print terug

Ministerie van
Buitenlandse Zaken

Ministerie van
Sociale Zaken en
Werkgelegenheid

Postbus 20061
2500 EB 's-Gravenhage
tel. 070-3485310
Postbus 90801
2509 LV 's-Gravenhage
tel. 070-3334444


Landelijke India Werkgroep
T.a.v. De heer G. Oonk
Mariaplaats 4
3511 LH Utrecht



Uw brief
dd 31 oktober 2003

Onderwerp
'Stop Kinderarbeid - School, de beste werkplaats'

Ons kenmerk
IZ/IA/2003/92545

Datum

Contactpersoon
Anita Blom
(070) 333 5619
Pauline van der Aa
(070) 348 5310



Geachte heer Oonk,

Hartelijk dank voor uw brief van 31 oktober met betrekking tot de Europese campagne 'Stop kinderarbeid - School, de beste werkplaats'.

Wij zijn het inderdaad volledig met u eens dat ieder kind recht heeft op kwalitatief goed onderwijs. Dat is ook het uitgangspunt van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid op het gebied van basic education. In samenwerking met andere donoren en de partnerlanden probeert Nederland de Education for All doelstellingen van 2015 te bereiken door middel van de ondersteuning van het onderwijsbeleid van de partnerlanden. Bij de desbetreffende overheden wordt er op aangedrongen in hun onderwijssectorplannen maatregelen op te nemen die het mogelijk maken ook de meest gemarginaliseerde groepen, inclusief werkende kinderen, te bereiken.

Ten aanzien van onderwijs betekent dit concreet dat ons beleid erop gericht is om die vormen van kinderarbeid uit te bannen die kinderen belemmeren in hun ontwikkeling en het onmogelijk voor hen maakt kwalitatief goed en gratis onderwijs te volgen. Nederland pleit hier actief voor, zowel in de dialoog met de overheid van de partnerlanden, alsmede op het internationale niveau.

In tegenstelling tot wat in uw notitie is opgenomen, is de Nederlandse regering van mening dat op termijn alle vormen van kinderarbeid uitgebannen dienen te worden, waarbij vooralsnog, conform ILO-Verdrag 182, prioriteit zal worden gegeven aan de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid. Ondanks de grote aandacht die nu uitgaat naar dit verdrag, beschouwen wij ILO-Verdrag 138 als het basisverdrag voor de bestrijding van kinderarbeid en ILO-Verdrag 182 is daar complementair aan. Dit is ook wat Nederland uitdraagt tijdens internationale bijeenkomsten, zoals bijvoorbeeld tijdens de Wereldkindertop (2002) en alle daaraan voorafgaande bijeenkomsten.

Overigens hebben de cijfers in het Global Report "A Future without Child Labour" aangetoond dat van de 246 miljoen kinderen die het slachtoffer zijn van kinderarbeid, zo'n 180 miljoen kinderen betrokken zijn bij de ergste vormen van kinderarbeid. Met de aandacht voor de bestrijding van de ergste vormen van kinderarbeid, richt de overheid zich dus op de allergrootste groep, zonder echter daarbij de uiteindelijke doelstelling uit het oog te verliezen.

In uw notitie 'Kinderarbeid, basisonderwijs en het Nederlandse ontwikkelingsbeleid' stelt u dat "het Nederlandse beleid m.b.t. onderwijs geen expliciete visie en aanpak heeft die gericht is op het integreren van circa 200 miljoen werkende kinderen wereldwijd in voltijds onderwijs". Het Nederlandse beleid is echter wel degelijk gericht op het bevorderen van gelijke kansen voor met name kansarme groepen om deel te nemen aan onderwijs en om de relevante basisvaardigheden en -kennis te verwerven voor een productief, vreedzaam een rechtvaardig bestaan. Om dit te kunnen bereiken is het niet in alle gevallen voldoende om alleen het formele onderwijssysteem te versterken. Een deel van de intensiveringsmiddelen voor onderwijs zullen daarom ook ingezet worden om andere vormen van onderwijs in de partnerlanden te ondersteunen. Hierbij kan gedacht worden aan non-formele, alternatieve vormen van onderwijs, beroepsonderwijs en -trainingen, die natuurlijk ook aan kwaliteitseisen dienen te voldoen. Nederland maakt dus zeer zeker wel werk van een beleid dat werkende kinderen uitzicht geeft op kwalitatief goed en gratis onderwijs.

Hoewel de cruciale rol van onderwijs in de bestrijding van kinderarbeid niet ter discussie staat, zijn wij van mening dat een benadering die zich uitsluitend richt op toegang tot onderwijs, te eenzijdig is voor deze gecompliceerde problematiek en voorbijgaat aan bijvoorbeeld het belang van de bevordering van de naleving van alle fundamentele arbeidsnormen, het implementeren van wetgeving, toezicht op naleving van regelgeving (o.a. middels arbeidsinspectie), het tegengaan van sociale uitsluiting en het ondersteunen van de vakbonden.

In de keuze voor ondersteuning van projecten van internationale organisaties als EU, WB, UNICEF, UNESCO en de ILO, wordt zeker gekeken of onderwijs een substantieel deel uitmaakt van de wijze van bestrijding van kinderarbeid en wordt veelvuldig gewezen op het belang van de relatie kinderarbeid en onderwijs. Bijvoorbeeld in het nieuwe partnershipprogramma met de ILO voor de periode 2004-2005 zal dan ook de helft van het budget (€ 12.5. miljoen) gereserveerd zijn voor basic education. Bovendien wordt er bij deze organisaties op aangedrongen om zoveel mogelijk samen te werken met andere relevante organisaties.

Voorts verwijst u in de notitie naar de samenwerking tussen de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Ontwikkelingssamenwerking. Deze samenwerking tussen de beide ministeries is gericht op complementariteit en coherentie. Op basis van specifieke verantwoordelijkheden van de beide departementen is sprake van een goede samenwerking met als uitgangspunt een efficiënt beleid op het gebied van kinderarbeid en onderwijs.

Nogmaals hartelijk dank voor uw constructieve input, die zowel het Ministerie van Sociale Zaken alsmede Ontwikkelingssamenwerking stimuleert kinderarbeid hoog op de (inter)nationale agenda te houden. We wensen u veel succes met de campagne.

Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,

(mr A.J. de Geus)
Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

(A.M.A. van Ardenne-van der Hoeven)



Landelijke India Werkgroep - 6 januari 2004