terug
E-4908/05NL, 2 maart 2006


Antwoorden van Europees Commissaris Louis Michel, namens de Commissie,
op vragen van Max van den Berg (PvdA) en Kathalijne Buitenweg (GroenLinks) (13 december 2005)

Onderwerp: 'Budgetsteun aan landen die zich niet serieus inzetten voor bestrijding van kinderarbeid'

Vragen

Op 22 november jl. heeft commissaris Louis Michel 170000 handtekeningen in ontvangst genomen in het kader van de campagne Stop Child Labour - School is the best place to work. Bij deze gelegenheid heeft de commissaris onder meer beloofd geen budgetsteun te geven aan landen die zich niet serieus inzetten om kinderarbeid te bestrijden.

Hoe gaat de commissaris dit criterium toepassen? Wat zijn de minimumvoorwaarden waaraan een land in de strijd tegen kinderarbeid moet voldoen om voor budgetsteun in aanmerking te blijven komen?

Antwoorden

Om kinderarbeid over de gehele wereld te voorkomen onderhoudt de Commissie, met name via haar delegaties, een dialoog met regeringen waarbij zij kwesties op het gebied van de rechten van het kind waarover zij zich zorgen maakt aan de orde stelt.

In haar nota aan de EG-delegaties van 2006 inzake de rechten van het kind, geeft de Commissie richtsnoeren om dit vraagstuk van kinderarbeid in die dialoog naar voren te brengen, waarbij zij uitgaat van het Verdrag inzake de rechten van het kind. De dialoog zou moeten worden gebaseerd op de analyse van State Party verslagen (verslagen van de verdragsstaten van de VN), de grondwettelijke toetsing en de beoordeling in het kader van de Poverty Reduction Strategy Paper (PRSP) (strategie voor de armoedebestrijding), alternatieve verslagen van de burgermaatschappij aan de commissie Rechten van het kind van de Verenigde Naties, aanbevelingen van de VN-commissie, het document waarin de resultaten zijn opgenomen van de Bijzondere zitting over kinderen “A world fit for children” en andere relevante verplichtingen, bijvoorbeeld de omnibusresolutie inzake de rechten van het kind die elk jaar wordt aangenomen door de mensenrechtencommissie van de VN. Daarnaast houdt de Commissie ook rekening met de verslagen en aanbevelingen van het toezichtstelsel van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) met betrekking tot kinderarbeid.

Ook de burgermaatschappij wordt bij de dialoog betrokken door regelmatige besprekingen met plaatselijke organisaties van het Kinderfonds van de Verenigde Naties (UNICEF) en andere internationale organisaties die zich bezig houden met de rechten en noden van het kind (bijvoorbeeld het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA), de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR), de ILO, de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), enz), plaatselijke politieke partijen en vakbonden, en vertegenwoordigers van burgerorganisaties (Civil Based Organisation (CBO), niet-gouvernementele organisaties (NGO) die actief zijn op het gebied van de rechten van het kind, met inbegrip van plaatselijke netwerken voor de kinderbescherming, kinderrechtenclubs en indien mogelijk kinderen die zichzelf vertegenwoordigen.

Wanneer er bewijzen zijn van misbruik of verwaarlozing van de rechten van het kind, met inbegrip van kinderarbeid, dan beschikt de Commissie over een juridisch kader dat haar in staat stelt voorwaarden te hanteren bij externe betrekkingen (niet alleen wat betreft begrotingssteun maar ook wat betreft algemene ontwikkelingssamenwerking, bilaterale handelsovereenkomsten en alle bilaterale betrekkingen). Leidraad hierbij vormt de naleving van de rechten en beginselen die zijn vervat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het beleid van de Commissie op het gebied van kinderarbeid komt tot uiting in artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie waarin de rechten van het kind zijn verankerd. Het Handvest omvat ook specifieke artikelen die relevant zijn voor het verbod op kinderarbeid en de bescherming van jeugdige werknemers. De bescherming van jongeren op het werk in de EU staat tevens centraal in Richtlijn 94/33/EG1 van de Raad. De Commissie is van oordeel dat alle vormen van kinderarbeid indruisen tegen het beste belang van het kind en een obstakel vormen om het recht op onderwijs te realiseren. De strijd tegen kinderarbeid maakt ook deel uit van de bevordering van fatsoenlijk werk voor iedereen, een streven dat is opgenomen in de Europese consensus over ontwikkeling van 22 november 2005.

Sedert het begin van de jaren negentig heeft de Commissie voorts een zogenaamde mensenrechtenclausule opgenomen in haar bilaterale handels- en ontwikkelingsovereenkomsten met derde landen, waaronder de associatieovereenkomsten zoals de Europa-overeenkomsten, Mediterrane overeenkomsten en de Overeenkomst van Cotonou. De basisbepalingen van deze clausule zijn geformuleerd in een Raadsbesluit2 van mei 1995. Dergelijke bepalingen bieden een positieve basis voor het bevorderen van de dialoog en steun voor democratie en mensenrechten, met inbegrip van de rechten van het kind met de mogelijkheid om passende maatregelen te nemen, waaronder schorsing van een overeenkomst indien de verbintenis om de mensenrechten in acht te nemen wordt geschonden. Tal van dergelijke overeenkomsten zijn reeds ondertekend, met inbegrip van associatieovereenkomsten zoals de Europa- en Mediterrane overeenkomsten. Een ander belangrijk voorbeeld is de Overeenkomst van Cotonou waarin een specifiek overlegmechanisme wordt ingevoerd om mogelijke schendingen van de mensenrechten door partijen bij de overeenkomst te onderzoeken.

Indien ontwikkelingssamenwerking na deze dialoog en dit overleg nog mogelijk is, dan is de keuze van begrotingssteun afhankelijk van het bestaan van een strategie voor armoedebestrijding (waar tevens moet worden gekeken naar het vraagstuk kinderarbeid) en een positieve beoordeling van het macro-economische kader en dat van het beheer van de overheidsfinanciën. Om de “variabele tranche” te kunnen vrijgeven moet overeenstemming zijn bereikt over indicatoren en doelstellingen die verband houden met de vooruitgang op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs wat betreft de Millennium Ontwikkelingsdoelstellingen. In een aantal gevallen kunnen speciale tranches worden verleend afhankelijk van voorwaarden die verband houden met specifieke rechten (in Rwanda werden bijvoorbeeld twee speciale tranches verleend indien was voldaan aan acht voorwaarden met betrekking tot aspecten van de gacaca rechtbanken die zich na de genocide bezig houden met de berechting).

Afgezien van de politieke dialoog en samenwerkingsovereenkomsten met derde landen werkt de Commissie samen met de ILO. Een van de prioritaire gebieden hierbij is afschaffing van kinderarbeid. De Commissie en de landen van Afrika, het Caraïbisch Gebied en de Stille Oceaan (ACS) zijn hiertoe overeengekomen acties te ondernemen in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds (EDF), waarmee 15 miljoen Euro is gemoeid, om kinderarbeid te voorkomen en dit te koppelen aan een verbetering van de toegang tot het basisonderwijs. De Commissie verleent tevens steun aan het IPEC-programma van de ILO in Turkije en Pakistan en versterkt haar samenwerking met de ILO in het algemeen op het gebied van de bevordering van fatsoenlijk werk voor iedereen.



  1. Richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk, PB L 216 van 20.8.1994.
  2. COREPER voorstel referentienummer 7255/95.