeeld door de tempel van Jagannatha in Puri. Tot zeer recent traden er danseressen, de Mahari's, op in de rituelen rond deze godheid die samen met zijn broer Balabhadra en zijn zus Subhadra in deze grote tempel wordt vereerd. De Odissidanstraditie heeft veel minder dan de Bharata Natyam te maken gehad met het vooroordeel van vermeende prostitutie. Toch is er in deze traditie veel verloren geraakt, met name de dansmuziek. In de vorm waarin de dans tegenwoordig wordt onderricht is dan ook geregeld sprake van reconstructies op grond van teksten en naar zeggen van de dansgoeroes ook op grond van bestudering van de tempelsculpturen van hemelse danseressen zoals die te vinden zijn op de reliŽfs van de tempels van Bhuvaneshvar, Puri en Konarak. Gedurende bepaalde perioden in de geschiedenis, met name in de 17e eeuw, was het vrouwen niet toegestaan Odissidansen uit te voeren. In deze perioden werd de traditie voortgezet door jongens, de Gotipua's, die alleen gedurende hun vroege jeugd dansten. Veel van de mannelijke dans goeroes die tegenwoordig Odissi onderrichten hebben in hun jeugd als Gotipua gedanst.
Zeer karakteristiek voor de abstracte dansen van het Odissi repertoire zijn houdingen waarbij het lichaam doorbuigt, de zogenaamde Bhangi's. In hun bewegingen worden de Odissi danseressen verondersteld kronkelige ranken van klimplanten te imiteren. Dit brengt met zich mee dat Odissi in vergelijking met andere dansstijlen een barokke weelde tentoonspreidt. De liederen van de Odissi dans zijn doorgaans in Sanskriet en in Oriya gecomponeerd. Heel bijzonder zijn de uitvoeringspraktijken van de Ashtapadi's, liederen van acht strofen uit de Gitagovinda, een Sanskrietwerk van de 12e eeuwse dichter Jayadeva. In dit werk bezingt Jayadeva de liefde van Radha en Krishna in bijzonder verfijnde lyrische taal. In vrijwel iedere Odissidans voorstelling zijn een of meer van deze Ashtapadi's terug te vinden. Heel beroemd is de Dashavatara hymne, een Ashtapadi waarin de tien incarnaties van Visnoe of Krishna worden beschreven.

Kathak is de meest abstracte van de Indiase klassieke tradities. Dit abstracte karakter van de Kathak wordt soms verklaard vanuit een relatief grote inbreng van de islam in Noord-India, het land van herkomst van deze traditie. De invloed van Iran en de verfijnde Perzische cultuur in de Kathak wordt overigens tegenwoordig ook vaak ontkend. De Kathak ontstond naar zeggen van veel IndiŽrs uit de verhalen van de rondtrekkende vertellers. Hoe de oorsprong van de Kathak ook geweest zal zijn, de dans kenmerkt zich door ongekend snelle en gecompliceerde ritmes waarin de artiest in de gelegenheid wordt gesteld alle kundigheid op dit terrein tentoon te spreiden. In bepaalde onderdelen gaan de bespeler van de tabla en de danser of danseres een soort ritmisch twistgesprek aan waarbij ze proberen elkaar aan te vullen in hun kennis van de ritmen of zelfs elkaar te overtreffen. Kathak kent een aantal scholen, de zogenaamde Gharana's. De bekendste Kathakgharana's zijn die van Jaipur, Varanasi en Lucknow. Liederen die bij Kathak worden gezongen zijn vaak in het Hindi en het Urdu, maar soms zijn de liederen ook in Sanskriet, Farsi of Brajbhasha. Deze laatste taal wordt als bijzonder heilig beschouwd omdat het de taal is die Krishna gesproken zou hebben toen hij op aarde leefde in het Brajgebied, de streek rond Mathura en Agra. Bij de meeste Kathak voorstellingen komen verhalende elementen naar voren, veelal handelend over Krishna en zijn gezellen en gezellinnen die al dan niet gelijk gesteld worden aan de hovelingen. Ook zijn er liederen over aardse liefde of met humoristische inhoud. De abstracte dansen overheersen echter meestal in een Kathakvoorstelling.

xxx




begin document

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 19 september 2007