terug
Uit: India Nu 129 (jan-feb 2001)


Communisten in West-Bengalen

Het vertrek van Jyoti Basu


Calcutta, 3 november 2000. Als hij onder politiebegeleiding in een witte Ambassador bij Writers' Building, de zetel van de regering van West-Bengalen, wegrijdt, laat hij de deelstaat met een ongewisse toekomst achter. Jyoti Basu zet na een record van bijna 24 jaar een punt achter zijn premierschap van West-Bengalen, en wordt opgevolgd door vice-premier Bhattacharya. Over de opkomst van zijn partij, de communistische CPI(M) en de politieke toekomst van West-Bengalen.

Sinds de oprichting van de Communistische Partij van India (CPI) in 1920 werd deze twee keer voor meerdere jaren verboden. Voor het eerst gebeurde dat onder Brits bestuur in 1933 wegens aanzetten tot onrust en stakingen. De tweede keer was in 1948 onder Indiaas bestuur. De Congres Partij vormde het landsbestuur en de CPI voerde fel oppositie, tot soms terreuracties aan toe. Vooral in die periode verloor de CPI landelijk veel steun, die zij nooit meer herwon. De positie van de communisten werd er één in de marge. In West-Bengalen ontstond echter een heel andere situatie. In deze staat speelden allerlei factoren een rol, die in andere staten niet golden.


Unieke situatie

De voor de staat meest specifieke factor is dat op religieus gebied niet één bepaalde hindoekaste dominant is ten opzichte van andere. Naast een keur van hindoekasten, bestaat er ook een aanzienlijk aandeel tribalen en moslims. Regionaal zijn er verschillen in bevolkingssamenstelling, en bestaat er wel degelijk dominantie van een bepaalde groep ten opzichte van andere, maar over de hele deelstaat bezien is er vooral sprake van heterogeniteit. De macht in de deelstaat winnen is dus niet een kwestie van opkomen voor de belangen van de dominante kaste, zoals dat in andere deelstaten het geval is. Om die reden moeten politieke partijen in West-Bengalen zich, om steun te verkrijgen van de bevolking, op andere zaken richten dan de (religieuze) belangen van een dominante kaste, of zelfs van hindoes in het

Jyoti Basu voor Writers' Building (foto: Parth Sanyal)
algemeen. Dat gaf bijvoorbeeld communisme de kans op te komen. Maar daarbij spelen nog diverse andere factoren een rol - twee in het bijzonder.
De voor India ongebruikelijk losse greep van de bezittende klasse (zamindars) op de lagere klassen van de bevolking maakte enerzijds dat de bevolking niet snel geneigd was in opstand te komen tegen de elite. Anderzijds betekende het dat er geen grootschalige angst voor represailles bestond als mensen een nieuwe groepering wilden oprichten of volgen.

Verder was de Indiase onafhankelijkheid van 1947 belangrijk voor Bengalen, dat zich door de partition gehalveerd zag. De inwoners van Bengalen hebben de Congres Partij, die als regeringspartij in die tijd (mede)verantwoordelijk werd gehouden voor de partition, dit verlies van gebied altijd verweten. Dat punt kwam regelmatig terug in verkiezingscampagnes.


Van Congres Partij tot Links Front

Toch was de steun voor de Congres Partij groot genoeg om van 1947 tot 1967 het deelstaatbestuur te kunnen vormen. Deels kwam dat door het charisma van lokale leiders, deels door het respect dat de Congres Partij toch genoot voor de rol die zij gespeeld had bij het verkrijgen van onafhankelijkheid. De gevoelens van veel Bengalen ten opzichte van de Congres Partij zijn daarom nogal ambivalent.
Naarmate de tijd verstreek werd het bestuur van de Congres Partij in de staat - met name in de jaren '60 - steeds meer gekenmerkt door corruptie, inefficiëntie en onenigheid. In 1965 kwam het tot een breuk: de partij werd gesplitst in het 'Congres' en het nieuwe 'Bengaals Congres'. Twee droogtes midden jaren '60 met als gevolg mislukte oogsten en stijgende prijzen,

