India is de proeftuin voor het nieuwe beleid van minister Schoo. De 'verbreding' van de hulprelatie is daar in volle gang. Het CDA-Tweede Kamerlid Harry Aarts, voorzitter van de commissie Ontwikkelingssamenwerking en Gerard Oonk, werkzaam bij de Landelijke India Werkgroep over de pro's en contra's.
Aarts: 'Ik kan een heel eind met u meegaan. Maar je moet ook rekening houden met de historische en culturele context waarin zo'n land is gegroeid. Wij hebben onze eigen visie hoe we een samenleving willen inrichten. In India is sprake van een volslagen ongrijpbare situatie. Er kan wettelijk van alles zijn geregeld, bijvoorbeeld rond het kastesysteem, maar wat in de harten en de geesten van de mens is geworteld is niet onmiddellijk weg te krijgen. Het zal lang duren voordat de mentale voorwaarde is geschapen waarin bijvoorbeeld mannen en vrouwen gelijk deelnemen in de welvaart. Er is veel geduld nodig tenzij we ons uit zo'n land terugtrekken. Maar zo niet, dan moeten we dat toch als een last met ons meedragen.' Binnen zo'n samenleving, die niet monolitisch is, zijn toch groepen, zoals boeren, vakbonden en vrouwenorganisaties waarbij je je kunt aansluiten in je activiteiten? Aarts: 'Waar u nu over spreekt is het terrein van de particuliere organisaties. Op het moment dat het over bilaterale overheidshulp gaat spreek je over contacten met een regering die als gelijkwaardige partner praat en die wensen heeft en eisen stelt. Al hoef je daar niet altijd op in te gaan.' Oonk: 'Je kunt aansluiten bij die activiteiten van het overheidsapparaat die meer gericht zijn op verdeling. De Indiase regering onderkent zelf hoe moeizaam dingen van de grond komen ook door maatschappelijke tegenkrachten. Het hangt van jezelf af welke ingang je kiest en je kunt je eigen ambtenaren ook laten zoeken naar mogelijkheden aan te sluiten bij armoedebestrijding.' Aarts: 'Maar wij hebben toch sectoren gekozen, zoals de watersector, de landbouwsector en de volksgezondheid die typisch verband houden met het zich welbevinden van de mensen op het platteland? Er zijn ook sociale programma's van de medefinancieringsorganisaties en wat ontbreekt, vind ik persoonlijk, zijn programma's voor de slumproblematiek. En dat houdt ook verband met de problemen van de kleine en landloze boeren. En nu zegt u: maar onze hulp gaat juist naar de grote boeren toe. Ja, maar dat is niet altijd te voorkomen. Je neemt een heel gebied en ondersteunt daar activiteiten. Als je ergens water naar toe brengt profiteren daar ook anderen van. Kleine boeren en landlozen vormen een apart probleem. Zonder land kun je helemaal niks. Maar kleine boeren zijn toch voor een groot deel bereikt met onze inspanningen.' Oonk: 'Dat denk ik beslist niet. De kunstmest bijvoorbeeld, tot voor kort het leeuwedeel van de hulp aan India, kwam volgens het misterie zelf voor meer dan zeventig procent bij de grote boeren terecht. Voor de rest ging het naar kleine boeren die tevens over irrigatie beschikten. Dus alles ging naar boeren die relatief, ik zeg met nadruk relatief, goed af zijn. Kleine boeren zonder irrigatie en landlozen werden niet bereikt. Ook bij de drinkwaterprojecten, u kent het rapport van de inspectie van ontwikkelingssamenwerking, kregen de armste groepen, bijvoorheeld de paria's die in een apart deel van een dorp wonen, weer net geen aansluiting.' Aarts: 'Dat is een goed voorbeeld waaraan ik wil illustreren, dat hier blijkt hoe kort we nog maar bezig zijn. We leren daar toch van en het beleid wordt toch verbeterd. Er is een hoop misgegaan, maar het project is daarmee niet mislukt. Mensen die geen huis hebben kun je moeilijk met waterleiding bereiken, er moeten dus extra voorzieningen worden getroffen.' Oonk: 'U grijpt dit nu aan om te zeggen dat het nog niet perfect loopt. Maar toen minister De Koning in 1979 de eerdergenoemde