terug
buza030418  

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 december 2003

Graag bied ik u hierbij mijn reactie aan op uw verzoek van 7 november 2003 met kenmerk TK 03-BuZa-71 inzake Toezeggingen en Verplichtingen SAVVN Kindertop.

U vraagt naar de stand van zaken met betrekking tot:
1.de navolging van toezeggingen en verplichtingen naar aanleiding van de speciale zitting van de AVVN over kinderen die plaatsvond in mei 2002;
2.de Nederlandse inspanningen na de ratificatie van de ILO Conventie 182, inzake de ergste vormen van kinderarbeid;
3.de evaluatie van het Nationaal Actieplan tegen commerciële uitbuiting, ingevolge de Yokohama Global Commitment.

Speciale zitting AVVN over Kinderen, 8-10 mei 2002

U wilde weten of de verplichting tot het opstellen van een nationaal actieplan is nagekomen en hoe de inhoud van het Outcome Document in het regeringsbeleid in en vanuit Nederland gestalte krijgt. U geeft aan in het bijzonder geïnteresseerd te zijn naar de uitwerking van de Millennium Development Goals, die betrekking hebben op onderwijs en HIV/AIDs.

Op de VN-Kindertop in New Vork is besloten dat staten in samenspraak met maatschappelijke organisaties en kinderen zelf, een Nationaal Actieplan zullen opstellen waaruit blijkt hoe zij de resultaten van de Kindertop zullen uitvoeren. Over de uitvoering van deze verplichting heeft in Nederland overleg plaatsgevonden met het Kinderrechtencollectief, een coalitie van organisaties die zich inzetten voor kinderen en kinderrechten. Overeengekomen is te kiezen voor rechtstreekse consultatie van kinderen, enerzijds via de website www.kinderrechten.nl en anderzijds via consultaties in de klas. Deze consultatie heeft plaatsgevonden met financiële steun van de rijksoverheid. Onlangs is het verslag van deze consultatie gereed gekomen. In het halfjaarlijkse overleg met het Kinderrechtencollectief van 27 november 2003, zijn de betrokken departementen en organisaties overeengekomen dit verslag als basis voor het op te stellen Nationaal Actieplan Kinderen te gebruiken. Het streven is dit NAP Kinderen in januari 2004 aan de Verenigde Naties en de Tweede Kamer te zenden.

Waar relevant wordt in het Actieplan onder de prioriteiten die de kinderen en jongeren benoemen ook het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking uitgewerkt. Daarbij zal de notitie "Aan Elkaar Verplicht" richtinggevend zijn. De beleidvoornemens in deze nota waarin onderwijs, reproductieve gezondheid, HIV/AIDS, milieu en water centraal staan, bieden ruime mogelijkheden voor beleid ten aanzien van kinderen en jongeren.

Hieronder wordt aangegeven hoe kinderen en jongeren aandacht krijgen binnen deze thema's.

1. Onderwijs

Kinderen en jongeren staan centraal in deze beleidsprioriteit. Doelstelling is kwalitatief hoogstaande basic education voor iedereen. Hieronder wordt verstaan: voorschoolse ontwikkeling, lager (beroeps)onderwijs en alfabetiseringsprogramma's.
De deelname van meisjes aan onderwijs krijgt specifieke aandacht. Ook is er aandacht voor factoren die toegang tot onderwijs belemmeren, zoals kinderarbeid. Op langere termijn streeft Nederland naar het uitbannen van alle vormen van kinderarbeid, maar vooralsnog wordt prioriteit gegeven aan de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid conform de ILO Conventie 182. Dit betreft schuldslavernij, gedwongen rekrutering van kinderen om in een gewapend conflict te dienen, kinderhandel, kinderprostitutie en kinderpornografie. Naast toegang tot goed en gratis onderwijs zijn preventie, reïntegratie en rehabilitatie van kinderen die slachtoffer zijn geworden van kinderarbeid belangrijke aandachtspunten. Tenslotte zal binnen het stabiliteitsfonds extra aandacht worden besteed aan de reïntegratie van strijders. Hieronder vallen ook kindsoldaten.