aankondiging demonstratie
(foto: xxx)
gooiden, in combinatie met demonstraties van de steeds sterker wordende linkse oppositie, meer en meer olie op het vuur.
In 1967 vond een ommekeer plaats. Het Congres (van 1965) verloor veel aanhang bij de verkiezingen. Een nieuwe coalitie, Links Front, nam het bestuur over. Naast het Bengaals Congres deden vooral communistisch en socialistisch georiënteerde partijen mee, waaronder de CPI(M), een marxistisch georiënteerde afsplitsing van de in 1920 opgerichte CPI.
Het Links Front kenmerkte zich door grote onderlinge verdeeldheid en kon zijn macht niet blijvend vestigen. De hele periode '67-'77 werd gekenmerkt door instabiliteit. Moorden, geweld en meedogenloos optreden tegen en door rebellerende groepen waren aan de orde van de dag. Regelmatig waren politieke partijen zelf actief betrokken bij het geweld. In deze periode was het deelstaatbestuur afwisselend in handen van het Links Front, of een coalitie geleid door het Congres, of - in noodsituaties - van de President van India in Delhi.
Het afzakken van het Congres na de eerste verkiezingsnederlaag in 1967 had tot een machtsvacuüm geleid in West-Bengalen. Dat werd pas in 1977 opgevuld toen de CPI(M) onder leiding van Jyoti Basu bij verkiezingen als grote winnaar uit de bus kwam. (Basu was toen al een oud-gediende die carrière had gemaakt als vakbondsleider, organisator van protestacties en vanaf 1967 enige malen als vice-premier.) In feite had de CPI(M) al bij verkiezingen in 1971 belangrijke winst geboekt. In steden bestond al langer ruime steun voor de communisten, maar op het platteland was dat niet het geval. Dat veranderde.
In West-Bengalen was een proces van landhervorming gaande. Het aantal grote bedrijven, waar vele landloze boeren tegen lage lonen werkten, was drastisch afgenomen. Veel kleine bedrijfjes waren daarvoor in de plaats gekomen, gerund door de vroeger landloze boeren. Die omschakeling verliep lang niet altijd vreedzaam. Tijdens haar regeerperiodes als deel van het Links Front wendde de CPI(M) zijn invloed aan om enerzijds op lokaal niveau de 'kleine' boeren te steunen en anderzijds de politie niet te laten ingrijpen als er conflicten ontstonden. Een beruchte actie is die bij Naxalbari in het noorden van de deelstaat in 1967. Op instigatie van lokale CPI(M)-leiders waren boeren een militante actie voor landtoeëigening begonnen, terwijl de politie niet mocht ingrijpen van het deelstaatbestuur. Ook op andere manieren had de CPI(M) zich, niet altijd legaal, ingezet voor de armen op het platteland. Die stemden vervolgens massaal op de CPI(M) in 1971. Op die winst bouwden de communisten voort. Het zou echter nog tot 1977 duren voor zich dat vertaalde in een daadwerkelijke verovering van de macht.


CPI(M): consolideren macht

Veel politieke leiders binnen de CPI(M) kwamen voort uit terroristisch-revolutionaire kringen die (zoals in '67 in Naxalbari, maar ook al lang daarvoor) al vele jaren de bezittende klasse bestreden en later overgingen op het communisme. Nu de partij aan de macht was, begrepen ze dat ze, als ze wilden blijven rekenen op steun van de kiezers, af moesten van hun militante imago. Ze moesten een meer democratische koers volgen. Daarom wijzigde de partij haar ideologie en kreeg een meer hervormingsgezinde dan revolutionaire inslag. De scherpe kantjes gingen eraf.
De strijd tegen de industriële elite en rijke grootgrondbezitters (zamindars) werd voortaan (meestal) met grondwettelijk verantwoorde middelen gevoerd. Bijvoorbeeld bij arbeidsconflicten kregen de werkgevers wel politiebescherming, maar ook de stakingen werden ondersteund. Zo kon de CPI(M) bij verkiezingen blijven rekenen op steun van arbeiders. (Hoewel de industriëlen zo nodig officieel bescherming krijgen, blijft het klimaat ongunstig voor veel grote bedrijven. Die trekken weg uit de staat of zien af van investeringen met als gevolg werkloosheid en meer armoede.)
Ondanks de gematigder koers, die de partij meer sociaal-democratisch dan communistisch maakt, is de interne partij-organisatie centralistisch van aard. Het militante verleden van diverse leiders binnen de CPI(M) staat daarmee in direct verband. Alle belangrijke beslissingen, ook op regionaal niveau, worden door de partijtop genomen en uitgevoerd door lagere, regionale functionarissen.


Verdiensten en falen

Er zijn belangrijke resultaten behaald. Te noemen zijn onder andere de (paradoxale) bestuurlijke hervormingen met meer macht voor de lokale panchayats (zie West-Bengalen neemt het voortouw van Robert van der Wolff in India Nu 128), maar ook herverdeling van landbouwgronden (die overigens hand-in-hand ging met soms door de CPI(M) ondersteund geweld), armoededaling in de deelstaat en (natuurlijk) inzet voor arbeiders.
Maar er is ook veel kritiek op de wijdverbreide corruptie en het lage democratische gehalte van het strakke bestuur. Bovendien wordt de CPI(M) beschuldigd van stelselmatige fraude, zo niet regelrechte terreur bij verschillende deelstaatverkiezingen. De CPI(M) heeft, zoals haar eigen gelederen, ook het publieke leven, inclusief vele vakbonden, stevig in haar greep. Eind 1998 kondigde de regerende CPI(M) zelf een algehele staking af in West-Bengalen om de oppositie tegen de centrale regering in New Delhi kracht bij te zetten. De actie was zeer succesvol, want het hele publieke leven kwam tot stilstand, wat de nog altijd grote macht van de CPI(M) tekende. Maar daarin lijkt verandering te komen.