nota uitbracht had het ambtelijke apparaat moeten worden ingericht op de uitvoering er van. Om de fraaie doelstellingen ook waar te maken. Nu komen we er na jaren achter dat er meer dan honderd miljoen gulden is besteed aan het drinkwaterproject, dat, laat ik het zacht zeggen, vrij slordig is aangepakt. Het is prima dat men daar alsnog wat aan wil doen, maar veel ellende was voorkomen als de ambassade en het ministerie goed bemand waren geweest. Kijk, en dat is een kwestie van politieke wil. Er wordt veel aandacht besteed aan het rondkrijgen van leveranties en er wordt te weinig achteraan gezeten, politiek en organisatorisch, om de armoedebestrijding ook werkelijk van de grond te krijgen.' Geen hongersnood Aarts: 'Wat de kunstmest betreft: die was nodig omdat India een chronisch tekort had aan gewassen voor de eigen bevolking. Dat heeft wel degelijk rechtstreeks met armoedebestrijding te maken gehad. Ik denk dat is bewezen, ook door het geluk dat er geen grote rampen zijn geweest, dat India de laatste jaren in ieder geval zelfvoorzienend is op het gebied van voedsel. Er is geen sprake meer van echte hongersnood wat vroeger herhaaldelijk voorkwam. Wat niet wil zeggen dat iedereen hetzelfde en evenveel heeft.' Oonk: 'Nee, niet alleen dat, maar het is nog steeds zo dat vijftig procent van de Indiase bevolking ondervoed is. Zelfvoorzienend betekent alleen, dat op dit moment aan de vraag van de koopkrachtigen naar voedsel kan worden voldaan. Ik wil overigens niet beweren dat kunstmest in India gemist kan worden. Maar moet je dat met ontwikkelingsgeld financieren? Dan moet je kijken waar de kunstmest en de meer-produktie terecht komen.' Aarts: 'Het zal in ieder geval de prijs van voedsel drukken doordat de produktie toeneemt. Geïmporteerd voedsel is ook duur. Er zal dus lokaal meer voedsel voorhanden zijn, ook voor degenen die minder te verteren hebben. Ik vind dat kunstmestgeval niet zo dramatisch als u.' Oonk: 'Zolang kunstmest essentieel is voor India zal het land dat zelf wel invoeren als men het niet produceert. De vraag bij Nederlandse financiering uit ontwikkelingshulp is, of het bijdraagt aan ofwel armoedebestrijding ofwel aan verzelfstandiging van de economie. In beide gevallen zeg ik: dat is beslist niet het geval.' Aarts: 'Maar als u zegt: ze voeren het wel in, dan gaat u helemaal voorbij aan iets heel simpels als de betalingsbalans.' Oonk: 'Welnee. Als Nederland, zoals wij bepleiten, lokale kosten van projecten financiert krijgt de Indiase regering ook harde valuta. Daarmee kunnen ze van alles doen, ook kunstmest kopen. Maar dan dragen die guldens in ieder geval bij aan een betere verdeling van de produktie en dus aan armoedebestrijding.' Aarts: 'Dat kan best juist zijn, maar als India kunstmest vraagt als schenking en ze kunnen die behoefte aantonen, dan is het toch hondsmoeilijk te zeggen dat men het niet krijgt.' Oonk: 'Het liefst had India gewoon geld op de centrale bank of inderdaad kunstmest toen Nederland nog concurrerende prijzen had. Op een gegeven moment heeft Nederland terecht gezegd, dat kunstmest alleen toch niet ging. En dan is de vraag: hoe sterk maakt Nederland zich binnen de marges voor een ander beleid?' Volgens een persbericht heeft minister Schoo na haar bezoek aan India gezegd, dat de Nederlandse ontwikkelingshulp moet dienen als katalysator voor bredere samenwerking. Moet ontwikkelingssamenwerking een soort wegbereider zijn voor het bedrijfsleven? Van doel naar middel? Aarts: 'Dat ligt er maar aan wat je onder bredere samenwerking verstaat. We moeten af van ontwikkelingssamenwerking als enige band tussen twee landen. Dat heeft gevolgen, misschien ook voor de culturele samenwerking. Het heeft ook tot gevolg, dat je je eigen land open moet stellen voor produkten uit bijvoorbeeld India. Derde-wereldlanden moeten in staat