2. Reproductieve gezondheid

Reproductieve gezondheid is vooral in de transitiefase van kind naar volwassene heel belangrijk en bepalend voor de toekomst van kinderen en jongeren in de maatschappij. Kinderen en jongeren (met name meisjes) worden in toenemende mate slachtoffer van seksueel misbruik, uitbuiting en geweld zoals incest, kinderprostitutie en kinderpornografie en eerwraak tegen meisjes. Ook genitale verminking wordt tot seksueel geweld gerekend.
Specifiek wordt gewerkt aan:

  • bescherming tegen seksueel misbruik, uitbuiting van en geweld tegen kinderen.
  • verbeteren van informatie, voorlichting en toegang tot voorbehoedsmiddelen.
  • bevorderen van seksuele en reproductieve rechten van jongeren.
  • preventie van onveilige abortus en bevorderen van toegang tot veilige abortusvoorzieningen.
  • verbeteren van seksuele en reproductieve gezondheidsvoorzieningen voor vluchtelingenjongeren.

    HIV/AIDS

    De HIV/AIDS epidemie heeft grote gevolgen en is een groeiend probleem voor kinderen en jongeren in ontwikkelingslanden. Het belang van preventieve maatregelen in de vorm van informatie en voorlichting voor jongeren geldt ook voor het thema HIV/AIDS. Aandacht voor seksuele en reproductieve gezondheid, en vergroting van zeggenschap van jongeren, met name meisjes, zijn hierbij fundamenteel. Daarnaast is er aandacht voor de opvang van de gevolgen van HIV/AIDS en toegang tot zorg en behandeling, waaronder voeding en medicijnen.
    Een van de maatschappelijke gevolgen van HIV/AIDS is het groeiende aantal "Orphans and Children Made Vulnerable by HIV/AIDS" (OVC). Deze kinderen hebben specifieke aandacht nodig. Om verdere stigmatisering van wezen te voorkomen, wordt aansluiting gezocht bij bestaande initiatieven op het gebied van onderwijs, basisgezondheidszorg (inclusief voeding), juridische systemen en bescherming tegen misbruik, uitbuiting en geweld van alle kwetsbare kinderen (bijvoorbeeld straatkinderen).

    ILO Verdrag 182

    Nederland heeft in februari 2002 ILO-Verdrag 182 betreffende de onmiddellijke uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid bekrachtigd. De nationale regelgeving was reeds grotendeels in lijn met het Verdrag.

    Met betrekking tot artikel 3b van het Verdrag zijn recentelijk enkele aanpassingen doorgevoerd. Op 1 oktober 2000 is de wet inzake de opheffing van het algemeen bordeelverbod in werking getreden. De uitbating van minderjarige prostituees is strafbaar gebleven. Ook het verrichten van seksuele handelingen met een minderjarige prostituée van 16 en 17 jaar is strafbaar gesteld. Voorts is per 1 oktober 2002 de partiële wijziging zedelijkheidswetgeving van kracht geworden. Hierbij is de leeftijdsgrens voor kinderpornografie verhoogd van 16 jaar tot 18 jaar en is ook virtuele kinderpornografie strafbaar gesteld. Verder is de uitbating van minderjarigen voor pornografische optredens uitdrukkelijk strafbaar gesteld.

    ILO-Verdrag 182 verplicht tot het opstellen van een actieprogramma voor het uitbannen met voorrang van de ergste vormen van kinderarbeid. De Nederlandse regering gaat er van uit dat de Nederlandse wet- en regelgeving reeds voorziet in een afdoende verbod op de ergste vormen van kinderarbeid. Het Nederlandse actieprogramma is dus - anders dan in het geval van vele andere landen - niet zozeer gericht op het uitbannen van de ergste vormen van kinderarbeid door middel van regelgevende maatregelen, maar spitst zich toe op het voorkomen dat kinderen in een situatie van kinderarbeid terechtkomen en op de handhaving van de bestaande regelgeving die een verbod van de ergste vormen van kinderarbeid inhoudt. Dit betekent dat de projecten in het actieprogramma, vooral gericht zijn op preventie, voorlichting en toezicht.

    In maart 2001 werd het definitieve actieprogramma, na consultatie van sociale partners en ngo's naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 25 640, nr. 2). In de rapportage over de naleving van ILO Verdrag 182, die in 2004 wordt opgesteld, zal informatie over de voortgang en aanpassingen van het actieprogramma worden opgenomen.