Oppositie

In de afgelopen jaren heeft de CPI(M) steeds meer dubieuze middelen gebruikt om verkiezingsoverwinningen te realiseren. Het is aan deze middelen, maar ook aan de niet aflatende verdeeldheid van de oppositie te 'danken' dat de CPI(M) zo lang achter elkaar in het zadel heeft kunnen zitten. Of dit nog lang zo zal blijven, is zeer de vraag. Onder andere de corruptie en het toenemende geweld zijn koren op de molen van de steeds feller wordende oppositie. Hun speerpunt is de toename van (politiek) geweld en door CPI(M) ondersteund 'terrorisme' in de deelstaat, met name in de districten Mindapore en Bankura.
Mamata Banerjee leidt het Trinamul Congress, de grootste oppositiepartij van West-Bengalen. Tevens maakt haar partij deel uit van de landelijke coalitieregering National Democratic Alliance (NDA) in New Delhi, waar Banerjee Minister van Spoorwegen is. Vanuit die positie in de centrale regering oefent zij druk uit op de CPI(M) in West-Bengalen. Zij zint al enige tijd op het ontslaan van de deelstaatregering van West-Bengalen en het tijdelijk overdragen van het bestuur aan de President van India als noodmaatregel. De CPI(M) beschuldigt de oppositie er vervolgens van het geweld uit te lokken om zo 'presidentieel bestuur' af te dwingen, zoals dat begin jaren '90 ook gebeurde met de linkse regering in Tripura.
De regering Vajpayee heeft de steun van Banerjee nodig om een meerderheid te behouden, en wil haar daarom tevreden houden. Voorlopig hoogtepunt in de strijd was het bezoek in september van Minister van Defensie George Fernandes aan de staat. Fernandes liet zich kritisch uit over de situatie in Bengalen, maar van 'presidentieel bestuur' lijkt het voorlopig niet te komen. Binnen de bonte verzameling van coalitiepartners die in New Delhi de regering vormen, lijkt daarover geen eensgezindheid te bestaan, terwijl die wel nodig is. President K.R. Narayanan lijkt ook geen voorstander te zijn van dergelijke vergaande maatregelen. Mogelijk is Banerjee's Trinamul Congress daar niet eens rouwig om. Het doel om een negatief imago te geven aan de CPI(M) is zonder meer gelukt, en daar zal Banerjee bij de deelstaatverkiezingen van maart 2001 haar voordeel mee doen.

Jyoti Basu met zijn opvolger Bhattacharya (foto: Parth Sanyal)
Het is nog onduidelijk hoe het de CPI(M) zal vergaan onder Basu's opvolger Bhattacharya. Evenmin is duidelijk wat de rol van Banerjee's politieke vrienden in New Delhi zal zijn en of de oppositie eindelijk de schijnbare almacht van de CPI(M) kan breken. Zeker is wel, dat - met het naderen van deze verkiezingen - de strijd in de Bengaalse politieke arena in hevigheid zal toenemen.


Exit Basu?

En Jyoti Basu? Oud en ziek, maar hij verkiest actief te blijven voor de partij als lid van het Polit Buro. Misschien zou hij het liefst zijn laatste dagen, op kosten van 'zijn' West-Bengalen, in Engeland slijten waar hij de laatste jaren al een veel geziene gast was - veilig, van alle gemakken en verzorging voorzien en vooral ver weg van de vele vijanden die hij heeft gemaakt in zijn leven. Maar of zij hem zo gemakkelijk zullen laten gaan, staat te bezien. Gefluisterd wordt bovendien dat hij dan op zijn oude dag nog wel eens in toestanden à la Pinochet verzeild zou kunnen raken - daarvoor heeft hij genoeg op zijn geweten. Al met al zou hij dan nog wel eens in zijn oude, vertrouwde Calcutta het beste af kunnen zijn.

xxx

Bronnen:
1) Chatterjee, Partha, The present history of West Bengal, Essays in Political Criticism. Delhi, 1998.
2) Kohli, Atul, From Breakdown tot Orde: West Bengal, in: Chatterjee, Partha (red.), State and Politics in India. New Delhi, 1998.
3) Moorhouse, Geoffrey: Calcutta, The City revealed. New Delhi, 1971.




India Nu

HOME Landelijke India Werkgroep

Landelijke India Werkgroep - 29 december 2004