|
door: Bedrijven vooral bang voor imago G-Star overstag in conflict over slechte arbeidsomstandigheden in India
Van vakbond FNV tot Amnesty International: een hele stoet organisaties kwam de laatste tijd in opstand tegen het kledingmerk G-Star, dat zijn spijkerbroeken tot een paar dagen geleden liet produceren in de Indiase fabriek FFI. Aanleiding is een aanklacht van FFI. Acht leden van de Schone Kleren Kampagne (SKK) en de Landelijke India Werkgroep (LIW) moeten daarom terechtstaan wegens smaad, racisme en xenofobie. Jarenlang maakten de actiegroepen zich in de fabriek sterk voor het verbeteren van arbeidsomstandigheden en het recht op vakbondsvorming, wat in India nog steeds verboden is. Afgelopen week lag G-Star onder vuur vanwege alle tumult die FFI veroorzaakte. Aanvankelijk liet het bedrijf weten in de fabriek te blijven produceren; het wilde de banen van de werknemers niet in gevaar brengen. Inmiddels heeft G-Star zich toch uit de fabriek teruggetrokken. De maker van onder meer spijkerbroeken is betrokken geraakt bij een conflict tussen de drie partijen (FFI, LIW en SKK), en dat wilde het bedrijf niet. Of het weggaan uit de fabriek iets met de kritiek van de afgelopen dagen te maken heeft, laat het bedrijf overigens in het midden. Van Nike tot C&A en van H&M tot Puma, elk zichzelf respecterend kledingbedrijf publiceert tegenwoordig op zijn website een uitgebreid rapport met acties die ondernomen worden voor goede arbeidsomstandigheden. Dat moet ook wel. Het beeld bijvoorbeeld van de arbeider in China – lange dagen, onderbetaald en geen rechten – bereikt regelmatig de westerse media. Als grote kledingbedrijven geen imagoschade willen oplopen, moeten ze laten zien dat ze iets voor de arbeiders doen. "Wordt dat imago beschadigd, dan kunnen kledingbedrijven wel inpakken", zegt onderzoeker Joris Oldenziel van Somo, een adviesbureau dat onderzoek doet naar het beleid van grote ondernemingen in ontwikkelingslanden. Daarom nemen veel kledingbedrijven initiatieven op het vlak van maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Het gebeurt regelmatig dat kledingbedrijven hun toeleveranciers de rug toekeren. Sportmerk O’Neill stopte bijvoorbeeld met het produceren bij de Turkse fabriek Metraco waar het kleding liet maken. Vakbonden waren verboden in de fabriek. Ook kledingbedrijf Mexx is gestopt met het produceren van de kleding in de Indiase fabriek FFI, waar ook G-Star zijn kleding liet produceren. "We geven onze deelnemers meestal eerst het advies samen met de fabrikant te zoeken naar een oplossing. Als een fabrikant vervolgens echt niet wil meewerken, vinden we dat een deelnemer zich terug moet trekken." Blijft de vraag waarom deze bedrijven zich precies terugtrekken. Oldenziel: "Als kledingbedrijven niet zoveel produceren in een fabriek die onder vuur ligt, is het makkelijk om weg te gaan. Zeker als je weet hoeveel imagoschade een bedrijf lijdt als het negatief in de publiciteit komt." De meeste kledingbedrijven proberen die schade te voorkomen. Zelf sturen ze delegaties die controles uitvoeren in de desbetreffende fabriek. "Maar er zijn legio aanwijzingen dat deze controles kwalitatief weinig voorstellen", zegt Oldenziel. "Veel fabrieksarbeiders worden door de eigenaar gedwongen hun mond te houden, en sommige fabrieken voeren een dubbele boekhouding. Daardoor is niet altijd duidelijk hoeveel de arbeiders in werkelijkheid verdienen." De kledingbranche neemt relatief veel initiatieven om het bestaan van de arbeiders in hun fabriek te verbeteren. "Maar ze produceren als sector ook het meest in lage-lonenlanden", aldus Oldenziel.
|
terug
LIW in de pers
Schone Kleding
HOME Landelijke India Werkgroep
Landelijke India Werkgroep - 10 december 2007