    In februari 2002 heeft Nederland een internationale conferentie georganiseerd over kinderarbeid: Combating child labour - Building alliances against hazardous work. Het doel van de conferentie was tweeledig; enerzijds gericht op de uitwisseling van expertise en ervaring met betrekking tot de identificatie van hazardous work, en de praktische implementatie en handhaving van regelgeving hieromtrent. Anderzijds stond" de samenwerking tussen verschillende actoren, essentieel om kinderarbeid effectief te bestrijden, centraal. Participanten aan de conferentie waren afkomstig uit meer dan veertig landen en vertegenwoordigden overheden, sociale partners, arbeidsinspecties, internationale organisaties en ngo's.

    Naar aanleiding van deze internationale conferentie heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie een helpdesk opgezet ten behoeve van de International Association of Labour Inspection (IALI). De helpdesk is toegankelijk voor IALI leden en fungeert als data bank en intermediar bij de uitwisseling van informatie over kinderarbeid, succesvolle strategieën om die te bestrijden en voor wederzijdse technische assistentie. Nederlandse Arbeidsinspecteurs geven tevens trainingen aan arbeidsinspecteurs in ontwikkelingslanden over kinderarbeid en over veiligheid en gezondheid op de werkplek.

    In 2002 is op de site van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgele- genheid (www.minszw.nl) het Jongerenloket geopend, met informatie voor jongeren over werk (vakantiebaantjes, minimumloon, belasting), maar ook met informatie over welke werkzaamheden jongeren van verschillende leeftijden wel en niet mogen verrichten. De site biedt ook de mogelijkheid om vragen te stellen aan de Minister van SZW.

    In het kader van ontwikkelingssamenwerking financiert Nederland het werk van de ILO en UNICEF. Het Child Protection programma van UNICEF, waarin kinderarbeid een belangrijk component is, wordt gefinancierd onder het partnershipprogramma. Daarvoor is voor 2001-2003, EURO 7 mln. beschikbaar gesteld. In het nieuwe partnershipprogramma met de ILO wordt voor de komende twee jaar EURO 12,5 mln. uitgetrokken voor basic education in relatie tot kinderarbeid. Daarnaast worden de MFO's, sociale partners en vele internationale en nationale NGOs financieel ondersteund bij de uitvoering van activiteiten op het gebied van preventie, rehabilitatie, scholing en lobby.

    Evaluatie van het Nationaal Actieplan naar aanleiding van de Yokohama Global Commitment

    Als uitvloeisel van het eerste Wereldcongres tegen commerciële sexuele exploitatie van kinderen, gehouden in 1996 in Stockholm, heeft het kabinet in 1999 een nota uitgebracht over de aanpak van seksueel misbruik van kinderen (TK 26 690, nr. 1-2).
    Deze nota is gevolgd door een nationaal actieprogramma dat op 19 april 2000 aan de Tweede Kamer is aangeboden (TK 26 690, nr. 4). Het zogeheten Nationaal Actieplan "Aanpak seksueel misbruik van kinderen" (NAPS) is onder regie van het ministerie van Justitie uitgevoerd, met betrokkenheid van overheidsinstanties, maatschappelijke instellingen en niet-gouvernementele organisaties.

    Het NAPS, waarvan de eindrapportage op 11 november 2002 aan de Tweede Kamer werd aangeboden, richtte zich op preventie van seksueel misbruik, hulpverlening, repressie, wetgeving, (internationale) samenwerking, voorlichting, deskundigheidsbevordering, onderzoek en registratie (TK 26 690, nr. 12).

    Ondertussen had ook het Tweede Wereldcongres tegen commerciële exploitatie in Yokohama plaatsgevonden, in december 2001. De uitkomsten van dit Congres zijn beschreven in een brief van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie d.d. 29 januari 2002 aan de Tweede Kamer (just0200145).

    In 2002 is besloten geen evaluatie van het NAPS te laten uitvoeren. Dit mede omdat in de uitgebreide eindrapportage aan de Kamer een voldoende beeld is gegeven van hetgeen met het NAPS is bereikt.

    De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
    A.M.A. van Ardenne-van der Hoeven



  • Landelijke India Werkgroep - 25 maart 2004