worden gesteld meer te verdienen in het Westen, Nu voeren we meer uit naar India dan andersom. Zeker als je aan de bevolkingsaantallen denkt is dit zeer krom. De grenzen openstellen is ook een onderdeel van de verbreding. Wij geven veel hulp aan India, maar Duitsland is bijvoorbeeld veel verder in de economische relatie.' Oonk: 'U vindt dat we er te weinig voor terugkrijgen?' Aarts: 'Ik zie het zo: we moeten op den duur toch van ontwikkelingshulp af. We moeten een economische situatie krijgen waarbij alle landen op de wereldmarkt wat inbrengen en er samen beter van worden. Dat is het ideaal. Handel, geen hulp. Wij kunnen daaraan bijdragen niet door er onze produkten naar toe te brengen, maar door samenwerking tussen bedrijven daar een eigen produktie-apparaat op te zetten. De ontwikkelingsrelatie kan je via een soort hevelwerking daarbij gebruiken, Daar heb ik geen problemen mee als het maar niet het enige beleid ten opzichte van India wordt. Tien procent wordt er nu voor uitgetrokken en dat vind ik reëel. Maar ik mis de beleidsmatige onderbouwing, zoals ik gezegd heb. Want je moet oppassen dat je de samenwerking niet richt op een economische structuur die een nadelig effect heeft op de doelgroep.' Nederlands belang Oonk: 'Maar u vergeet de dynamiek van de ontwikkeling die nu in gang gezet is. In de ambtelijke commissie die de verbreding van de hulp met India moet uitvoeren zitten van Nederlandse kant vier vertegenwoordigers van Economische Zaken en maar één van Ontwikkelingssamenwerking. Die mensen kijken vooral wat commercieel interessant is. Neem het plan om de Indiase veeteelt te verbeteren door Nederlandse stieren te kruisen met Indiase koeien. De koelinstallatie levert Philips. Maar door wetenschappers is aangetoond, dat dit soort veeteeltverbetering negatief uitpakt voor de kleine boer.' Aarts: 'Ik heb ook wel kritiek op de brief waarin de samenwerking met India aan de Kamer wordt uiteengezet. Ik begriip bijvoorbeeld niet dat de minister voor Ontwikkelingssamenwerking deze brief niet heeft ondertekend.' Oonk: 'Ik denk dat het typerend is voor het hele beleid. Economische zaken heeft de hefboom in handen genomen en zal het beleid nu verder beïnvloeden en structureren.' Aarts: 'Het is duidelijk dat wordt getracht met een minimum aan ontwikkelingsgelden een samenwerking op gang te brengen op commerciële basis. Als dat eenmaal begonnen is zullen er geen ontwikkelingsgelden meer worden gebruikt en zal het op den duur toch leiden tot verhoging van de economische weerbaarheid van India. Een minimum aan ontwikkelingsgelden, waardoor er meer overblijft voor een kleinschalige doelgroepenbenadering. Ik herhaal dat de ontwikkelingsdoelstellingen van India voorop moeten staan, maar ik hoop, en neem aan dat u dat ook hoopt, dat binnen die mogelijkheden het bedrijfsleven ook een rol kan vervullen want dat is de kurk waarop wij hier drijven, op basis waarvan wij ook aan ontwikkelingssamenwerking kunnen doen.' Oonk: 'Een rol vervullen ja, maar het kan geen uitgangspunt zijn.' Aarts: 'Het kan het uitgangspunt zijn van de Nederlandse bewindsman die verantwoordelijk is voor de Nederlandse economie en export. Maar nooit van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking die een andere verantwoordelijkheid heeft en dus een grote inbreng moet hebben, formeel en kwantitatief, op de uitwerking van zo'n beleid.' Oonk: 'Die ze dus nu niet heeft?' Aarts: 'Dat moet u mij niet vragen. Ik wacht op beleidsstukken van het kabinet waar die invloed uit zal moeten blijken. Er was een beleid, maar een nieuwe minister heeft de verantwoordelijkheid een nieuw beleid te formuleren.' | |||||||||||||||
![]() LIW IN 'T NIEUWS |
![]() Maatschappelijk verantwoord ondernemen |
![]() Hulp aan India |
![]() HOME Landelijke India Werkgroep |
Landelijke India Werkgroep - 1 december 2004